|
|
DANIEL 8
DANIEL 8
Een overzicht van de belangrijkste waarheden van het heiligdom. Een schaduw van
de hemelse dingen.
Evenals het aardse heiligdom dat door Mozes gebouwd werd naar het voorbeeld dat
hem op de berg getoond werd, was ook de tempel van Salomo, met zijn diensten,
«een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd, waarin zowel gaven als offers
gebracht werden;» (Hebr. 9:9); zijn twee heilige afdelingen waren een afbeelding
van het hemelse» (Hebr. 8:5). Christus, onze Hogepriester, verricht «de dienst
in het heiligdom in de ware tabernakel, die de Here heeft opgericht en niet een
mens.» (Hebr. 8:2). Toen de apostel Johannes in een visioen een blik vergund
werd in de tempel van God in de hemel, zag hij «zeven vurige lampen voor de
troon.» (Openb. 4:5). Hij zag een engel «die met een gouden wierookvat bij het
altaar ging staan, en hem werd veel reukwerk geschonken om het te geven, met de
gebeden van alle heiligen op het gouden altaar voor de troon.» (Openb. 8:3).
Hier werd de profeet een blik vergund in de eerste afdeling van het heiligdom in
de hemel; en hij zag «zeven vurige lampen» en «het gouden altaar», die
versymboliseerd werden door de zevenarmige kandelaar en het reukofferaltaar in
het aardse heiligdom. Opnieuw werd de tempel in de hemel geopend en hij zag
binnen het binnenste voorhangsel in het heilige der heilige. Hier zag hij «de
ark van Zijn verbond» (Openb. 11:19), versymboliseerd door de heilige kist die
door Mozes gekonstrueerd was om de wet van God te bevatten.
In de dienst van de aardse tabernakel die diende tot «een afbeelding en schaduw
van het hemelse» (Hebr. 8:5) werd het heilige der heiligen alleen geopend op
grote verzoendag, de typische oordeelsdag, welke apart gezet was voor de
reiniging van het heiligdom. Daarom wijst de verklaring «En de tempel Gods die
in de hemel is ging open en de ark van Zijn verbond werd zichtbaar in Zijn
tempel» (Openb. 11: 19) op de opening van het heilige der heiligen van het
hemels heiligdom aan het einde van de 2300 dagen - in 1844 - toen Christus daar binnenging om
het afsluitingswerk der verzoening te verrichten. Zij die door het geloof hun
grote Hogepriester volgden, toen Hij Zijn dienstwerk in het heilige der heilige
begon, zagen de ark van Zijn Verbond.
Het heiligdom in de hemel is het eigenlijke middelpunt van het werk van Christus
ten behoeve van de mens. Het betreft elke ziel die op aarde leeft. Het opent het
plan der verlossing voor onze ogen en brengt ons tot het afsluiten van de tijd
en openbaart de triomfantelijke uitkomst van de strijd tussen gerechtigheid en
zonde. Het is van het allergrootste belang dat allen een grondig onderzoek doen
in deze onderwerpen en in staat zijn om aan een ieder die hen er om vraagt
verantwoording te doen van de hoop die in hen is.
Wij leven nu in de grote verzoendag. In de zinnebeeldige dienst werd van allen
vereist, dat zij hun zielen verootmoedigden door berouw over hun zonden en door
verootmoediging tegenover God, terwijl de Hogepriester verzoening deed voor
Israėl (Lev. 23:27-32; 16:29), opdat zij niet afgesneden werden van het volk. Op
gelijke wijze moeten nu allen, die willen dat hun naam in het boek des levens
blijft staan, in de weinige nog resterende dagen van hun genadetijd hun zielen
voor God verootmoedigen door berouw over de zonde en waarachtige bekering. Er
moet een diep, eerlijk gewetensonderzoek zijn. De lichte, lichtzinnige geest
waaraan zovele belijdende Christenen toegeven moet weggedaan worden
(Joėl 2:15-30).
Voor allen is er een ernstige strijd om de boze neigingen, die streven naar de
overheersing, te onderdrukken. Het werk der voorbereiding is een persoonlijk
werk. Wij worden niet groepsgewijs gered. De reinheid en toewijding in de een
zal de behoefte aan deze kwaliteiten in een ander niet goedmaken. Hoewel alle
volken in het oordeel van God zullen komen, zal Hij toch ieders geval met zo'n
nauwkeurigheid onderzoeken alsof er geen ander wezen op deze aarde was. Een
ieder moet getoetst worden en zonder-Vlek of rimpel worden bevonden. Plechtig
zijn de _gebeurtenissen die verbonden zijn met het afsluitingswerk der
verzoening. Geweldig zijn de belangen die daarin opgesloten liggen. Het oordeel
gaat nu voorwaarts in het heiligdom hierboven. Dit werk is nu al meer dan zestig
jaren aan de gang (geschreven in 1905). Spoedig - niemand weet hoe spoedig -
zullen de levenden worden geoordeeld. In de ontzagwekkende tegenwoordigheid van
God zal ons leven beoordeeld worden.
