Openbaring 3
Vijfde brief: aan Sardis
Tijdperk: 1798 – 1830
Vers 1:
En schrijf aan den engel der Gemeente, die te Sardis is: Dit zegt, Die de zeven
geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij den naam
hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.
2. Zijt wakende, en versterk
het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God.
DAT U DE NAAM HEBT DAT U LEEFT
“God doet een beroep op deze gemeente zich te veranderen. Zij heeft de naam dat
zij leeft, maar in haar werken ontbreekt de liefde van Christus. O, hoevelen
zijn gevallen omdat zij vertrouwden op hun belijdenis van verlossing. Hoevelen
zijn verloren door hun poging een naam op te houden! Als iemand de reputatie
heeft een succesvol evangelist te zijn, een begaafd predikant, een man van
gebed, een man des geloofs, een man van bijzondere toewijding, bestaat er een
wezenlijk gevaar dat hij schipbreuk zal lijden in zijn geloof als hij door de
kleine beproevingen die God over hem laat komen beproefd wordt. Vaak spant hij
zich alleen in om zijn reputatie hoog te houden.” - 7 BC. p. 958. EGW
ZIJT DAN WAKENDE EN VERSTERK:
“Deze woorden werden gesproken tot de leiders (engelen) van de gemeente - zij,
die zware verantwoordelijkheden van God te dragen hebben gekregen. De aangename
invloed die in de gemeente overvloedig moet zijn, behoort haar centrum te vinden
in Gods dienaars die de liefde van Christus openbaren. De sterren des hemels
staan onder Zijn toezicht. Hij verschaft hun licht. Hij leidt en bestuurt hun
wegen. Ware dit niet het geval, dan zouden het vallende sterren worden. Zo is
het ook met Zijn dienstknechten. Ze zijn slechts instrumenten in Zijn handen, en
al het goede dat ze doen wordt gedaan door Zijn macht. Door hen doet Hij Zijn
licht schijnen.” — vJtR p. 427.
Vers 3:
Gedenk dan, hoe u het ontvangen en
gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien u dan niet waakt, zo zal
Ik over u komen als een dief, en u zult niet weten, op wat ure Ik over u
komen zal.
INDIEN U DAN NIET WAAKT
“Een waarschuwing wordt gegeven
voor een tijd waarin dwalingen zullen binnenkomen gelijk een dief om het geloof
van Gods volk te stelen. Zij moeten ijverig waken en voortdurend op hun hoede
zijn voor de misleidingen van de vijand.
In Sardis werden velen bekeerd
door de prediking van de apostelen. De waarheid was ontvangen als een helder en
stralend licht. Maar sommigen waren vergeten op welke wonderbaarlijke wijze zij
deze waarheden hadden ontvangen, en Jezus vond het noodzakelijk een bestraffing
te zenden.” - 7 BC, pag. 958.
EN U ZULT NIET WETEN OP WAT URE
IK OVER U KOMEN ZAL
“Op de tijd bestemd voor het oordeel – de afsluiting van de 2300 avonden en
morgens – begon het onderzoekend oordeel en het uitdelgen van de zonden. Allen
die ooit de naam van Christus hebben aanvaard moeten dit onderzoek ondergaan.
Zowel de levenden als de doden ‘worden geoordeeld uit hetgeen in de boeken
geschreven staat, naar hun werken.’ Openbaring 20:12.
DE RECHTER ZEGT:
‘Allen zullen worden gerechtvaardigd door hun geloof en geoordeeld naar hun
werken.’
De zonden die niet berouwd of
nagelaten zijn, worden niet vergeven en niet uitgewist uit het boek, maar zullen
blijven staan als een getuigenis tegen de zondaar in de dag Gods.
Er moet een ernstige strijd worden
gevoerd door allen om verkeerde neigingen die naar de heerschappij streven te
overwinnen. Het voorbereidingswerk is een individueel werk. Wij worden niet in
groepen gered. De zuiverheid en de toewijding van de een zullen niet het
ontbreken van deze eigenschappen in een ander teniet doen. Hoewel alle volkeren
in het oordeel komen voor God, zal Hij toch elk geval van een ieder persoon zo
nauwgezet onderzoeken, alsof er niemand anders op aarde is. Een ieder moet
worden getoetst en zonder vlek of rimpel of iets dergelijks bevonden worden.
HET OORDEEL IS NU GAANDE in
het heiligdom hierboven. Dit werk is al vele jaren gaande. Spoedig – niemand
weet hoe snel – zal begonnen worden met de levenden. In de ontzagwekkende
tegenwoordigheid van God worden onze levens in ogenschouw genomen. In deze tijd,
meer dan alle andere, betaamt het iedere ziel acht te slaan op de aansporing van
de Verlosser: ‘Waakt en bidt, want u weet niet, wanneer de tijd is.’ Markus
13:33.
