You are home- www.agp-internet.com/react- profetie.nl.nu

Openbaring  20

 

Satan voor duizend jaar gebonden

 

Vers 1:

En ik zag een engel afkomen uit de hemel, hebbende de sleutel van de afgrond, en een grote keten in zijn hand.

2: En hij greep de draak, de oude slang, welke is de duivel en satan, en bond hem duizend jaar.

 

EN HIJ GREEP DE DRAAK

“De Ziener voorspelt de verbanning van Satan, en de toestand van verwarring en verwoesting waarin de aarde gebracht zal worden; en hij verklaart dat die toestand duizend jaren bestaan zal. Na de beschrijving van de gebeurtenissen van de wederkomst van Christus en de vernietiging van de ongelovigen zegt de profeet: ‘En ik zag een engel afkomen uit de hemel, met de sleutel van de afgrond en een grote keten in zijn hand, en hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan en bond hem duizend jaar.” – GS p. 767 (608).

 

Vers 3:

En wierp hem in de afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde die boven hem, opdat hij de volken niet weer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleine tijd ontbonden worden.

 

“Dat de uitdrukking ‘afgrond’ de aarde voorstelt in een staat van verwarring en duisternis, blijkt uit andere bijbelteksten. Aangaande de toestand van de aarde ‘in den beginne’ zegt het bijbelverhaal, dat zij ‘woest en ledig was, en duisternis was op de afgrond.’ Genesis 1:2.

 

De profetie zegt ons, dat zij tenminste gedeeltelijk tot deze toestand teruggebracht zal worden. Vooruitziende naar de grote dag van God verklaart de profeet Jeremia: ‘Ik zag het land aan, en zie, het was woest en ledig; ook naar de hemel, en zijn licht was er niet. Ik zag de bergen aan, en zie, ze beefden; en al de heuvelen schudden. Ik zag, en zie, er was geen mens; en alle vogels des hemels waren weggevlogen. Ik zag, en zie, het vruchtbare land was een woestijn, en al zijn steden waren afgebroken.’ Jeremia 4: 23-27.

 

Dit zal duizend jaar lang de woonplaats zijn van Satan met zijn boze engelen. Tot de aarde beperkt, zal hij geen toegang tot andere werelden hebben, om degenen, die nooit gevallen zijn, te verzoeken en te plagen. Het is in deze zin, dat hij gebonden is; er is niemand meer waarover hij zijn macht kan uitoefenen. Hij is volkomen afgesneden van het werk van bedrog en verwoesting, dat zoveel eeuwen lang zijn enig genot geweest is.” – GS p. 767,8 o.u. (p. 608,8 n.u.).

 

DE EERSTE OPSTANDING

 

Vers 4:

En ik zag tronen, en zij zaten daarop, en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen van hen, die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en zijn beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand, en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren. (Daniël 7: 22).

 

EN HET OORDEEL WERD HUN GEGEVEN

“Tijdens de ‘duizend jaren’ tussen de eerste en tweede opstanding, vindt het oordeel over de ongelovigen plaats. De apostel Paulus wijst op dit oordeel als een gebeurtenis, die op de wederkomst volgt. ‘Zo dan, oordeelt niet vóór de tijd, totdat de Heer gekomen zal zijn, die ook in het licht zal brengen hetgeen in de duisternis verborgen is, en de raadslagen des harten openbaar maken.’ 1 Kor. 4: 5.
Daniël verklaart, dat, toen de Oude van dagen kwam ‘het gericht gegeven werd aan de heiligen van de hoogste plaatsen.’ Daniël 7: 22. Op die tijd heersen de rechtvaardigen als koningen en priesters Gods ...... Het is gedurende deze tijd dat, zoals Paulus voorzegd heeft, ‘de heiligen de wereld oordelen zullen.’ Samen met Christus oordelen ze de goddelozen, hun daden vergelijkende met het wetboek, de Bijbel, en elk geval beslissende op grond van de daden die zij gedaan hebben. Dan wordt de straf, die de goddelozen lijden moeten, uitgemeten ‘naar dat hun werken zijn’ en tegenover hun namen opgetekend in het boek des doods.

 

Ook Satan en de boze engelen worden door Christus en Zijn volk geoordeeld. Paulus zegt: ‘Weet u niet, dat wij de engelen oordelen zullen?’ 1 Kor. 6: 2,3. En Judas verklaart, dat ‘de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder de duisternis bewaard worden.’ - GS 609, 610.

 

Vers 5:

Maar de overigen der doden werden niet weer levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding.

6: Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over dezeheeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren.

7: En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis ontbonden worden.

8: En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, de Gog en de Magog, om hen te vergaderen tot de strijd, welker getal is als het zand aan de zee.

 

ZAL SATAN UIT ZIJN GEVANGENIS ONTBONDEN WORDEN

“Aan het einde van de duizend jaren zal de tweede opstanding plaats hebben. Dan zullen de goddelozen uit de doden worden opgewekt, en voor God verschijnen tot uitvoering van het ‘opgeschreven oordeel.’ Aldus zegt de Ziener, na de opstanding van de rechtvaardigen beschreven te hebben: ‘De overigen van de doden werden niet weer levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren.’

