Over het pad, te midden
van de drukte rondom de tenten, passeerde langzaam een ernstige Israëliet. Hij
richtte weinig aandacht op het lachen van spelende kinderen en de schertsen
van vrolijk pratende vrouwen. Met neergeslagen ogen en duidelijk diep in
gedachten, voerde hij aan het einde van een koord een eenjarige geit mee.
Spoedig kwam hij uit het kamp van de stam om een open ruimte te betreden, waar
in het midden zich een plein bevond dat omringd was door een metershoge linnen
wand. Hij passeerde de gordijnen aan de ingang. ingang. Voor zich zag hij een
prachtig tentgebouw met gouden wanden en kleurrijke draperieën. Tussen hem en de
tent stond een koperen altaar, vanwaar de rook van het morgenoffer oprees. Een
priester in wit gewaad sprak hem vriendelijk aan, hoewel deze niet hoefde te
vragen naar het doel van zijn komst. De aanwezigheid van het offerdier vertelde
een bekend verhaal. De man had gezondigd, en met het zich bewust zijn van zijn
fout woog het gewicht van de schuld zwaar op zijn hart. Hij moest in orde komen
met God. En daarom kwam hij deze morgen met het voorgeschreven offer om zijn
Maker zijn zonde te belijden.
Rustig bracht de priester hem naar opzij en
bond de geit aan een in de grond geslagen paal. De boeteling, die nu zijn hand
op de kop van het slachtoffer plaatste, boog zijn hoofd in een ogenblik van
belijdenis en nam toen snel het leven van het dier, waarbij de priester het
bloed opving in een vergaarbak. Terwijl de zondaar toekeek, doopte de priester
een vinger in het bloed en raakte de hoornen van het koperen altaar aan. Nadat
deze ceremonie was afgesloten, vertrok de man die vergeving was geschonken met
de vermaning van de priester om heen te gaan en niet weer te zondigen. Dit is
kort samengevat het verhaal van de heiligdomsdienst door God ingesteld voor zijn
volk in die dagen. Een mens heeft gezondigd, en door een gepaste en
betekenisvolle ceremonie kan hij worden verzekerd van vergeving en van het
uitwissen van zijn schuld. Het heiligdom was een symbolische weergave van het
evangelie. Elk deel ervan wees vooruit op Christus en zijn offer en bediening
voor de gevallen mens. Zo veelomvattend is het werk van Christus, dat het niet
door een enkel symbool of een enkele dienst kan worden weergegeven. In feite
schieten alle symbolen samengenomen, hoe nuttig ze ook zijn, tekort in de
perfectie en schoonheid die is in Christus Jezus en in zijn plan om de
rechtvaardigheid van de mens te herstellen. Niet lang nadat de Heer in majesteit
vanaf de berg zijn wet had afgekondigd, sprak hij tot Mozes: „Zeg tot de
Israëlieten, dat zij voor Mij een heffing inzamelen; voor iedere man, wiens hart
hem dringt, zult gij voor Mij een heffing inzamelen". „En zij zullen Mij een
heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen" (Exodus 25: 2,8).
Hoewel het mensen waren die de tabernakel
bouwden, was het niet volgens menselijke plannen. God gaf bijzondere
instructies betreffende elk detail van het gebouw en het meubilair. Hij zei tot
Mozes: „Gij zult het maken overeenkomstig alles wat Ik u toon, het model van de
tabernakel en het model van al zijn gerei". „Zie nu toe, dat gij alles maakt
naar het model dat u daarvan op de berg getoond is" (verzen 9 en 40).
Toen ze de taak hadden voleindigd, „zag Mozes
al het werk, en zie, zij hadden het gemaakt zoals de Here geboden had; zó
hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen" (Exodus 39:43). Het heiligdom
was eerst gebouwd als een verplaatsbare constructie, afgestemd op de behoeften
van een volk dat onderweg naar het Beloofde Land was. Vaak werd het de „tent der
samenkomst" genoemd. Er stak niets onwaardigs in om het godsdienstig
hoofdkwartier van de natie de vorm te geven van een tent, want het hele volk
woonde in tenten.
