Openbaring 7
De verzegeling van de twaalf stammen
Vers 1:
En na dezen zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde,
houdende de vier winden der aarde, opdat geen wind zou waaien over de
aarde, noch op de zee, noch op enige boom.
HOUDENDE DE VIER
WINDEN
“Vier machtige engelen houden
de vier winden van de aarde nog tegen. Vreselijke vernietiging wordt
verhinderd in volle mate los te barsten. De winden zullen de volkeren
aanzetten tot een dodelijke strijd, terwijl de engelen de vier winden
tegenhouden en niet toestaan dat de vreselijke macht van Satan in volle
hevigheid zal worden uitgeoefend voordat de dienstknechten van God aan hun
voorhoofden verzegeld zijn.” – RH 7 Juni 1887.
“De tekenen van de tijden
tonen aan dat de oordelen van de hemel worden uitgestort, dat de dag des
Heren nabij is. De dagbladen bevatten overvloedige aanwijzingen van een
intense strijd in de toekomst. Brutale roofovervallen komen veelvuldig voor.
Stakingen zijn gebruikelijk. Diefstallen en moorden worden alom begaan.
Mensen die door demonen bezeten zijn nemen het leven van mannen, vrouwen en
kleine kinderen. Al deze dingen getuigen dat de komst van de Here nabij is.
De weerhoudende macht van God
wordt reeds nu onttrokken aan de wereld. Orkanen, stormen, oproer,
ongelukken op zee en op het land volgen elkaar in een snel tempo op. De
tekenen die rondom ons toenemen en ons vertellen dat de Zoon van God spoedig
zal komen, worden toegeschreven aan alle mogelijke oorzaken behalve aan de
juiste .....
De tijd ligt vlak voor ons
waarin er verdriet zal zijn in de wereld dat door geen menselijke troost
gelenigd kan worden. Zelfs voordat de laatste grote vernietiging over de
wereld komt, zullen de fraaie gedenktekens van menselijke grootheid tot stof
vergaan. Gods vergeldende oordelen zullen vallen op degenen die ten
overstaan van groot licht bleven zondigen. Kostbare gebouwen, waarvan
verondersteld wordt dat ze vuurbestendig zijn, worden opgericht. Maar zoals
Sodom in de vlammen van Gods wraak omkwam, zo zullen deze trotse bouwsels in
as veranderen. Ik heb schepen gezien, die immense sommen geld hebben gekost,
worstelen met de machtige oceaan, trachtende de woedende golven te
weerstaan. Maar met al hun schatten aan goud en zilver, en met hun gehele
menselijke lading, zonken ze in het watergraf …... Maar temidden van het
geweld en opwinding, en verwarring alom, is er een werk te doen voor God in
de wereld.” - ST Oct. 9, 1891.
Vers 2:
En ik zag een andere engel
opkomen van de opgang der zon, hebbende het zegel van de levende God; en hij
riep met een grote stem tot de vier engelen, die macht gegeven was de
aarde en de Zee te beschadigen,
3: Zeggende beschadig de aarde
niet, noch de Zee, noch de bomen, totdat wij de dienstknechten van onze God
zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden.
VIER ENGELEN
Engelen omgorden de wereld, ze
weerstaan satans aanspraken op de oppermacht die hij doet op grond van het
grote aantal aanhangers dat hij heeft. Wij horen de stemmen niet, wij zien
met het natuurlijke oog niet het werk van deze engelen, maar hun handen zijn
ineengeslagen rond de wereld en met een ononderbroken waakzaamheid houden
zij de legers van Satan op een afstand totdat de verzegeling van Gods volk
voltooid is.” - 7 BC p. 967,
“Johannes ziet de
natuurelementen – aardbeving, oproer en politieke strijd – uitgebeeld als
in toom gehouden door vier engelen. Deze winden staan onder bedwang totdat
God opdracht geeft ze los te laten. Daar is de veiligheid van Gods gemeente.
De engelen Gods gehoorzamen Zijn bevel, houden de winden van de aarde in
toom, opdat de winden niet zullen waaien op de aarde, noch op de zee, noch
op enige boom, totdat de dienstknechten van God verzegeld zijn aan hun
voorhoofden.” - TM p. 444.
“De huidige tijd is van
overweldigend belang voor alle levenden. Heersers en staatslieden, mannen
die hoge vertrouwensposities bekleden en autoriteit bezitten, denkende manen
en vrouwen uit alle klassen, hebben hun aandacht bevestigt op de
gebeurtenissen die rondom ons plaatsvinden. Zij zien de gespannen, rusteloze
relaties die onder de volkeren bestaan. Zij zien de intensiteit die bezit
neemt van elk aards element, en zij realiseren zich dat iets groots en
beslissend op het punt staat plaats te vinden – dat de wereld zich op de
rand van een enorme crisis bevindt.