 

Vers 9:

En ze zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neer van God uit de hemel, en heeft hen verslonden.

 

EN OMRINGDEN DE LEGERPLAATS DER HEILIGEN

“Aan het einde van de duizend jaren keert Christus weer naar de aarde terug. Hij is vergezeld van de scharen van verlosten, en omstuwd door een lijfwacht van engelen. Terwijl Hij in vreselijke majesteit neerdaalt, roept Hij de goddeloze doden op, om hun straf aan te horen. Ze komen tevoorschijn als een machtige schare, talloos als het zand van de zee. Welk een tegenstelling met degenen, die bij de eerste opstanding opgewekt zijn! De rechtvaardigen zijn met onsterfelijke jeugd en schoonheid bekleed. De goddelozen dragen de sporen van ziekte en dood.

 

Elk oog in die grote schare wendt zich, om de heerlijkheid van de Zoon van God te aanschouwen. Eenstemmig roept de goddeloze menigte uit: ‘Gezegend is Hij, die daar komt in de naam des Heren!’ Het is geen liefde tot Jezus, die deze woorden ingeeft. De kracht van de waarheid perst de woorden van onwillige lippen. Zoals de goddelozen in

 

hun graven gegaan zijn, zo komen ze eruit voort, met dezelfde de vijandschap tegen Christus, en dezelfde opstandige geest. Een tweede proeftijd, indien die hun gegeven

werd , zou doorgebracht worden gelijk de eerste, met het ontwijken van de eisen die God stelt, en het aanzetten tot opstand tegen Hem.

 

Christus daalt neer op de Olijfberg, vanwaar Hij na Zijn opstanding ten hemel voer, en waar de engelen de belofte van Zijn wederkomst uitspraken. De profeet zegt: ‘De Heer, mijn God, zal komen en al de heiligen met U.’‘En Zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt tegen het Oosten, en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden, zodat er een grote vallei zal zijn.’‘En de Heer zal tot Koning over de gehele aarde zijn, te dien dage zal de Heer één zijn, en Zijn naam één.’Zach. 14:4,5,9.

 

Wanneer het Nieuwe Jeruzalem in zijn verblindende pracht neerdaalt uit de hemel, zal het rusten op de plaats die gereinigd en gereedgemaakt is om het te ontvangen. En Christus gaat met Zijn volk en de engelen de heilige stad binnen.

Nu bereidt Satan zich voor tot een laatste, machtige strijd om de heerschappij. Terwijl hij van zijn macht beroofd was, en afgesneden van zijn werk van misleiding, voelde de vorst van het kwaad zich ellendig en neerslachtig, maar nu de goddeloze doden opgewekt zijn, en hij de grote schare naast zich ziet, wordt zijn hoop levend, en neemt hij het besluit de grote strijd niet op te geven. Hij zal al de legerscharen van de gedoemden onder zijn banier oproepen, en door hen trachten zijn plannen uit te voeren. De goddelozen zijn Satans gevangenen.

 

ONDER DIE GROTE SCHARE is er een menigte van het eeuwen oude geslacht, dat vóór de zondvloed leefde; mannen van grote gestalte en reusachtig verstand.... Er zijn daar koningen en legeraanvoerders, die volken hebben overwonnen; dappere mannen die nooit een slag verloren hebben, trotse ijverzuchtige strijders wier nadering koninkrijken heeft doen beven. In de dood hebben zij geen verandering ondergaan. Terwijl ze uit het graf opkomen, nemen ze de draad van hun gedachten weer op, juist waar die afgebroken werd. Ze worden gedreven door hetzelfde verlangen om te overwinnen, dat hen beheerste toen ze vielen.... Allen beginnen zich dadelijk op de strijd voor te bereiden.... Eindelijk wordt het bevel om op te rukken gegeven, en zet zich de ontelbare menigte in beweging... Zie het boek De Grote Strijd (of “Het Grote Conflict”), hoofdstuk: “Het einde van de strijd.”

 

Vers 10:

En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en sulver alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.

 

EN ZULLEN GEPIJNIGD WORDEN IN ALLE EEUWIGHEID
“De uitdrukking ‘in alle eeuwigheid’ kan niet duiden op een eeuwige duur. Dit blijkt uit het feit, dat deze straf wordt toegediend op deze aarde, die uiteindelijk vernieuwd en gereinigd zal worden van alle smet en vlek. Zij zal een vreugdevolle woonplaats worden van alle rechtvaardigen tot in de eeuwigheid. Het Griekse woord dat hier met ‘eeuwig’ vertaald is, wordt door Schrevelius in zijn Griekse lexikon aldus omschreven: ‘Een eeuw, een lange tijd, onbepaalde duur, tijd hetzij langer of korter.’ Nadat het vuur de goddelozen heeft verdelgd zal de aarde geheel vernieuwd worden en tot woonplaats dienen van Gods kinderen.” - US p. 370.

 

Zie Daniël 7:11; Openbaring 19: 20; Openbaring 14: 10.

 

HET LAATSTE OORDEEL

 

Vers 11:

En ik zag een grote witte troon, en Degene, Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.