Toen de Hebreeën zich definitief in Kanaan
vestigden, instrueerde God zijn dienstknechten een blijvende tempel te bouwen
voor de geestelijke opbouw van de natie. Koning David, door God uitgesloten van
de eigenlijke bouw, werd niettemin toegestaan onder de inspiratie van de Geest
van God de plannen gereed te maken. „Toen gaf David aan zijn zoon Salomo het
ontwerp van de voorhal met de daarbij behorende gebouwen, schatkamers,
bovenvertrekken en binnenzalen, en van het vertrek voor het verzoendeksel; ook
het ontwerp van alles wat hij in zijn geest had bedacht: voor de voorhoven van
het huis des Heren, voor alle vertrekken in het rond, voor, de schatkamers van
het huis Gods en voor die van de geheiligde voorwerpen, voor de afdelingen der
priesters en der Levieten, voor alle dienstwerk in het huis des Heren". „Alles
staat in een geschrift, ontvangen uit de hand des Heren, waarin Hij mij
onderrichtte aangaande de gehele uitvoering van het ontwerp" (1 Kronieken
28:11-13, 19). God was de Architect en Meester-Ontwerper bij de tabernakels die
in de oudheid ter zijner verering werden gebouwd.
Er kwam geen door mensen opgesteld plan te
pas bij de constructie of bij het ritueel van het heiligdom. Zo moest het ook
zijn, want geen menselijk plan, geen handelingen op eigen kracht, kunnen de
gevolgen van de zonde uitwissen en de oorspronkelijke onschuld aan de mens
teruggeven.
De tabernakel
door Mozes in de woestijn gebouwd en de tempel van Salomo in Jeruzalem
opgericht, waren, hoewel uiterlijk zeer verschillend, in grote mate gelijk wat
betreft de hoofdzaken die de basis vormden van de nationale eredienst.
De tabernakel - en later de tempel - bestond
in de eerste plaats uit twee ruimten of vertrekken, gewoonlijk het heilige en
het heilige der heiligen genoemd; het eerste was twee keer zo groot als het
tweede. Het heilige had waarschijnlijk een grootte van ongeveer 5,5 bij 11
meter, terwijl het heilige der heiligen 5,5 meter in het vierkant was. In de
tempel werden deze afmetingen vergroot, maar de verhoudingen werden gehandhaafd.
Het inwendige van deze ruimten was prachtig versierd met bladgoud en fijn
geborduurde wandtapijten in blauw, purper, scharlaken, goud en zilver. Op deze
gordijnen kwamen de vormen van engelen voor om de hemelscharen rondom de troon
in Gods grote tempel in de hemel uit te beelden.
Een geborduurd voorhangsel vormde de deur van
de tabernakel, en een tweede voorhangsel scheidde het heilige der heiligen van
het heilige. Omdat deze scheiding in de tabernakel van de woestijn niet tot het
plafond reikte, kon de wierook die in het heilige werd geofferd, daarover heen
stijgen en in het heilige der heiligen doordringen. Ook kon het licht van de
zichtbare tegenwoordigheid Gods, de schechina genaamd, vanuit het heiligste
het heilige verlichten.
Maar hoe mooi deze vertrekken ook waren, de
ruimten zelf waren niet het middelpunt van de belangstelling. Het binnen
die ruimten geplaatste meubilair en het daar opgevoerde ritueel, symbolisch voor
het verlossingsplan, waren het belangrijkst. In het eerste vertrek, rechts als
men van voren het bouwwerk binnenging, stond een gouden tafel, de tafel der
toonbroden genaamd. Links stond de zevenarmige kandelaar, of juister: de
lampenstandaard, aangezien er geen kaarsen, maar olie en pitten werden gebruikt.
Rechts voor zich als men binnenkwam, tegenover het tweede gordijn, aan de
achterkant van het vertrek, stond een gouden altaar - eigenlijk een houten
altaar
met goud overtrokken - waarop wierook werd
geofferd.
Het tweede vertrek, het heilige der heiligen,
had maar één meubelstuk. Dit was een kist, circa 1,15 m lang en circa 70 cm
breed en hoog, gemaakt van hout en overtrokken met goud. Daarop was een deksel
uit goud met twee gouden engelen erop. Dit werd het verzoendeksel genoemd. Boven
het verzoendeksel tussen de engelen deed zich een helder licht voor - de
schechina, de zichtbare tegenwoordigheid Gods. Behalve de tent zelf was er om
de tabernakel heen een plaats, omgeven door linnen gordijnen, die gedragen
werden door geelkoperen pilaren. Daarbinnen werden de offers gebracht. Het
belangrijkste voor deze dienst was een altaar waarop de slachtofferdieren werden
verbrand. Dit werd het brandofferaltaar genoemd. Er was ook een wasvat met
water, dat de priesters op gestelde tijden gedurende de verschillende diensten
voor wassingen konden gebruiken.