‘Indien u dan niet waakt, zo zal
Ik over u komen als een dief, en u zult niet weten, op welke ure ik over u komen
zal.” Openbaring 3: 3. - GS p. 448.
Vers 4.
Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt
hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, overmits zij
het waardig zijn.
ZIJ ZULLEN MET MIJ WANDELEN
“Op grond van hun geloof ontvangen
zij deze eer. In dit leven beroemden zij zich niet, verhieven zich niet in
ijdelheid. Met een intens verlangen, met een zuiver, heilig geloof, grepen zij
de belofte van een eeuwige rijkdom aan. Hun enige verlangen was aan Christus
gelijk te zijn. Zij hielden de maatstaf der gerechtigheid hoog. Aan hen is het
eeuwig gewicht der heerlijkheid gegeven omdat zij op aarde met God wandelden en
zich onbevlekt hielden van de wereld, en aan hun medemensen de gerechtigheid van
Christus openbaarden. Van hen zegt de Verlosser: ‘Zij zullen wandelen met Mij in
het wit, in de wereld die Ik voor hen bereid heb. — 7 BC p. 960 EGW
Vers 5:
Die overwint, die zal bekleed
worden met witte klederen, en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek
des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn
engelen.
IK ZAL ZIJN NAAM BELIJDEN
“De namen van allen die zich eens
aan God gegeven hebben zijn opgetekend in het boek des levens, en hun karakters
gaan nu aan Zijn oog voorbij. Gods engelen wegen de morele waarde. Zij zien op
de karakterontwikkeling van degenen die nu leven, om te zien of hun namen in het
boek des levens kunnen blijven staan. Er is ons een proeftijd gegeven waarin wij
de klederen van ons karakter kunnen wassen en wit maken in het bloed van het
Lam. Wie doet dit werk? Wie scheidt zich af van de zonde en zelfzucht?” — 7 BC
p. 960. EGW
“De goddelijke Middelaar pleit dat
allen die de overwinning door het geloof in Zijn bloed hebben behaald,
vergiffenis zullen ontvangen voor hun overtredingen, een plaats in Eden zullen
krijgen en gekroond zullen worden als mede-erfgenamen met Hem om ‘de
heerschappij van voorheen’ weer uit te oefenen.” - GS pp. 446,7.
Vers 6:
Die oren heeft, die hore wat de
Geest tot de Gemeente zegt.
ZESDE BRIEF: AAN FILADELFIA
Tijdperk: 1836 — 1844
Vers 7:
En schrijf aan de engel der gemeente, die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige,
de Waarachtige, Die de sleutel Davids heeft, die opent en niemand sluit, en
Hij sluit, en niemand opent.
8: Ik weet uw werken; zie, Ik heb
een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want u hebt
kleine kracht, en u hebt Mijn naam bewaard, en Mijn naam niet verloochend.
EEN GEOPENDE DEUR
De Waarachtige Getuige verklaart:
“Zie Ik heb een geopende deur voor u gegeven.’ Laat ons God danken met hart en
ziel en stem; en laten wij leren Hem te benaderen als door een geopende deur,
gelovende dat wij vrijelijk mogen komen met onze smeekbeden, en dat Hij naar ons
zal luisteren en ons zal antwoorden. Het is door een levend geloof in Zijn
kracht om te helpen, dat wij kracht zullen ontvangen om de strijd des Heren te
strijden met de vaste zekerheid van overwinning.” - 7 BC p. 961, EGW
EN HIJ SLUIT EN NIEMAND OPENT
“Ik zag dat Jezus de deur van de
heilige plaats gesloten had, en geen mens kan die openen; en dat Hij de deur
naar het heilige der heiligen geopend had, en dat niemand die kan sluiten; en
dat sedert Jezus de deur naar het heilige der heiligen, waar de ark is, geopend
heeft, de geboden hun licht hebben doen schijnen op Gods volk, en zij getoetst
worden op de kwestie van de sabbat.
Ik zag, dat de tegenwoordige toets
op de sabbat niet kon worden toegepast, voordat het middelaarswerk van Jezus in
de heilige plaats geëindigd was, en Hij ingegaan was in het binnenste van het
voorhangsel, en dat de christenen die ontslapen zijn voordat de deur naar het
heilige der heiligen geopend werd, toen het middernachtelijk geroep voorbij was,
in de zevende maand, 1844, en die de ware sabbat niet gehouden hadden, nu in
hope rusten; want zij hadden het licht en de toets van de sabbat niet, welke wij
nu hebben, sinds die deur geopend is.” - EG pp. 38, 39.