Engelen houden nu de
oorlogswinden in toom, totdat de wereld gewaarschuwd is voor de komende
ondergang; maar een storm komt opzetten, gereed over de aarde los te
barsten, en als God de engelen opdracht geeft de winden los te laten, zal er
zulk strijd zijn die met geen pen te beschrijven is …...
God heeft ons genadevol nog
een moment van uitstel gegeven. Elke kracht die de hemel ons verleent moet
worden gebruikt om het werk te verrichten voor degenen die door onwetendheid
omkomen. De waarschuwingsboodschap moet in alle delen van de wereld
weerklinken.... Er is een groot werk te doen, en dit werk is opgedragen aan
degenen die de waarheid voor deze tijd kennen.” — RH 23 Nov. 1905.
HET ZEGEL VAN DE LEVENDE
GOD
“Wat zijn de drie noodzakelijke eigenschappen van een officieel zegel?
Om volledig te zijn moet een officieel zegel drie dingen aantonen:
(1) de naam van de wetgever;
(2) zijn officiële positie, titel of gezag, en dus zijn recht om te heersen;
en
(3) zijn koninkrijk of de uitgestrektheid van zijn gebied en jurisdictie.”
- Bijbellezingen p. 495.
Deze drie eigenschappen vinden
wij in het vierde gebod van de Tien Geboden. Alleen het vierde gebod
openbaart ‘de naam, het gezag en het gebied van Hem, die deze wet gemaakt
heeft. In zes dagen heeft de Heer (naam); de hemel en de aarde (rijksgebied)
gemaakt (gezag Schepper). Daarom bevat alleen dit gebod ‘het zegel van de
levende God.’
Het sabbatsgebod bevat dus het
zegel van God, en de sabbat zelf, het onderhouden waarvan hier door het
gebod wordt bevolen, is onafscheidelijk verbonden met dit zegel; dit gebod
moet gehouden worden ter gedachtenis aan het feit dat God de Schepper van
alle dingen is; en het is op zichzelf een ‘teken’ van de kennis van deze
grote waarheid.” Ex. 31: 17, Ezech. 20: 20. - Bijbellezingen p. 496.
Vers 4:
En ik hoorde het getal
dergenen die verzegeld waren; honderd vier en veertig duizend waren
verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israëls.
EN IK HOORDE HET GETAL
“Johannes zag een Lam op de
berg Sion en met Hem 144.000 met de naam van Zijn Vader aan hun voorhoofden
geschreven. Zij droegen het teken van de hemel. Zij weerspiegelden het beeld
van God. Zij waren ook vol van het licht en de heerlijkheid van de Heilige.
Als wij het beeld en het opschrift van God willen ontvangen, moeten wij ons
scheiden van alle kwaad.” - 7 BC p. 978, EGW. Zie Ezech. 9: 1-6.
Vers 5:
Uit het geslacht van Juda
waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Ruben waren twaalf
duizend verzegeld; uit het geslacht van Gad waren twaalf duizend verzegeld,
6: Uit het geslacht van Aser
waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Nafthali waren twaalf
duizend verzegeld, uit het geslacht van Manasse waren twaalf duizend
verzegeld;
7: Uit het geslacht van Simeon
waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Levi waren twaalf
duizend verzegeld; uit het geslacht van Issachar waren twaalf duizend
verzegeld;
8: Uit het geslacht van
Zebulon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Jozef waren
twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Benjamin waren twaalf duizend
verzegeld.
EN MET HEM DE 144.000
“Johannes zag een Lam op de berg Sion en met Hem de 144.000 hebbende de naam
Zijns Vaders geschreven op hun voorhoofden. Zij droegen het zegel van de
hemel. Zij weerkaatsten het beeld van God. Zij waren vol van het licht en de
heerlijkheid van de Heilige.
Als wij het beeld en het
opschrift willen bezitten moeten wij ons van alle ongerechtigheid scheiden.
Wij moeten ons van elke verkeerde weg afwenden en ons leven toevertrouwen
aan de handen van Christus. Degenen die het zegel van de oneindige God aan
hun voorhoofd hebben, zullen de wereld en haar attracties ondergeschikt
achten aan eeuwige belangen.