Naast deze grotere voorwerpen waren er potten
en pannen, schoppen en vaten, vleeshaken en messen voor de diensten rondom het
altaar; en gouden kannen, borden en wierookvaten voor de dienst binnen de
eigenlijke tabernakel.
De lezer die de precieze opbouw van de
tabernakel en alles wat daarbij behoorde, nog nader wil bestuderen, kan in zijn
bijbel het boek Exodus opslaan: vooral de hoofdstukken 25-29 en 35-40. De
diensten die verricht werden binnen de hoven van het heiligdom, laten zich
gemakkelijk verdelen in twee klassen - die voor de natie en die voor de
enkeling. Een overzicht van het gewone dagelijkse programma van wijding en
offering zal dit duidelijk maken. Er werden dagelijks twee algemene offers
gebracht ten gunste van het gehele volk - het morgen- en het avondbrandoffer.
Het dagelijkse of „gedurig" brandoffer was
altijd een mannelijk eenjarig lam. In de morgendienst, als de dag aanbrak, werd
het dier, dat van tevoren uitgekozen en onderzocht was, naar het altaar
gebracht. De tempelpoorten werden geopend en het volk werd toegelaten. Terwijl
het lam geslacht werd, ving een priester het bloed op in een gouden vat. Dan
werd het bloed „rondom op het altaar" gesprenkeld (Leviticus 1:5). De rest van
het bloed werd aan de voet van het altaar uitgegoten.
Het offerlam werd gevild en volgens de regels
in stukken gesneden, die dan in water werden gewassen. Terwijl dit zich
afspeelde in de voorhof, gingen twee priesters het heilige - het eerste vertrek
van de tempel - binnen. Eén verwijderde de as van het gouden reukofferaltaar,
en de ander maakte de lampen op de gouden standaard in orde, vulde ze als de
olievoorraad op was en stak de lampen aan. Nadat de priesters hun plicht hadden
gedaan, trokken ze zich terug. Nu ging een andere priester met twee assistenten
het heilige binnen. De een legde de gloeiende kolen van het brandofferaltaar op
het reukofferaltaar, terwijl de ander voor wierook zorgde. De twee assistenten
trokken zich terug en lieten de dienstdoende priester alleen met God. Het was
een zeer plechtige gebeurtenis. Buiten boog het volk, dat voor aanbidding bijeen
was, zich neer in gebed, samen met alle priesters en Levieten in de
tempelhoven, terwijl de priester in het heilige de wierook op de gloeiende
kolen deed, en de rook opsteeg tot God als een symbool van de gebeden van zijn
volk. Het was bij zo'n gelegenheid dat aan Zacharias een engel verscheen die de
naderende geboorte van Johannes de Doper aankondigde.
Wanneer de priester weer uit het heilige te
voorschijn kwam, was er een onderbreking voor dankzegging, en dan werden de
stukken van het brandoffer naar het altaar gedragen en in het vuur
gerangschikt. Een lied en trompetstoten beëindigden de dienst, waarna de mensen
uiteengingen. De avonddienst verliep op dezelfde manier, op een kleine
verandering in de volgorde na. De tegenwoordige lezer zal in deze indrukwekkende
dienst ongetwijfeld de achtergrond en reden ontdekken voor de morgen- en
avondwijding in het christelijk gezin, waarbij de aanbidders dichter tot God
worden ge
trokken en iedere dag tweemaal herinnerd
worden aan zijn zegen, leiding en bescherming. Er waren andere openbare
offerdiensten, maar het dagelijks brandoffer scheen alle grondbeginselen te
belichamen. In dat offer lag de symboliek van de hele heiligdomsdienst besloten.
Er werd bloed vergoten en verzoening gedaan. Het heilig offer werd door vuur
verteerd, hetgeen een volkomen heiliging weergaf. In dankbetuiging en smeking
rezen de gebeden van het volk met de wierook op. De godsdienst van de natie was
uiterst nauw verbonden aan deze bediening.