12: En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God, en de boeken werden geopend,en een ander boek werd geopend, dat des levens is, en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was naar hun werken. (Daniël 7: 9,10).

 

EN DE DODEN WERDEN GEOORDEELD

“Nu verschijnt Christus opnieuw voor Zijn vijanden. Ver boven de stad rijst een hoge troon op een voetstuk van schitterend goud. Op deze troon zit de Zoon van God en rondom Hem staan de onderdanen van Zijn koninkrijk. De macht en de luister van Christus zijn in geen taal weer te geven en met geen pen te beschrijven. De heerlijkheid van de eeuwige Vader omstraalt de Zoon. De schitterende glans van Zijn tegenwoordigheid vervult de stad Gods, straalt tot buiten de poorten en overspoelt de hele aarde met zijn gloed.

 

Het dichtst bij de troon staan zij die eens trouwe slaven van Satan waren. Ze zijn echter als een brandhout uit het vuur gerukt en hebben hun Verlosser oprecht en toegewijd gevolgd. Dan komen zij die ondanks het bedrog en het ongeloof van de wereld een volmaakt christelijke karakter hebben ontwikkeld en zij die Gods wet hebben onderhouden toen de christelijke wereld dacht dat ze afgeschaft was,  en daarna de miljoenen van alle eeuwen die om hun geloof als martelaren zijn gestorven. Nu verder staat ‘een grote schare die niemand

tellen kon, uit alle volk en stam en natie en talen ….de troon van het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen.’ Openbaring 7:9.

 

De verlosten heffen een lofzang aan dat weergalmt door het hemelgewelf: ‘De zaligheid is van onze God, Die op de troon gezeten is, en van het Lam.’ Vers 10. En de engelen en serafs stemmen in met het lied.

In de aanwezigheid van alle bewoners van de aarde en van de hemel vindt de kroningsplechtigheid van de Zoon van God plaats. En nu, bekleed met de hoogste majesteit en macht, spreekt Hij het oordeel uit over allen die tegen zijn heerschappij in opstand zijn gekomen en voltrekt het vonnis aan de overtreders van Zijn wet en de onderdrukkers van Zijn volk. De profeet Gods beschrijft deze gebeurtenis: “En ik zag de doden, de groten en kleinen, staande voor de troon, en er werden boeken geopend, en de doden werden geoordeeld naar hun werken.” – GS p. 614.

 

Vers 13:

En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken.

 

EEN IEGELIJK NAAR HUN WERKEN

“Zodra de ‘boeken des hemels’ worden geopend en Christus de ongelovigen aankijkt, worden ze zich bewust van elke zonde die ze hebben gedaan.

 

Ze weten precies waar ze van het pad der reinheid en heiligheid zijn afgeweken. Ze beseffen heel duidelijk dat ze Gods wet door hun hoogmoed en rebellie hebben overtreden. De verleidingen die zij door hun toegeven aan de zonde hebben uitgelokt, de zegeningen die zij voor zichzelf tot een vloek hebben gemaakt, de boodschappen van God die zij hebben veracht, de waarschuwingen die ze hebben verworpen, de stromen van genade die ze door hun koppigheid en onboetvaardigheid hebben afgewezen – dit  alles verschijnt in vurige letters voor hun geest.” – GS p. 614.

 

Vers 14:

En de dood en de hel werden geworpen in de poel van vuur; dit is de tweede dood.

15: En zo iemand niet gevonden werd geschreven te zijn in het boek des levens, die werd geworpen in de poel des vuurs.

 

IN DE POEL VAN VUUR

“Vuur van God uit de hemel regent op hen, en de grote mannen, en de machtigen, de edelen, de armen en de ellendigen, worden alle tesamen verteerd. Ik zag dat sommigen snel vernietigd werden, terwijl anderen langer leden. Zij werden gestraft naar hetgeen zij in het lichaam gedaan hadden. Bij sommigen duurde het vele dagen, voordat zij verteerd waren, en juist zo lang behielden zij het gevoel van hun lijden. De engel sprak: ‘De worm des levens zal niet sterven; hun vuur zal niet uitgeblust worden, zo lang er nog het kleinste deeltje overblijft …..’

 

Satan en zijn engelen leden lang. Satan droeg niet alleen de last en de straf van zijn eigen zonden, maar ook van de zonden van het heir der verlosten, die op hem gelegd waren; want hij moest evenzeer lijden voor het verderf van de zielen, waar hij de oorzaak van was. Toen zag ik dat Satan en het ganse heir van goddelozen verteerd was, en de rechtvaardigheid van God bevredigd was; en het gehele engelenheir en alle verloste heiligen, spraken met luide stem: ‘AMEN!’

 

Gods heelal was rein, en de grote strijd voor eeuwig ten einde. Waar wij heen zagen, al waar het oog op rustte, was prachtig en heilig. En de gehele schare van verlosten, ouden en jongen, groten en kleinen, wierpen hun glinsterende kronen aan de voeten van hun Verlosser, knielde in aanbidding voor Hem neer, en aanbad Hem, die tot in alle eeuwigheid leeft.” — EGW Eerste Geschriften p. 350.