Eerste brief: aan Efeze
Tijdperk: Eerste eeuw na Christus
Vers 1:
Schrijf aan de engel der gemeente Efeze: Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in
Zijn rechterhand houdt, Die in het midden der zeven gouden
kandelaren wandelt:
IN HET MIDDEN DER KANDELAREN
“De kandelaren symboliseren de gemeenten van Christus. Het beeld openbaart
eeuwige waakzaamheid. Christus in het midden van de zeven kandelaren,
wandelend van gemeente tot gemeente, van bijeenkomst naar bijeenkomst, van
hart tot hart. Als de kandelaren aan de zorg van mensen waren toevertrouwd,
hoe vaak zou het licht dan flakkeren en uitgaan! Maar God heeft de gemeente
niet in handen van mensen gegeven. Christus, Degeen die Zijn leven gaf voor
deze wereld, opdat allen die in Hem zouden geloven niet zouden omkomen maar
het eeuwige leven hebben, is de bewaker van het huis. Hij is de getrouwe en
waarachtige bewaker van de tempelhoven des Heren.” - 7 BC p. 956, EGW
Vers 2:
Ik weet uw werken, en uw arbeid, en uw lijdzaamheid, en dat u de kwaden niet
kunt verdragen; en dat u beproefd hebt degenen, die beweren dat zij apostelen
zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden.
IK WEET UW WERKEN
“In de dagen van de apostelen waren de gelovigen vervuld van ijver en
enthousiasme. Ze werkten zo onvermoeibaar voor hun Meester dat, ondanks veel
tegenspoed, in betrekkelijk korte tijd het evangelie van het koninkrijk was
gebracht aan alle bewoonde delen van de aarde. De ijver in die tijd getoond
door de volgers van Jezus is door de pen der Inspiratie vermeld tot
bemoediging van de gelovigen uit latere tijden. Van de gemeente Eféze, die
door Jezus werd gebruikt als een symbool van de christelijke kerk in de
apostolische tijd, verklaart de Waarachtige en Getrouwe Getuige ‘Ik weet uw
werken.’ ” - vJtR p. 426.
Vers 3:
En u hebt verdragen, en hebt geduld; en u hebt om Mijns Naam wil
gearbeid, en zijt niet moe geworden.
OM MIJN NAAMS WIL
‘Hij (Christus) ziet met intense belangstelling toe of Zijn volk in zulk een
toestand verkeert die Zijn geestelijk koninkrijk kan doen groeien. Christus is
aanwezig in elke vergadering van de gemeente. Hij kent. een ieder die
verbonden is met Zijn dienst. Hij weet wier harten Hij met heilige olie kan
vullen, opdat zij die mogen doorgeven aan anderen. Zij die getrouw het werk
van Christus in onze wereld voorwaarts stuwen, in woord en daad het karakter
van God openbaren, het voornemen vervullen dat de Here met hen heeft, zijn in
Zijn ogen kostbaar. Christus verheugt zich over hen zoals een man vreugde
schept in een goed onderhouden tuin en de geur van de bloemen die hij
plantte.” Getuigenissen deel 6, pp. 418, 9.
Vers 4:
Maar ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde hebt verlaten.
UW EERSTE LIEFDE
“Deze gemeente was in grote mate
gezegend. Ze was opgericht door de apostel Paulus. In deze stad bevond zich de
tempel van Diana, die door haar pracht tot de wonderen van de wereld behoorde.
De gemeente Eféze ontmoette veel tegenstand en sommige van de eerste
christenen werden vervolgd; en toch keerden sommigen daarvan zich af van de
waarheden die hen hadden verenigd met de volgelingen van Christus en
aanvaardden in plaats daarvan de misleidende dwaalleren van Satan.” — 7 BC p.
957 EGW
Vers 5: Gedenk dan,
waarvan u uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet
Ik zal u haastiglijk bijkomen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren,
indien u zich niet bekeert.
GEDENK DAN:
“Deze woorden zijn gesproken door de lankmoedige, geduldige God. Zij zijn een
plechtige waarschuwing voor de gemeenten en enkelingen dat de Wachter die
nooit sluimert hun handelwijze kent. Het is alleen op grond van Zijn
wonderbaarlijk geduld dat ze niet gelijk komkommers van de grond afgesneden
worden. Maar Zijn geest zal niet altijd strijden. Zijn geduld duurt niet lang
meer.” - Getuigenissen deel 5, p. 612.