Het slachten van het lam wees vooruit op de
dood van Christus aan het kruis. Zoals Christus stierf voor iedereen, zo was
dit offer voor het hele volk, of ze hun zonden hadden beleden of niet. Toen de
mens zondigde, werd het doodsoordeel uitgesproken. Het zou onmiddelijk zijn
uitgevoerd, als Christus niet aangeboden had in zijn plaats te sterven. Het feit
dat aan zondige mensen een normale levensduur wordt toegestaan, getuigt dat
Christus hen nog een kans heeft gegeven - een mogelijkheid tot berouw en
aanvaarding van zijn offer voor hen. Maar niet iedereen zal worden gered, want
niet iedereen zal de aangeboden verlossing aannemen. Alleen degenen die berouw
hebben van hun zonden, met hun schuld naar Christus gaan en zich van het kwade
afkeren om een nieuw leven te leven in harmonie met Gods wil, kunnen verwachten
eeuwig voordeel te hebben bij Christus' offer. Zo was het ook in de oudheid.
Hoewel het dagelijks brandoffer voor de hele gemeenschap was, moest iemand, als
hij zondigde, toch zelf een offer brengen om te laten zien dat hij persoonlijk
de gemaakte voorzieningen voor vergeving en reiniging aanvaardde. De offers die
van individuele zondaars werden verlangd, waren bijzonder betekenisvol. Het
verhaal aan het begin van dit hoofdstuk gaf een gedeelte van de details. Het
vet van het offer werd op het altaar verbrand, maar het vlees van het lam werd
gegeten door de priester. En de onderwijzing in deze dienst eindigde met de
woorden: „Zo zal de priester over hen verzoening doen voor de zonde die hij
begaan heeft, en
het zal hem vergeven worden" (Leviticus 4:35).
In het zondoffer werd de
hele leerstelling van plaatsvervangende verzoening symbolisch in beeld
gebracht. De mens die gezondigd had, viel onder het oordeel en verdiende de
dood. „Het loon dat de zonde geeft, is de dood" ( Romeinen 6:23). En „de ziel
die zondigt, die zal sterven" (Ezechiël 18:4). Als iemand zijn zonde ontdekte
en er berouw over kreeg, kon hij een dier brengen om in zijn plaats te sterven.
Maar dood voor zonde is niet de enige les die geleerd kan worden. Door zijn hand
op de kop van het offerdier te leggen, en symbolisch de zonde erop over te
dragen, werd de zondaar bevrijd van de schuld van zijn overtreding. Hij had ze
aan een ander te dragen gegeven. Maar voor een duidelijke voorstelling van het
verlossingsplan was het niet voldoende dat een dier de schuld zou dragen. De
beloofde Verlosser zou een mens zijn - de Mens Christus Jezus. Hij zou de
schuld van al onze zonden op Zich nemen. Vandaar dat de priester vlees at van
het dier dat als zondoffer was geslacht. Op die manier nam hij de schuld van de
zonde op zichzelf. Er lag een speciale nadruk op dit eten van het vlees van het
zondoffer. Op zekere dag aten de priesters niet van het zondoffer zoals door God
was geboden. Mozes wees hen terecht. „Waarom hebt gij het zondoffer niet op de
heilige plaats gegeten? Want het was allerheiligst, en Hij gaf u dit om de
ongerechtigheid der vergadering weg te nemen en over hen verzoening te doen voor
het aangezicht des Heren" (Leviticus 10:17). Let op de uitspraak: „Hij gaf u
dit om de ongerechtigheid der vergadering weg te nemen en over hen verzoening
te doen". Niets kon de relatie tussen Christus en het zondig individu zo goed
illustreren. De zondaar wordt door het belijden bevrijd van de zonde, maar
Christus draagt ze. En deze zonden drukken zwaar op zijn hart, want Hij draagt
de zonden van de hele wereld. De apostel Petrus zegt, wanneer hij over Christus
spreekt: „Die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft" (1
Petrus 2:24).