In deze tijd, meer dan in enige andere tijd, moet iedere ziel achtgeven op de
waarschuwing van de Zaligmaker. «Waakt en bidt want gij weet niet wanneer het de
tijd is.» (Marcus 13:33). «Indien gij dan niet waakt zal ik over u komen als een
dief, en gij zult niet weten op welk uur Ik over u komen zal.» (Openb. 3:3). Als
het werk van het onderzoekend oordeel eindigt, zal het lot van allen beslist
zijn ten leven of ten dode. De genadetijd eindigt een korte tijd voor de
verschijning van de Here op de wolken des hemels. Dan zal Christus verklaren:
«Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is hij worde nog vuiler;
wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij
worde nog meer geheiligd. Zie ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een
ieder te vergelden, naardat zijn werk is.» (Openb. 22:11-12). De rechtvaardigen
en de goddelozen zullen nog op aarde leven in hun sterfelijke staat - de mensen
zullen planten en bouwen, eten en drinken, allen onbewust dat de laatste,
onherroepelijke beslissing in het heiligdom daarboven afgekondigd is. Voor de
vloed, nadat Noach de ark binnengegaan was, sloot God hem binnen en sloot de
goddelozen buiten; maar gedurende zeven dagen wisten de mensen niet dat hun
ondergang vast stond en zij leefden voort, zorgeloos en pleziermakend en
spottend met het naderende oordeel. «Zo» zegt de Zaligmaker «zal de komst van de
Zoon des mensen zijn.» (Matth. 24:39). Stil, onopgemerkt als een dief te
middernacht, zal het uur der beslissing komen dat het lot van ieder mens
vastlegt, de laatste terugtreking van het aanbod der genade voor de schuldige
mens.
«Waakt dan ... opdat Hij niet, als Hij plotseling komt, u slapende vinde» (Marcus
13:35-37). Gevaarlijk is de toestand van hen, die moe worden van het waken en
zich afwenden naar de attracties van de wereld. Terwijl de zakenman opgeslokt
wordt in zijn pogen tot gewin, terwijl de pleziermaker zijn gang gaat, terwijl
de modepop haar versierselen schikt, kan dat het uur zijn waarop de Rechter der
ganse aarde de verklaring aflegt «Gij zijt gewogen in de weegschaal en te licht
bevonden.»
R.H. 9-1 1-1905
De zonden worden uitgedelgd in het onderzoekend oordeel in verbinding met de
late regen.
Het grote werk van het Evangelie zal niet sluiten met een geringere openbaring
van Gods macht dan die haar begin heeft gekenmerkt. De profetieėn die vervuld
zijn door de uitstorting van de vroege regen aan het begin der
Evangelieverkondiging, zullen weder vervuld worden in de spade regen aan haar
einde. Hier zijn «de tijden der verkoeling», waarnaar de apostel Petrus uitzag
toen hij zeide: «Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist
worden (in het onderzoekend oordeel), wanneer de tijden der verkoeling zullen
gekomen zijn van het aangezicht des Heren, en Hij gezonden zal hebben Jezus.» (Hand.
3:19, 20. Gr. Strijd uitgave 1900, blz.
674).
DE REINIGING VAN
HET HEILIGDOM VAN
DANIEL 8:14
De verontreiniging van het heiligdom vindt plaats op twee manieren.
Door het begaan van de zonde en het fotografisch verslag daarvan hetwelk een
getrouwe uitbeelding is van de toestand van de ziel?
«Iedere gedachte die gekoesterd wordt, elke impuls waaraan toegegeven wordt,
laat haar indruk achter op de geest... Want een aantekening wordt gemaakt in de
boeken des hemels van onvriendelijke blikken en woorden welke bijten en
vergiftigen als een adder. En dit is niet alleen een aantekening van een dag per
jaar, maar van dag op dag. 0, dat deze gezinnen er aan zouden denken dat engelen
Gods een foto nemen van het karakter even nauwkeurig als de kunstenaar de
gelijkenis van de menselijke gelaatstrekken neemt, en dat hij hiernaar
geoordeeld zal worden.» R.H. 2-2-1886
«Iedere fout, iedere dwaling, hoe onbelangrijk ook gedacht, laat een litteken na
in dit leven en een smet op de hemelse aantekening.» O.H.C. 227
Vergiffenis is niet in staat om dit weg te doen.
Iedere onreine gedachte verontreinigt de ziel, verzwakt het zedelijk gevoel en
heeft de neiging de indrukken van de Heilige Geest uit te wissen. Het
verduistert de geestelijke blik, zodat de mensen God niet kunnen zien. De Here
kan de berouwvolle zondaar vergeven en doet dat ook; maar hoewel vergeving
geschonken is, is de ziel geschonden.
De Wens 254. D.A. 302
Nu kan het zijn dat u berouw kunt tonen. Maar zelfs als vergeving tegenover uw
naam geschreven is, zult u een vreselijk verlies lijden, want de littekenen die
u op uw ziel gemaakt hebt zullen blijven. T.M. 447
Hij moge bekeerd worden; hij moge de goddeloosheid zien van zijn
onrechtvaardigheid tegenover de medemensen en, voor zover mogelijk, herstel
aanbrengen; maar de littekens van een verwond geweten zullen altijd blijven. 3
B.C. 115 8
Het heiligdom in de hemel wordt niet alleen verontreinigd door het doen of
begaan van de zonde maar ook door de overdracht van schuld.