Vers 6: Maar dit hebt u,
dat u de werken van de Nicolaïeten haat, welke Ik ook haat.
DE WERKEN VAN DE NICOLAÏETEN
“Alom wordt nu verkondigd dat Christus de wet van God teniet heeft gedaan; en
dat wij door ‘te geloven’ bevrijd zijn van de noodzaak het Woord uit te leven.
Maar dit is de leer van de Nicolaïeten, die door Christus zo onbarmhartig
veroordeeld werd.” - 7 BC p. 957, EGW
Vers 7: Die oren heeft,
die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te
eten van de boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods
is.
VAN DE BOOM DES LEVENS
“De hof van Eden bleef nog lang
op aarde nadat de mens hieruit verdreven was. Het gevallen mensdom werd nog
lang toegestaan op het tehuis van onschuld te zien, de toegang werd hen belet
door wakende engelen. Aan de door de engelen bewaakte poort van het paradijs
werd Gods heerlijkheid geopenbaard. Hier vernieuwden zij hun beloften van
gehoorzaamheid aan de wet waarvan de overtreding hen uit het paradijs had
verdreven.
Toen de ongerechtigheid de
wereld steeds verder overstroomde en de goddeloosheid van de mensen oorzaak
was voor hun ondergang door de zondvloed, nam de hand die de hof van Eden had
geplant, deze hof weg van de aarde. Doch wanneer eenmaal alles weer hersteld
zal worden, als er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen zijn, zal deze
hof heerlijker dan ooit hersteld worden. Openb. 21:1.
Dan zullen degenen die Gods
geboden bewaard hebben, zitten onder de boom des levens; en in alle eeuwigheid
zullen de bewoners van de zondeloze werelden in de prachtige hof een voorbeeld
zien van Gods volmaakte schepping, onberoerd door de vloek der zonde - een
voorbeeld van wat deze aarde zou zijn geweest als de mens had beantwoord aan
het heerlijk plan van de Schepper.” - P & P p. 36.
“Teruggebracht tot de boom des
levens in het lang geleden verloren paradijs, zullen de verlosten opgroeien
tot de volle lengte van het geslacht in zijn oorspronkelijke heerlijkheid.
(Mal. 4:2). De laatste nog aanwezige sporen van de vloek van de zonde zullen
worden weggedaan, en Christus’ getrouwen zullen verschijnen ‘in de
liefelijkheid van de Heer, onze God’ in geest en ziel en lichaam het volmaakte
beeld van hun Heer weerkaatsende. O, wonderbare verlossing! waarover gesproken
is, waarop zo lang is gehoopt, maar nooit volledig begrepen is.” - GS p. 752 (o.u.)
TWEEDE BRIEF AAN SMYRNA
Tijdperk 100—323 na Chr.
Vers 8:
En schrijf aan de engel van de gemeente van die van Smyrna: dit zegt de Eerste
en de Laatste, Die dood is geweest, en weer levend geworden:
9: Ik weet uw werken, en
verdrukking en armoede (doch gij zijt rijk), en de lastering van hen, die
zeggen dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des
satans.
IK WEET UW WERKEN
“Christus spreekt hier over de
gemeente waarover Satan presideert, als de synagoge van Satan. Haar leden zijn
kinderen der ongehoorzaamheid. Het zijn degenen die verkiezen te zondigen en
die de heilige wet van God krachteloos maken. Het is Satans werk om het goede
met het kwade te vermengen, en het onderscheid tussen goed en kwaad weg te
nemen. Christus wil een gemeente die werkt om het kwade van het goede te
scheiden, wier leden niet gewillig zijn het boze te tolereren maar het uit het
hart en leven verwijderen.” - 7 BC p. 958 EGW.
Vers 10:
Vrees geen der dingen, die u lijden zult. Zie, de duivel zal enigen van
ulieden in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt; en u zult een
verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tot in de dood, en
Ik zal u de kroon des levens geven.
EEN VERDRUKKING VAN TIEN
DAGEN
Omdat dit een profetische
boodschap is, moet de daarin genoemde tijdsduur ook in profetische zin worden
opgevat, en dus duiden op tien jaren. (Elke dag voor één jaar). Het is een
opmerkelijk feit dat de laatste en bloedigste van de vervolgingen die onder
Diocletianus plaatsvonden tien jaar duurde, van 302 tot 312 na Chr.