Vers 9:
Zie, Ik geef u enigen uit de
synagoge des satans, dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en
zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken dat zij zullen komen, en aanbidden
aan uw voeten, en bekennen, dat Ik u liefheb.
UIT DE SYNAGOGE VAN SATAN
“Ik zag dat de priesters, die hun
kudde leiden op de weg des doods, spoedig tot staan gebracht zullen worden in
hun vreselijke loopbaan. Gods plagen zijn komende, maar de valse herders zullen
niet door slechts een of twee van deze plagen worden gestraft. Gods hand zal in
die tijd uitgestrekt zijn in toorn en gerechtigheid, en Hij zal die niet
terugtrekken, voordat Zijn raadslagen volkomen uitgevoerd zijn, en de huurling
priesteres er toe gebracht zijn om te aanbidden aan de voeten van de heiligen,
en te erkennen, dat God hen heeft liefgehad, omdat zij zich aan de waarheid
hebben vastgehouden en Gods geboden bewaard hebben; en totdat de ongerechtigen
verwijderd zijn van deze aarde.” - EG p. 143.
Vers 10:
Omdat u het woord Mijner
lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking,
die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.
DE URE DER VERZOEKING
“Vlak voor ons ligt ‘de ure der
verzoeking’, die over de gehele wereld komen zal.... Allen wier geloof niet
vast gefundeerd is op het Woord van God zullen worden misleid en overwonnen.
Satan werkt met ‘allerlei verlokkende ongerechtigheid’ om de mensen in zijn
macht te krijgen en zijn misleidingen zullen hoe langer hoe meer toenemen. Hij
kan zijn doel echter alleen bereiken als de mensen ingaan op zijn verzoekingen.”
- GS p. 515.
“De Schrift zegt ons, dat bij één
gelegenheid, toen de engelen Gods kwamen om zich voor de Heer te stellen, Satan
ook onder hen verscheen, (Job 1:6) niet om zich voor de eeuwige koning te
buigen, maar om zijn kwaadaardige plannen tegen de rechtvaardigen te bevorderen.
Met datzelfde doel is hij tegenwoordig, wanneer mensen samenkomen om God te
aanbidden. Hoewel voor het oog verborgen, werkt hij met alle ijver om de harten
van de aanbidders in beslag te nemen. Als een bekwaam legeraanvoerder maakt hij
van tevoren zijn plannen op. Wanneer hij ziet dat Gods boodschapper de Schrift
onderzoekt, let hij op het onderwerp, waarbij de gemeente bepaald zal worden.
Dan gebruikt hij al zijn listen en sluwheid om de omstandigheden zó te leiden
dat de boodschap niet overkomt bij hen die hij juist op dat punt bezig is te
bedriegen. Degene, die de boodschap het meest nodig heeft, wordt met zakelijke
aangelegenheden bezig gehouden die zijn tegenwoordigheid eisen, of wordt op een
andere wijze verhinderd de woorden te horen die voor hem ‘een reuk des levens’
zouden kunnen zijn.” - GS pp 477 (606 o.v.)
“En als de lieflijke stem van
genade niet langer gehoord wordt, maakt vrees en afgrijzen zich van de
goddelozen meester. Met een vreselijke duidelijkheid horen zij de woorden! ‘Te
laat, te laat!’ “- EG p. 336.
“Christus (aan het kruis) voelde
zich zoals zondaars zich zullen voelen als de schalen van Gods toorn over hen
uitgegoten worden. Diepe vertwijfeling omsluit gelijk een doodskleed hun
schuldige zielen, en zij zien dan in volle mate de omvang van de zonde.” — ST
15.2.1883.
“Zij die Gods woord niet op prijs
hadden gesteld, reizen van zee tot zee, en van het noorden naar het oosten, om
Gods woord te zoeken. De engel sprak: ‘Zij zullen het niet vinden. Er is een
honger in het land; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om
te horen de woorden des Heren.’ Wat zouden zij niet geven voor één woord van
goedkeuring uit Gods mond! maar nee, zij moeten blijven hongeren en dorsten.