De identiteit van de 144.000
wordt niet geopenbaard. Christus zegt dat in de gemeente leden zullen zijn
die fabels en veronderstellingen naar voren brengen, ... Het is niet Zijn
wil dat wij zullen strijden over vragen die ons geestelijk leven niet tot
een hulp zijn, zoals: ‘Wie zijn de honderd vier en veertig duizend.’ Dit
zullen degenen die door God uitverkoren zijn ongetwijfeld binnen korte tijd
weten.’ - 7 BC p. 978, EGW
“Spoedig hoorden wij de stem
van God gelijk vele wateren, ons de dag en het uur van Jezus’ komst
aankondigen. De levende heiligen, 144.000 in getal, kenden en verstonden de
stem; maar de goddelozen dachten dat het donder en aardbeving was. Toen God
de tijd sprak, stortte Hij Zijn Heilige Geest over ons uit, en onze
aangezichten begonnen te lichten en te schijnen van de heerlijkheid Gods,
gelijk dat van Mozes toen hij van de berg Sinaï kwam.
De 144.000 waren allen
verzegeld en volkomen één gemaakt. Op hun voorhoofden stond geschreven: God,
het Nieuwe Jeruzalem, en een glinsterende ster, die Jezus’ nieuwe naam
bevatte. De goddelozen waren woedend over onze gelukkige,heilige staat en
kwamen aanlopen om ons met geweld te grijpen en in de gevangenis te werpen,
maar dan strekten wij de hand uit in de naam des Heren, en vielen zij
hulpeloos op de grond. Toen was het dat de synagoge van Satan inzag, dan God
ons liefgehad had, ons, die elkanders voeten konden wassen, en die broeders
en zusters konden groeten met een heilige kus; en zij aanbaden aan onze
voeten.” — EG p. 6.
HET GETAL VAN DE
VERZEGELDEN
“Hier wordt gezegd dat het
getal van de verzegelden 144.000 is. Omdat twaalfduizend uit elke stam
verzegeld worden, hebben velen verondersteld dat dit werk volbracht werd aan
het begin van de christelijke jaartelling toen de stammen nog letterlijk
bestonden. Zij menen dat dit niet op onze tijd van toepassing kan zijn,
omdat elke scheidsmuur tussen de stammen reeds lang en volkomen uitgewist
is. Wij verwijzen zulke personen naar de openingswoorden van het boek
Jacobus: ‘Jacobus, een dienstknecht van God en van de Here Jezus Christus,
aan de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn: Acht het van grote
vreugde, mijn broeders wanneer gij in velerlei verzoekingen valt.’ 1 Jacobus
1: 1, 2. Degenen tot wie Jacobus zich richt zijn:
1). Christenen, want zij zijn
broeders.
2). Het zijn niet de tot het
christendom bekeerde Joden uit de twaalf stammen van zijn tijd, want hij
spreekt tot hen met het oog op de komst van de Here. Zie hoofdstuk 5 van
Jacobus.
Hij richt zich aldus tot het
laatste geslacht van de christenen, de christenen van onze tijd, en hij
noemt hen de twaalf stammen die verstrooid zijn. Hoe is dit mogelijk? Paulus
geeft een verklaring in Romeinen 11: 17 – 24. En in het treffende beeld van
de enting dat hij schildert, is Israël de tamme olijfboom. Sommige van de
takken - de natuurlijke nakomelingen van Abraham - werden afgebroken vanwege
hun ongeloof in Christus. Door het geloof werden de takken van een wilde
olijfboom – de heidenen – in de tamme olijfboom geënt, en zo bleven de
twaalf stammen voortbestaan.” – US p. 150.
VISIOEN VAN DE MARTELAREN
IN HEERLIJKHEID
Vers 9:
Na dezen zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle
natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en
voor het Lam, bekleed met witte klederen, en palmtakken waren in hun handen.
STAANDE VOOR DE TROON
“Het dichtst bij de troon zijn degenen, die eens voor de zaak van Satan
ijverden, maar die, als vuurbranden uit het vuur gerukt, hun Heiland met
diepe, innige toewijding gevolgd zijn. Daarop volgen degenen, die een
christelijk karakter gevormd hebben te midden van valsheid en ontrouw; zij,
die de wet van God geëerd hebben, toen de christelijke wereld die van nul en
gener waarde verklaarde, en de miljoenen van alle eeuwen, die om hun geloof
de marteldood hebben ondergaan. En verder is de ‘grote schare, die niemand
tellen kan, uit alle natieën, en geslachten, en volken en talen’‘voor de
troon en vóór het Lam, bekleed met lange, witte klederen, en palmtakken in
hun handen.’