WEES GETROUW
“Op de dag van de uiteindelijke
bestraffing en beloning, zullen de heiligen en de zondaars, in Hem die
gekruisigd werd, de Rechter van alle levenden erkennen. Elke kroon die aan de
heiligen van de Allerhoogste wordt gegeven, ontvangen zij uit de handen van
Christus — de handen die door de priesters ertoe veroordeeld werden aan het
kruis te worden genageld.” - 7 BC pag. 958 EGW
Vers 11:
Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. De
overwint, zal van de tweede dood niet beschadigd worden.
DIE OREN HEEFT.
“Als u hoort ‘Wat de geest tot de gemeente zegt’ en nadenkt over de
instructies die gegeven worden, zullen uw ogen gesloten zijn voor de nonsens
en dwaasheden rondom u. U zult die dingen niet horen en herhalen, en u zult er
evenmin naar hunkeren.” - 7 BC p. 958 EGW
DERDE BRIEF; - AAN PERGAMUS
Tijdperk 323 - 538 na Chr.
Vers 12:
En schrijf aan de engel der gemeente, die in Pergamus is; dit zegt Hij, Die
het tweesnijdend scherp zwaard heeft.
13. Ik weet uw werken, en
waar u woont; namelijk daar waar de troon van de satan is, en u houdt Mijn
naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke
Antipas, Mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden, waar de satan
woont.
IK WEET UW WERKEN
“Het oog van de Here overziet
het gehele werk, alle plannen, alle denkbeelden van elke geest. Hij ziet onder
de oppervlakte van de dingen, onderscheidt de gedachten en bedoelingen van het
hart. Er is geen duistere handeling; geen plan; geen inbeelding van het hart,
niet één gedachte of Hij leest die als een open boek. Elke daad, elk woord,
elk motief, wordt getrouw vermeld in de verslagen van de grote Doorzoeker van
harten, Die zegt ‘Ik weet uw werken.’
SATANS TROON
De stad Pergamus onderscheidde
zich in 29 na Chr. door de plaats te worden die als eerste een levende
Romeinse keizer vereerde. Er werd een tempel gebouwd en gewijd aan de
gezamenlijke aanbidding van de godin Roma en keizer Augustus. Op het moment
dat Johannes deze woorden schreef, leden de christenen onder de vervolging van
Domitianus (8 – 96 na Chr.) die erop stond dat hij als ‘here en god’ aanbeden
moest worden.
IN WELKE ANTIPAS WAS
Antipas is een bekende Griekse
naam. Sommige commentatoren menen dat het een christen was die zo genoemd werd
en die in Pergamus omwille van zijn geloof gedood werd.” - 7 BC p. 749.
Vers 14:
Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat u aldaar hebt, die de
lering van Balaäm houden, die Balak leert de kinderen Israëls een aanstoot
voor te werpen.
MAAR IK HEB ENIGE WEINIGE
DINGEN TEGEN U
”De vergelijking met Balaäm (Biliam
zie Numeri 22) suggereert dat er sommigen in Pergamus waren die voornemens
waren de gemeente te verdelen en te ruïneren door het aanmoedigen van
gewoonten die voor christenen verboden waren. Bileam was er op uit zijn eigen
belangen te behartigen en niet die van God.” - 7 BC p. 749.
“Het lot van Biliam komt overeen
met dat van Judas, en hun karakters vertonen een opmerkelijke overeenstemming
met elkaar. Beide mannen probeerden God en Mammon te dienen, en ondergingen
hetzelfde lot. Bileam erkende de ware God, en gaf voor Hem te dienen; Judas
geloofde in Jezus als de Messias, en voegde zich bij Zijn volgelingen. Maar
Bileam hoopte de dienst van Jahwe te gebruiken als een middel om rijkdom en
wereldse eer te bezitten; toen hij hierdoor struikelde, viel hij en werd
verbroken. Judas verwachtte door zijn omgang met Christus rijkdom en aanzien
te verkrijgen in dat werelds koninkrijk, dat naar zijn mening de Messias
spoedig zou oprichten.” — P & P pp. 408, 9.