Maar vergeving van zonden, met de overdracht van
schuld naar iemand
anders, geeft nog geen volledig beeld. De toepassing van het bloed bij het
zondoffer gaf een registratie van de zonde weer. Het bloed werd aan de hoornen
van het brandofferaltaar aangebracht. Niet alleen werd de schuld van de zonde
symbolisch op de priester overgedragen, maar de zonde werd als het ware in bloed
geschreven vastgelegd. De profeet Jeremia zegt: „De zonde van Juda staat
geschreven met ijzeren stift, gegrift met diamanten spits in de tafel van hun
hart en in de hoornen van hun altaren" (Jeremia 17:1). Als we dit lezen, bestaat
de verleiding te denken dat zo vastgelegde zonden nooit meer uitgewist kunnen
worden. Het graveersel van een ijzeren instrument of de krassen van een
diamanten punt in hard materiaal vervagen niet gemakkelijk, en bloedvlekken zijn
moeilijk te verwijderen. Maar God zegt: „Al waren uw zonden als scharlaken,
zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen
worden als witte wol" (Jesaja 1:18).
Zo werden op symbolische
wijze de zonden van heel Israël overgebracht naar het heiligdom. Daar bleven
ze, totdat ze werden weggedaan door een speciale cermonie aan het slot van het
godsdienstig jaar. Dit zal verderop worden besproken.
Gods zelfopenbaring aan
patriarchen en profeten, de priesters en het volk, had in de hele geschiedenis
één doel bij uitstek: mensen ertoe te leiden dat zij, wat hun karakter betrof,
meer op Hem zouden gaan gelijken. Zijn onderrricht aan Israël, toen Hij hen zijn
bijzonder volk maakte, was: „Jijt heilig, want Ik, de Here, uw God, ben heilig"
(Leviticus 19:2). Toen stelde Hij de tabernakeldienst in, met al zijn typen en
ceremonies, om mensen de weg naar heiligheid te leren. Heiligheid was verloren
gegaan door de zonde, en het menselijk onderscheidingsvermogen was vervlakt. Het
hele ceremoniële systeem was ontworpen om zijn „volk het onderscheid (te)
leren tussen heilig en niet heilig en het onderscheid (te) doen kennen tussen
onrein en rein" (Ezechiël 44:23.
Deze geestelijke lessen,
eeuwen geleden gegeven, hebben
niets aan kracht verloren toen de typen en schaduwen waarin ze uitgedrukt
werden, in Christus hun vervulling vonden. In feite kan de tegenwoordige
volgeling van de Meester, door de vermeerdering van de goddelijke openbaring,
zelfs meer zien in die symbolen dan zijn broeders uit de dagen van het Oude
Testament. Zonde is hèt probleem dat opgelost moet worden. Om het feit „zonde"
draait het hele systeem van typen. Eén van de eerste lessen die de Israëliet
leerde, was, dat zonde onrein is, een smet. Strenge verboden werden bepaald
voor zijn persoonlijk gedrag, zodat zelfs het aanraken van bepaalde dingen
ceremoniële onreinheid met zich meebracht. Zo'n verontreiniging viel niet te
geringschatten, want iemand kon van familie en vrienden gescheiden en uit het
normale zakenleven gehouden worden, totdat hij door een speciale ceremonie was
gereinigd.
En dat brengt ons bij de tweede les - zonde
verwijdert ons van God. De profeet Jesaja drukte het duidelijk uit: „Uw
ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw
zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort" (Jesaja
59:2). Gescheiden van God! Afgesneden van de zegeningen van zijn goedkeurend
aangezicht! Wat een vreselijke gedachte!
De overtreding van de wet vraagt om de dood
van de zondaar in kwestie - dat is rechtvaardig. Maar de zondige Israëliet die
zich met een offer naar het heiligdom begaf, bracht een vervanging. Een lam kon
in zijn plaats sterven. Er was een manier om de mens vergiffenis te schenken,
aan de wet te voldoen, het recht te handhaven en toch de zondaar zijn leven te
laten behouden. Die manier is verzoening door plaatsvervanging -iemand anders
mag de straf voor de zonde dragen. Laat aarde en hemel juichen! De Alwijze heeft
voorzien in een oplossing voor het zondeprobleem. De schuldige zondaar die aan
de ingang van de tabernakerl verscheen, had nog een les te leren. In zijn
moeizame terugkeer naar God en heiligheid kon hij een aantal dingen doen: hij
kon zijn zonde belijden, hij kon eigen
20
handig het offer slachten. Maar hier hield
zijn werk op. En hier had heel het proces kunnen eindigen, tenzij er in een
middelaar werd voorzien om het werk voort te zetten, want geen enkele zondaar
had in
de oude heiligdomsdienst toegang tot
God. Een priester moest met het bloed omgaan, want bloed was het waar het bij
het offer werkelijk om ging: „De ziel (d.i.het leven) van het vlees is in het
bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te
doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel" (Leviticus
17:11). Ten aanzien van de noodzakelijke bediening van het bloed stond de
enkeling machteloos. Iemand anders moest voor hem opkomen.