Velen onder de goddelozen zijn
zeer verbitterd door de gevolgen van de plagen. Het is een beeld van vreselijk
lijden. Ouders maken hun kinderen bittere verwijten, en kinderen hun ouders,
broers hun zusters, en zusters hun broers. De mensen wenden zich in bittere haat
tot hun predikanten en verwijten hen zeggende: ‘U hebt ons niet gewaarschuwd. U
hebt ons gezegd dat de gehele wereld bekeerd zou worden, en hebt geroepen,
Vrede, vrede, om ieder angstig gevoel dat opgewekt werd te stillen. U hebt ons
niets gezegd over dit uur; en u hebt verklaard dat degenen die ons waarschuwden,
dwepers en boze mensen waren, die ons in het ongeluk zouden storten.’ Maar ik
zag dat de predikanten niet ontkwamen aan de toorn van God. Hun lijden was
tienmaal zwaarder dan dat van hun leden.” - EG p. 337 (Openbaring 16:1—2).
“In de tijd waarin Gods oordelen
zonder genade worden uit gestort O, hoe benijdenswaardig voor de goddelozen is
dan de positie van degenen ‘die verblijven in de verborgen plaatsen van de
Allerhoogste’ - de schuilplaats van de Allerhoogste waarin de Here al diegenen
verbergt die Hem hebben liefgehad en Zijn geboden hebben gehoorzaamd.”- 7 BC p.
1150 / Maranatha p. 271. EGW
Vers 11:
Zie, Ik kom haastig; houd dat u
hebt, opdat niemand uw kroon neme.
HOUD DAT U HEBT
“Christus openbaarde door iemand
die zich een ‘broeder en deelgenoot in de verdrukking noemde’ aan Zijn gemeente
de dingen die ze moesten lijden ter wille van Zijn naam (Openb. 1: 9). Terwijl
hij de lange eeuwen van duisternis en bijgeloof overzag, aanschouwde de bejaarde
banneling grote menigten die gemarteld werden om hun liefde voor de waarheid.
Maar hij zag ook dat Hij die Zijn eerste getuigen ondersteunde, ook Zijn
getrouwe volgelingen gedurende de eeuwen van vervolging die ze zouden moeten
doormaken, niet alleen zou laten.” - vJtR p. 428.
Vers 12:
Die overwint, Ik zal hem maken tot
een pilaar in de tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en
Ik zal op hem schrijven de Naam Mijns Gods, en de naam van de stad Mijns Gods,
namelijk van het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel van Mijn God afdaalt, en ook
Mijn nieuwe Naam.
EEN PILAAR IN DE TEMPEL
“Een symbolische ‘pilaar’ maakt
vanzelfsprekend deel uit van een symbolische tempel.....
In het Nieuwe Testament verwijst
het woord ‘tempel’ gewoonlijk naar het inwendige van het heiligdom dat het
heilige (de eerste afdeling van de hemelse tempel) en het heilige der heiligen
(de tweede afdeling) bevat. Overeenkomstig deze belofte betekent het dat de
overwinnaar een voortdurende, belangrijke plaats in de tegenwoordigheid van God
zal innemen. Voor het symbolisch gebruik van het woord ‘pilaar’ zie Galaten 2:
9; 1 Tim. 3: 15.” 7 BC p. 759.
DIE OVERWINT
“Persoonlijke beproevingen zullen
komen; maar de oven wordt nauwgezet bewaakt door een oog dat niet zal toestaan
dat het goud verteerd wordt. Het onuitwisbare merkteken van God is op hen. God
kan aantonen dat Zijn merkteken op hen is. De Here heeft hen omsloten. Hun
bestemming is bekend – GOD, NIEUW JERUZALEM. Zij zijn Gods eigendom, Zijn
bezit.” - TM p. 446.
Vers 13:
Die oren heeft, die hore wat de
Geest tot de gemeenten zegt.
ZEVENDE BRIEF: AAN LAODICEA
Tijdperk: vanaf 1844 tot Jezus’
komst
Vers 14:
En schrijf aan de engel van de
gemeente der Laodicensen: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige,
het Begin der schepping Gods.
15. Ik weet uw werken, dat u noch
koud zijt, noch heet, och, of u koud waart of heet.
OCH OF U KOUD WAART OF HEET
“De boodschap aan de gemeente
Laodicea openbaart de toestand van ons volk. De Laodicea boodschap werd gezonden
aan de leeglopers in Gods wijngaard. De boodschap aan de Laodicea gemeente is
toepasselijk op allen die groot licht en vele mogelijkheden hadden maar die niet
op prijs hebben gesteld.” - 7 BC p. 961 EGW
Vers 16:
Zo dan, omdat u lauw zijt, en noch
koud noch heet; Ik zal u uit Mijn mond spuwen.
17. Want u zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb aan geen ding
gebrek; en u weet niet dat u bent ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind en
naakt.