Vers 15:
Alzo hebt ook u, die de lering der Nicolaïeten houden; hetwelk Ik haat.
DE LEER DER NICOLAÏETEN
Zij leerden dat Christus door
zijn dood aan het kruis de wet van God teniet heeft gedaan en dat wij door dit
te ‘geloven’ bevrijd zijn van het houden van Gods geboden. (zie vers 6).
Vers 16:
Bekeer u; en zo niet, Ik zal u
haastiglijk bijkomen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds.
ZWAARD MIJNS MONDS
Zie Openbaring 1:16; 2:12.
Vers 17:
Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, Ik
zal hem geven te eten van het manna dat verborgen is, en Ik zal hem
geven een witte keursteen, en op de keursteen een nieuwe naam
geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.
HET VERBORGEN MANNA
Uitgaande van Johannes 6: 31-34 schijnt het dat Johannes hier het manna
beschouwt als een symbool van geestelijk leven in Christus nu, en het eeuwige
leven hierna. Zie Johannes 6:32, 33.
EEN WITTE KEURSTEEN
“De schriftverklaarders zijn algemeen van mening dat hier wordt gezinspeeld op
oude gebruiken. Een voorbeeld daarvan is het volgende:
“In vroegere tijden toen omdat
er geen herbergen waren, het moeilijk was om van de ene naar de andere plaats
te reizen, werd door particulieren gastvrijheid verleend. Hiervan vinden wij
inderdaad in de geschiedenis vele voorbeelden, vooral in het Oude Testament.
Personen die van deze gastvrijheid gebruik maakten en degenen die hen onderdak
verleenden, gingen vaak met elkaar vriendschapsbanden aan. Onder de Grieken en
Romeinen werd het een algemeen gebruik hun gasten een bijzonder teken te
verlenen, dat van vader op zoon overging en hen bij het tonen daarvan de
zekerheid gaf, dat ze te allen tijde vriendelijk ontvangen zouden worden. Dat
kenteken bestond gewoonlijk uit een kleine steen die in tweeën werd gesplitst
en waarin de gastheer in de ene helft en de gast in de andere helft zijn naam
graveerde. Daarna werden de stenen geruild.
Het tonen van deze ‘tessera’ was
voldoende om, wanneer zij in die omgeving zouden reizen, gastvrijheid te mogen
verwachten voor hen zelf en hun nakomelingen. Deze steentjes werden zorgvuldig
bewaard en de namen die er in gegraveerd stonden werden zorgvuldig geheim
gehouden om te voorkomen dat anderen misbruik zouden maken van de voorrechten
die hun niet toekwamen. Hoe vanzelfsprekend is dan de toespeling op dit
gebruik in de woorden: ‘Ik zal hem te eten geven van het verborgen manna. Als
Ik dat gedaan heb, als Ik hem gastvrijheid heb verleend en zodoende hem als
Mijn gast erken, dan zal ik hem een witte steen geven en in die steen een
nieuwe naam graveren, die niemand kent dan degeen die hem ontvangt. Ik zal hem
de belofte van Mijn zuivere en onschendbare vriendschap schenken, die hij
alleen kent.” - US pp. 49, 50.
EEN NIEUWE NAAM
“Op de hoofden van de overwinnaars plaatst Jezus met Zijn eigen rechterhand de
kroon der heerlijkheid. Voor een ieder is er een kroon, die zijn eigen nieuwe
naam en het opschrift ‘Heiligheid des Heren’ draagt. Iedereen ontvangt een
overwinningspalm en een blinkende harp.” — GS p. 696 (753 o.u.)
VIERDE BRIEF: AAN THYATIRA
Tijdperk: 538 — 1798 na Chr.
Vers 18:
En schrijf aan de engel der gemeente Thyatira:
Dit zegt de Zoon Gods, die ogen
heeft als een vuurvlam en zijn voeten zijn als koperbrons:
DE GEMEENTE THYATIRA
“De oorsprong en betekenisvan
deze naam is onzeker. Hoewel ze minder vooraanstaand was als de andere zes
gemeenten, onderscheidde Thyatira zich niettemin door het aantal en
verscheidenheid van de bedrijfstakken en ambachten die daar floreerden.
Kennelijk was een van de belangrijkste daarvan het verven van stoffen. (Zie
Hand. 16: 14). De christenen van Thyatira vonden ongetwijfeld merendeels werk
in de lokale ambachten.
