|
|
Zondagswet
- Wet uit 1815 die erin voorzag ,,om op het voetspoor onzer godsdienstige
voorvaderen, die daarop steeds den hoogsten prijs stelden, de pligtmatige
viering van den dag des Heeren en andere dagen den openbaren Christelijken
Godsdienst toegewijd, door eenparige en voor de gehele uitgestrektheid der
Vereenigde Nederlanden algemeen werkende maatregelen te verzekeren.'' In 1953
werd de wet herzien. Vanaf die tijd was het 's zondags verboden zonder strikte
noodzaak gerucht te wekken dat op meer dan 200 meter hoorbaar is, maar na
zondagmiddag 1 uur waren optochten en openbare vermakelijkheden toegestaan. Al
had vrijgeven van zondagssport op sommige plaatsen nog wel wat voeten in aarde,
toch heeft deze wetgeving een liberaliserend effect gesorteerd, schrijft dr. C.B.
Posthumus Meyjes. ,,Men zou bijna vergeten dat de zondag ooit werd ingesteld als
rustdag'', schrijven Knulst en Schoonderwoerd in 1983. In 1991 wordt het verbod
op tv-reclame op zondag ongedaan gemaakt, later in de jaren negentig dragen de
Arbeidstijden- en Winkelsluitingswet het hunne bij aan de teloorgang van de
zondagsrust.
Wet van 15 October 1953, houdende nadere
voorschriften ter wegneming van beletselen voor de viering van en ter
verzekering van de openbare rust op de Zondag en enige Christelijke feestdagen
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut!
doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
noodzakelijk is de wet van 1 Maart 1815, Staatsblad no. 21, houdende
voorschriften ter viering van de dagen aan de openbare Christelijke Godsdienst
toegewijd, te vervangen door nadere voorschriften ter wegneming van beletselen
voor de viering van en ter verzekering van de openbare rust op de Zondag en
enige Christelijke feestdagen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en
met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1.
Voor de toepassing van deze wet worden de Hemelvaartsdag en de eerste Kerstdag
met de Zondag gelijkgesteld.
2.
Voor de toepassing van artikel 2 worden de tweede Paas-, Pinkster- en Kerstdag,
de Goede Vrijdag en de Nieuwjaarsdag met de Zondag gelijkgesteld.
Artikel 2
1.
Het is verboden op Zondag in de nabijheid van kerken of andere gebouwen voor de
openbare eredienst in gebruik, zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken,
waardoor de godsdienstoefening wordt gehinderd.
2.
De burgemeester treft de nodige maatregelen teneinde te voorkomen, dat op Zondag
door het verkeer op land- en waterwegen in de nabijheid van kerken of andere
gebouwen voor de openbare eredienst in gebruik, meer voor de
godsdienstoefeningen hinderlijk gerucht wordt veroorzaakt dan met het oog op de
eisen van dat verkeer redelijkerwijze onvermijdelijk is. Hij is bevoegd daartoe
verbiedend of bevelend op te treden of te doen optreden.
Artikel 3
1.
Het is verboden op Zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op
een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op uitingen tijdens
geoorloofde samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging,
vergaderingen of betogingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Voor
zover dat vereist is ter voorkoming van gerucht dat de viering van de Zondag en
de openbare rust op de Zondag ernstig verstoort, voegt de burgemeester aan de
voorschriften en beperkingen bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet
openbare manifestaties voorschriften en beperkingen toe met betrekking tot het
geluidsniveau en met betrekking tot het gebruik van geluidsapparaten, of worden
door hem aanwijzingen ter zake gegeven.
3.
Voor andere gevallen dan die bedoeld in het tweede lid kan de burgemeester voor
de tijd na 13 uur ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid; de
gemeenteraad kan ter zake regels stellen.
Artikel 4
1.
Het is verboden op Zondag voor 13 uur openbare vermakelijkheden te houden,
daartoe gelegenheid te geven of daaraan deel te nemen.
2.
De gemeenteraad kan bij plaatselijke verordening voor de tijd na 13 uur voor
door hem aan te wijzen openbare vermakelijkheden eenzelfde verbod vaststellen
als in het eerste lid vervat.
3.
De burgemeester is bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde bij het
eerste en krachtens het tweede lid; de gemeenteraad kan terzake regels stellen.
4.
Ten aanzien van openbare vermakelijkheden, waarvan redelijkerwijze geen
beletselen voor de viering van de Zondag en geen verstoring van de openbare rust
op de Zondag zijn te duchten, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald,
dat zij niet als openbare vermakelijkheden in de zin van deze wet zullen worden
beschouwd.