In het grote verlossingsplan kan niemand
zichzelf redden. De apostel Petrus drukte het zo uit op de Pinksterdag, toen
hij over Christus en zijn offer sprak: „Want er is ook onder de hemel geen
andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden"
(Handelingen 4:12). „Mensenhulp is ijdel" (Psalm 60:13b), zingt de Psalmist,
maar „het heil der rechtvaardigen is van de Here" (Psalm 37:39).
Op deze manier onderwees God zelfs in de
schaduwdienst dat de mens niet door eigen werken gered kan worden. Een priester
moest het bloed van een offerdier nemen, dit op het juiste meubel van het
heiligdom sprenkelen om, uitgedrukt in de woorden waarmee A~ron onderricht
werd: „de ongerechtigheid der vergadering weg te nemen en over hen verzoening
te doen voor het aangezicht des Heren" (Leviticus 10:17).
Wanneer een zondaar zijn zonde beleed en zijn
offer slachtte, en de priester het bloed bediende, kreeg de zondaar vergeving.
Maar de zonde bleef opgetekend, en ,dit moest op de een of andere
manier worden tenietgedaan.
Op de Grote Verzoendag ging de hogepriester
met gepaste offers het heilige der heiligen binnen. „Zo zal hij verzoening doen
over het heiligdom om de onreinheden der Israëlieten en om hun overtredingen in
al hun zonden: aldus zal hij doen met de tent der samenkomst... Dan zal hij
naar buiten gaan naar het altaar,
dat voor het aangezicht
des Heren staat, en daarover verzoening doen... Dan zal hij daarop met zijn
vinger zevenmaal van het bloed sprenkelen en het reinigen en heiligen van de
onreinheden der Israëlieten" (Leviticus 16:16-19).
Het beeld is duidelijk,
want de aanwijzing was: „Aáron zal zijn beide handen op de kop van de levende
bok leggen en over hem al de ongerechtigheden der Israëlieten en al hun
overtredingen in al hun zonden, belijden; hij zal die op de kop van de bok
leggen en die, door iemand die daarvoor gereed staat, naar de woestijn laten
brengen. Zo zal de bok al hun ongerechtigheden op zich dragen naar een
onvruchtbaar land" (Leviticus 16: 21,22).
Hier zag men in
zinnebeeld de uiteindelijke verwijdering van zonden. Geen Israëliet die op die
dag voor de tabernakel zijn ziel doorzocht, kon zo'n duidelijke en eenvoudige
les over het hoofd zien: alleen
beleden
zonden worden weggedaan.
De toepassing van hetzelfde principe op de christen van vandaag is
onvermijdelijk. Zonde brengt scheiding van God. God wil ons van de zonde
scheiden, opdat Hij ons met Zichzelf kan herenigen. Liefdevol roept Hij zijn
dwalende kinderen om thuis te komen en vrede te hebben. Door zijn profeet pleit
Hij: „Ik vaag uw overtredingen weg als een nevel en uw zonden als een wolk; keer
weder tot Mij, want Ik heb u verlost" (Jesaja 44:22). Scheiding van zonde is de
boodschap van het heiligdom, in het bijzonder de boodschap van de Grote
Verzoendag. Zonde zal verwijderd en voor eeuwig weggedaan worden, als we God
toestaan zijn plan voor ons leven uit te voeren. Dan mogen we met de psalmist
David zingen: „Zover het oosten is van het westen, zover doet Hij onze
overtredingen van ons" (Psalm 103:12). Alle diensten en symbolen van het
heiligdom wijzen eenstemmig vooruit op het Lam Gods, dat de zonde der wereld
wegneemt".