WANT U ZEGT: IK BEN RIJK
“Hoe duidelijk wordt de positie
uitgebeeld van degenen die denken dat zij alle waarheid bezitten, die trots zijn
op hun kennis van het Woord van God, terwijl de heiligende kracht ervan niet in
hun leven wordt gezien. De vurigheid van Gods liefde is niet in hun harten, maar
het is die vurige liefde die Gods volk tot het licht der wereld maakt.” - 7 BC
p. 961, EGW
“Velen die belijden uit te zien
naar de spoedige komst van Christus, worden gelijkvormig aan deze wereld, en
zoeken met meer ernst de toejuichingen van hun omgeving, dan de goedkeuring van
God. Zij zijn koud en vormelijk, gelijk de formele kerken waar ze zich
kortgeleden van afgescheiden hebben. De woorden tot de gemeente der Laodicensen
gericht, beschrijven hun toestand volkomen. Zij zijn ‘noch koud, noch heet, maar
lauw’ .“ — EG p. 122.
Vers 18:
Ik raad u dat u van Mij koopt,
goud beproefd komende uit het vuur, opdat u rijk moogt worden, en witte
klederen, opdat u moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet
geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf; opdat u moogt zien.
IK RAAD U DAT U VAN MIJ KOOPT
“De boodschap aan de Laodicea
gemeente is in hoge mate van toepassing op ons volk. Ze is ons lange tijd
voorgehouden, maar er is geen acht op geslagen in die mate die vereist is. Als
het berouw oprecht en diep is, zullen de individuele leden van de gemeente de
rijke goederen van de hemel kopen. O, hoevelen bezien de dingen in een verdorven
licht, in het licht dat Satan hen voorhoudt.....
De Laodicea boodschap is van
toepassing op de gemeente in deze tijd. Gelooft u de boodschap? Hebt u harten
die voelen? Of zegt u voortdurend: ‘Wij zijn rijk en verrijkt, en hebben aan
geen ding gebrek?’ - 7 BC p. 963, EGW
Vers 19:
Zo wie Ik liefheb, die bestraf en
kastijd Ik, wees dan ijverig, en bekeer u.
20: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik
klop, indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem
inkomen, en Ik zal avondmaal met hem houden en hij met Mij.
ZIE, IK STA AAN DE DEUR
“Jezus gaat van deur tot deur,
staande voor elke zieletempel, zeggende: ‘Ik sta aan de deur en Ik klop.’ Als
een hemels koopman, opent Hij zijn schatten en roept: ‘Koop van Mij goud,
beproefd komende uit het vuur; en witte klederen, opdat u moogt bekleed worden,
en de schande van uw naaktheid niet openbaar wordt.’
Het goud dat Hij aanbiedt is
zonder bijmengsel, kostbaarder dan dat van Ophir; want het is geloof en liefde.
Het witte kleed dat Hij de ziel uitnodigt te dragen is Zijn eigen kleed der
gerechtigheid, en de zalf is de olie van Zijn genade, die geestelijk ogenlicht
schenkt aan de ziel die in blindheid en duisternis verkeert, opdat hij de werken
kan onderscheiden van de Geest van God en van de geest van de vijand.
‘Open uw deuren,’ zegt de grote
Koopman, de bezitter van geestelijke rijkdommen, ‘en doe zaken met Mij. Ik ben
het, uw Verlosser Die u raadt van Mij te kopen.’” - 7 BC pp. 965,6 EGW
Vers 21:
Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik
overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.
DIE OVERWINT
“De aarachtige Getuige bemoedigt
allen die door geloof in Zijn naam trachten het pad van nederige gehoorzaamheid
te bewandelen. Hij verklaart: ‘Aan hem die overwint, Ik zal hem geven met Mij te
zitten in Mijn troon, gelijk a Ik overwonnen heb, en zit met Mijn Vader in Zijn
troon.
Dit zijn de woorden van onze
Paatsvervanger en Zekerheid. Hij, Die het goddelijk Hoofd is van de gemeente, de
machtigste van de overwinnaars, wijst Zijn volgelingen op Zijn leven, Zijn
moeiten, Zijn zelfverloocheningen, zijn strijden en lijden, door verachting,
verwerping, bespotting, smaad, belediging, valsheid, op weg naar Golgotha naar
het beeld van de kruisiging, opdat zij daardoor bemoedigd mogen worden
voorwaarts te gaan voor de prijs en beloning van de overwinnaar. Door geloof en
gehoorzaamheid is de overwinning zeker.” - 7 BC p. 966, EGW
Vers 22:
Die oren heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.