Artikel 5
1.
Het is verboden op Zondag voor 13 uur optochten of bijeenkomsten op openbare
plaatsen te houden, daartoe gelegenheid te geven, of daaraan deel te nemen.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op:
a.
samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging;
b.
wandeltochten die niet door muziek worden begeleid.
3.
Met betrekking tot de in het tweede lid onder a bedoelde samenkomsten voegt de
burgemeester, voor zover dat vereist is ter voorkoming van onnodige verstoring
van de openbare rust op de Zondag, aan de voorschriften en beperkingen bedoeld
in artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties voorschriften en
beperkingen toe met betrekking tot tijd, plaats en duur van zodanige
samenkomsten, of worden door hem aanwijzingen ter zake gegeven.
Artikel 5a
1.
Artikel 3, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, zijn in een gemeente of groep
van gemeenten niet van toepassing op door Gedeputeerde Staten aangewezen, bij
het in werking treden dezer wet aldaar bestaande tradities en gebruiken, welke
naar hun oordeel in het volksleven zijn geworteld en niet als openbare
vermakelijkheden in de zin van deze wet zijn te beschouwen. Aanwijzing kan
slechts geschieden binnen 18 maanden na het in werking treden van dit artikel.
Alvorens Gedeputeerde Staten tot aanwijzing overgaan horen zij burgemeester en
wethouders.
2.
Artikel 3, derde lid, en artikel 4, derde lid, zijn niet van toepassing in door
Gedeputeerde Staten aangewezen gemeenten, waar naar hun oordeel het verlenen van
ontheffing zou indruisen tegen godsdienstige overtuigingen, welke het volksleven
aldaar overwegend beheersen. Alvorens Gedeputeerde Staten tot aanwijzing
overgaan, horen zij burgemeester en wethouders.
Artikel 6
Het is verboden op Zondag zonder genoegzame reden de openbare rust door arbeid
in beroep of bedrijf te verstoren.
Artikel 7
1.
Plaatselijke verordeningen tot regeling van punten, waaromtrent bij deze wet
niet is voorzien, mogen geen verbodsbepalingen inhouden omtrent sportbeoefening
of andere vormen van ontspanning op Zondag, die niet als openbare
vermakelijkheid in de zin van deze wet zijn te beschouwen.
2.
Besluiten van een orgaan van de gemeente mogen geen beletselen inhouden voor
sportbeoefening of andere vormen van ontspanning op zondag, niet zijnde openbare
vermakelijkheden als bedoeld in het eerste lid.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid worden met een "orgaan van de gemeente"
gelijkgesteld:
a.
een orgaan ingesteld tot uitvoering van een gemeenschappelijke regeling; en
b.
een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen voor zover het betreft
besluiten ten aanzien van de exploitatie van een inrichting voor sportbeoefening
of andere vormen van ontspanning waarvan de gemeente eigenaresse is of ten
behoeve waarvan de gemeente een bijdrage in welke vorm dan ook heeft verleend na
8 mei 1974.
4.
De gemeenteraad kan bij plaatselijke verordening bepalen, dat artikel 2 mede van
toepassing zal zijn op in de verordening met name genoemde dagen, welke door een
of meer kerkgenootschappen tot rust- of feestdagen zijn bestemd.
Artikel 8
1.
Overtreding van de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5,
eerste lid, en 6, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of
geldboete van de tweede categorie.
2.
Met dezelfde straf wordt gestraft degene die in strijd handelt met een verbod of
bevel als bedoeld in artikel 2, tweede lid, met een voorschrift of beperking als
bedoeld in artikel 3, tweede lid, en artikel 5, derde lid, of met een aanwijzing
als bedoeld in artikel 3, tweede lid, en artikel 5, derde lid.
Artikel 9 [Vervallen per 01-09-1976]
Artikel 10
De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.
Artikel 11 [Vervallen per 01-04-1994]
Artikel 12
Bij het in werking treden van deze wet vervalt de wet van 1 Maart 1815 (Staatsblad
no. 21), zoals deze laatstelijk is gewijzigd, zomede het Besluit van de
Souvereine Vorst van 1 October 1814, no. 68.
Artikel 13
Deze wet kan worden aangehaald onder de benaming "Zondagswet".
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle
Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 15 October 1953
JULIANA.
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
BEEL.
Uitgegeven de zeventiende November 1953.
De Minister van Justitie,
L. A. DONKER.
|
|