Toegepast op de christelijke
geschiedenis, is de boodschap aan Thyatira in het bijzonder typerend voor de
ervaring van de ware gemeente in de donkere eeuwen en de latere middeleeuwen.”
- 7 BC p. 750.
Vers 19:
Ik weet uw werken, en
liefde, en dienst, en geloof, en uw lijdzaamheid, en uw werken, en dat de
laatste meer zijn dan de eerste.
UW WERKEN
“Het is alsof Christus wilde
zeggen: ‘Ik weet wat u gedaan hebt, en Ik ken ook de moeite en volharding die
noodzakelijk was om dit te doen.’
DAT DE LAATSTE MEER ZIJN DAN
DE EERSTE
Dit wil zeggen dat de laatste
werken beter waren dan de eerste. De boodschap aan Thyatira is de enige van de
zeven die een erkenning van vooruitgang bevat. Ondanks de moeilijkheden in
Thyatira, onderging de gemeente een geestelijke groei. Vergelijk de
tegenstelde ervaring te Eféze.” (verzen 4, 5) - 7 BC p. 751.
Vers 20:
Maar Ik heb enige weinige
dingen tegen u, dat u de vrouw Jezabel, die tegen zichzelf zegt een
profetes te zijn, laat leren, en Mijn dienstknechten verleiden, dat zij
hoereren en afgodenoffer eten.
MAAR IK HEB ENIGE
WEINIGE DINGEN TEGEN U
“Sommige oude manuscripten
vermelden ‘vele’ of ‘vele dingen’ tegen u. De gemeente handelde onjuist, niet
alleen omdat zij zich openlijk overgaf aan de afval maar ook omdat geen
ernstige poging werd gedaan om de loop van het kwade te keren.
JEZABEL
Ten aanzien van de historische
Jezabel zie 1 Kon. 16: 31; 18: 13; 19:1, 2; 21: 5 – 16, 23, 25; 2 Kon. 9: 30 –
37. Het schijnt dat Jezabel de aanbidding van Baäl in Israël ondersteunde (1
Kon. 21: 25) evenals in de dagen van Johannes enkele valse profeten probeerden
de gemeente Thyatira op dwaalwegen te brengen. De boodschap toont aan dat
hier, zelfs meer dan in Pergamus (Openb. 2: 14) de afval openlijk en uitdagend
was. Toegepast op de Thyatira periode van de christelijke geschiedenis, beeldt
Thyatira de macht uit die de grote afval in de middeleeuwen voortbracht.” - 7
BC p. 451.
DAT ZIJ HOEREREN EN
AFGODENOFFER ETEN
“Dit was zondermeer ten eerste
van toepassing op de plaatselijke toestanden in de gemeente Thyatira.
Toegepast op de Thyatira periode van de kerkelijke geschiedenis is dit beeld
een vermenging van heidendom met christendom (zie Ezech. 16: 15; Openb. 17:1).
Dit proces versnelde zich tijdens de regering van Constantijn en zijn
opvolgers. Het middeleeuwse christendom aanvaardde in grote mate heidense
vormen en gebruiken.” — 7 BC. p. 751.
Vers 21:
En Ik heb haar tijd gegeven,
opdat zij zich zou bekeren van haar hoererij, en zij heeft zich niet
bekeerd.
22: Zie, Ik werp haar te bed,
en die met haar overspel bedrijven, in grote verdrukking, zo zij zich niet
bekeren van hun werken.
IK HEB HAAR TIJD GEGEVEN
“De aanbieding van vergeving
werd gedurende een lange tijd gehandhaafd.
EN HEEFT ZICH NIET BEKEERD
Hier was geen sprake van
onwetendheid, of zelfs van bewuste onverschilligheid, maar van een hardnekkige
en uitdagende rebellie.
ZIE IK WERF HAAR TE BED
De wijze van bestraffing die de
valse profetes ondergaat zal overeenkomstig haar misdaad zijn. Deze
uitdrukking schijnt van joodse oorsprong te zijn en wordt gebruikt in verband
met ziek worden.” - 7 BC p. 751.
Vers 23:
En al haar kinderen zal
Ik door de dood ombrengen, en al de gemeenten zullen weten, dat Ik het ben,
Die nieren en harten onderzoek. Ik zal u geven een iegelijk naar zijn werken.