Hun strijd is over, hun
overwinning is bevochten. Ze hebben de loop gelopen, en de prijs behaald. De
palmtak in hun handen is het teken van hun overwinning, het witte kleed een
zinnebeeld van de vlekkeloze gerechtigheid van Christus, die nu de hunne
is.” - GS pp. 775,6 (o.u.).
Vers 10:
En zij riepen met grote stem,
zeggende: De zaligheid zij onze God, Die op de troon zit, en het Lam.
11: En al de engelen rondom de
troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; vielen voor de troon neer
op hun aangezicht, en aanbaden God.
12: Zeggende: Amen. De lof, en
de heerlijkheid, en de wijsheid en de dankzegging, en de eer en de kracht en
de sterkte zij onze God in alle eeuwigheid.
13: En een uit de ouderlingen
antwoordde, zeggende tot mij: Dezen, die bekleed zijn met lange
witte klederen, wie zijn zij en van waar zijn zij gekomen?
14: En ik sprak tot hem: Here,
gij weet het. En hij zei tot mij: Dezen zijn het, die uit grote verdrukking
komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen,
14: en hebben hun lange
klederen wit gemaakt in het bloed van het Lam.
15: Daarom zijn zijvoor de
troon van God, en dienen Hem dagennacht in Zijn tempel; en Die op de troon
zit, zal hen overschaduwen.
DEZEN DIE BEKLEED ZIJN MET
LANGE WITTE KLEDEREN
“Door de vraag die één van de
ouderlingen stelde, werd de aandacht gevestigd op een bijzonder gezelschap.
Er wordt geen ander gezelschap genoemd op wie deze bijzondere zinspeling van
toepassing zou kunnen zijn dan het gezelschap waarvan in het eerste deel van
dit hoofdstuk sprake is, namelijk de 144.000. Johannes heeft dit gezelschap
inderdaad gezien in sterfelijke staat, toen het het zegel ontving, te midden
van de laatste dagen.
Aan de kristallen zee vóór de
troon, die zee van glas als het ware met vuur gemengd – zo schittert hij van
de heerlijkheid Gods –, is de schare vergaderd, die ‘de overwinning hadden
van het beest, en van zijn beeld, en van zijn merkteken en van het getal van
zijn naam.’ Openb. 15:2.
Met het Lam op de berg Zion
staan de honderd vier en veertig duizend, die gekocht zijn uit de mensen,
‘hebbende de citers Gods, en er wordt een stem gehoord als van vele wateren,
en als een stem van een donderslag, de stem van citerspelers, spelende op
hun citers.’ Openb. 14:1—5; 15:3.
En ze zingen ‘een nieuw lied’
vóór de troon, een lied dat niemand leren kan dan de honderd vier en veertig
duizend. Het is het lied van Mozes en het Lam, – een lied van verlossing.
Niemand, behalve de honderd
vier en veertig duizend kan dat lied leren, want het is een lied van hun
overwinning, – een ondervinding zoals geen ander gezelschap ooit heeft
gehad.
Dezen zijn het die het Lam
volgen, waar het ook heen gaat. Dezen, die overgebracht zijn van de aarde
uit de levenden, worden gerekend als de ‘eerstelingen voor God en het Lam.’
Dezen zijn het die uit grote verdrukking komen; zij hebben de tijd van
benauwdheid, als er niet geweest is doorleefd; ze hebben de doodsangst van
de tijd van Jacobs bezoeking doorstaan; ze zijn zonder Middelaar geweest
tijdens de laatste uitgieting van Gods oordelen. Maar ze zijn verlost
geworden, want zij hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed van
het Lam.’‘En in hun mond is geen bedrog gevonden; want zij zijn
onberispelijk voor hun God.” - GS p. 756 (o.v.).
Vers 16:
Zij zullen niet meer
hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet meer
vallen, noch enige hitte.
17. Want het Lam, Dat in het
midden van de troon is, zal hen weiden, en zal hun Leidsman zijn tot de
levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.
ZIJ ZULLEN NIET MEER
HONGEREN
“Zij hebben de aarde
aanschouwd, door hongersnood en pestilentie verwoest, terwijl de zon macht
had de mensen door grote hitte te verhitten, en zijzelf hebben lijden,
honger en dorst doorstaan. Maar ‘ze zullen niet meer dorsten, de zon zal op
hen niet vallen, noch enige hitte; want het Lam, dat in het midden van de
troon is, zal hen weiden, en zal een leidsman zijn tot de levende fonteinen
van wateren; en God zal alle tranen van hun ogen wassen.’” – GS p. 757.