EN HAAR KINDEREN
“Het overspel van deze Jezabel
(christelijke gemeente) was een gewoonte van lange duur, want zij had
kinderen. Figuurlijk gesproken moeten wij dit bezien in de betekenis dat zij
aanhangers had gewonnen. Het oordeel zou niet alleen op de moeder vallen maar
ook op haar nakomelingen, die door haar verdorven karakter aangetast waren.” -
7 BC p. 751.
Vers 24:
Doch Ik zeg ulieden, en tot
de anderen die te Thyatira zijn, zovelen, als er deze leer niet hebben, en
die de diepten des satans niet gekend hebben, gelijk zij zeggen: Ik zal u
geen anderen last opleggen;
25: Maar hetgeen gij hebt, houdt
dat, totdat Ik zal komem.
IK ZEG ULIEDEN EN TOT DE ANDEREN
“Dat zijn de getrouwe gelovigen
van Thyatira. Historisch bezien verwijst dit naar kleine groepen die gedurende
de middeleeuwen getrouw wilden blijven aan het apostolische christendom. Zulke
groeperingen werden zowel binnen als buiten het formele kader van de
katholieke kerk gevonden. Bijzonder belangrijk waren de groeperingen van de
Waldenzen in Europa en de volgelingen van Wycliff in Engeland.” - 7 BC p. 752.
Vers 26:
En die overwint, en die
Mijn werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem macht geven over de
heidenen;
EN DIE OVERWINT
“Laat geen mens de gedachte naar
voren brengen dat de mens weinig of niets te doen heeft in het grote
overwinningswerk, want God doet niets voor de mens zonder diens medewerking.
Zeg evenmin dat - nadat u van uw kant alles hebt gedaan wat u kon doen - Jezus
u wel zal helpen. Christus heeft gezegd: ‘Want zonder Mij kunt u niets doen.’
(Johannes 15:5).
Vanaf het begin tot het einde
moet de mens samenwerken met God. Tenzij de Heilige Geest inwerkt op het
menselijk hart, zullen wij bij elke stap struikelen en vallen. Menselijke
pogingen betekenen niets en zijn waardeloos, maar samenwerking met Christus,
betekent overwinning.” — SM p. 381.
MIJN WERKEN
“Dat wil zeggen werken die
Christus’ karakter weerspiegelen. Deze zijn opvallend in tegenstelling met de
‘daden’ van degenen die zich met Jezabel verbinden.
IK ZAL HEM MACHT GEVEN
Omdat de verlosten zullen leven
en regeren met Christus, worden ze hier uitgebeeld als deelhebbers in
Christus’ werk. “(Zie Openbaring 12: 5; 20: 4). - 7 BC p. 752.
Vers 27:
En Hij zal hen hoeden met
een ijzeren staf, zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; gelijk
ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb.
EN HIJ ZAL HEN HOEDEN
“Hij (de Messias, Zoon van
David) zal de zondaars de erfenis ontnemen. Hij zal de trots van de zondaars
als een pottenbakkersvat vermorzelen. Met een ijzeren staf zal Hij hetgeen zij
bezitten vernietigen.” - 7 BC p. 752.
Vers 28:
En Ik zal hem de morgenster
geven.
DE MORGENSTER
“Christus zegt in Openb. 22: 16
dat Hij de Morgenster is. De morgenster is de directe voorloper van de dag.
Over deze ster wordt in 2 Petr. 1: 19 gesproken in verband met het aanbreken
van de dag. ‘Totdat de dag aanbreekt en de Morgenster opga in uw harten.’
Gedurende de donkere nacht waarin de heiligen waken, hebben ze het Woord van
God dat het pad kan verlichten. Maar als de Morgenster zal opgaan in hun
harten, of wanneer de Morgenster gegeven zal worden aan de overwinnaars,
zullen ze zo nauw met Christus verbonden zijn, dat hun harten volledig
verlicht zullen worden door Zijn Geest en zij zullen in het licht wandelen.
Dan hebben ze het vaste profetische woord, dat nu schijnt als een licht in
donkere plaatsen, niet meer van node.” US p. 55
Vers 29.
Die oren heeft, die hore wat de
Geest tot de gemeente zegt.