Het belangrijkste onderdeel van de dagelijkse dienst was de dienst ten behoeve
van de enkeling. De berouwvolle zondaar bracht zijn offer naar de deur van de
tabernakel en legde zijn hand op de kop van het offer(dier), terwijl hij zijn
zonden beleed en ze op deze wijze in symbolische zin overdroeg op het onschuldig
offer. Met eigen hand moest hij het dier doden; het bloed werd door de priester
in het heilige gebracht en daar gesprenkeld voor het voorhangsel, waarachter de
ark stond met de wet, die de zondaar had overtreden. Door deze ceremonie werd de
zonde door middel van het bloed in figuurlijke zin overgedragen op het
heiligdom. In sommige gevallen werd het bloed niet in het heiligdom gebracht,
maar werd het vlees gegeten door de priester, volgens het woord van Mozes aan de
zonen van A~ron: «God gaf u dit om de ongerechtigheden der vergadering weg te
nemen.» Beide ceremoniėn stelden voor hoe de zonde van de boetvaardige werd
overgedragen op het heiligdom. Dit werk vond het hele jaar door dagelijks
plaats. Omdat de zonden van Israėl op deze wijze op het heiligdom werden
overgedragen, werd dit verontreinigd en een speciaal werk was nodig om de zonden
weg te doen... Door het offer van het bloed erkende de zondaar het gezag van de
wet, beleed de schuld van zijn overtreding, en uitte zijn geloof in Hem die de
zonde der wereld zou wegnemen.
P.P. 318-320 N vergelijk Grote Strijd 391-395
De reiniging van het heiligdom vindt
plaats op twee manieren.
De bok voor de Here, een zinnebeeld van Jezus, werd geslacht en diens bloed
delgde de zonde uit.
Het bloed van Christus, terwijl het de berouwvolle zondaar bevrijdde van de
veroordeling der wet, zou de zonde niet uitwissen, deze zou opgetekend blijven
in het heiligdom tot de uiteindelijke verzoening, zo deed in de typische dienst
het
bloed van het zondeoffer de zonde weg van
de berouwvolle zondaar, maar zij rustte in het heiligdom tot de grote
verzoendag.
Op de grote dag van de laatste afrekening «moeten de doden geoordeeld worden op
grond van hetgeen in de boeken geschreven staat» naar hun werken. Dan zullen
door de verdiensten van het verzoenend bloed van Christus de zonden van allen
die waarachtig berouwvol geweest zijn uitgedelgd worden uit de boeken des
hemels. Op deze wijze zal het heiligdom bevrijd of gereinigd worden van de
aantekening der zonde.
In het type werd dit grote werk der verzoening of uitdelging der zonde
voorgesteld door de diensten op grote verzoendag - de reiniging van het aardse
heiligdom, hetwelk tot stand gebracht werd door het wegdoen, op grond van het
bloed van het zondoffer, van de zonde waarmee het heiligdom verontreinigd was.
Zoals in de uiteindelijke verzoening de zonden van de waarlijk berouwvollen
uitgedelgd moeten worden van de aantekening des hemels, om nooit meer herinnerd
te worden of in de geest te komen, zo werden zij in het type weggedragen in de
woestijn, voor altijd van de vergadering verwijderd. P.P. 357 E.; P.P. 321 N
De bok voor Azazel, een zinnebeeld van Satan, droeg de schuld van de uitgedelgde
zonde van Israėl weg.
Op de verzoendag ging de hogepriester, nadat hij een offer voor de vergadering
genomen had, in het heilige der heilige met het bloed en sprenkelde dat op het
verzoendeksel, boven de tafelen der wet. Zo werd aan de bepalingen der wet die
het leven van de zondaar eisten voldaan. Daarna nam de priester in zijn karakter
als middelaar de zonden op zich en terwijl hij het heiligdom verliet droeg hij
de last van Israėls schuld. Bij de deur van de tabernakel legde hij zijn handen
op de kop van de zondebok en beleed over hem «al de ongerechtigheden der
kinderen Israėls en al hun overtredingen in al hun zonden; hij zal die op de kop
van de bok leggen». Lev. 16:21. En als de bok die deze zonden droeg was
weggezonden, dan werden zij geacht als voor eeuwig gescheiden van het volk. Zo
werd de dienst verricht die een afbeelding was van de hemelse dingen.
(Hebr. 8:5)
P.P. 320 N.; P.P. 355-356 E.
De zondebok werd weggezonden naar een «afgezonderd land»; evenzo zal Satan, de
schuld dragende van al hun zonden, welke hij Gods volk heeft laten begaan,
duizend jaar lang gebonden worden op de aarde.
G.S. 448; G.C. 485
Want de zonden van hen die verlost zijn door het bloed van Christus, zullen ten
laatste gelegd worden op hem, die de oorsprong van de zonde is en hij moet hun
straf dragen, terwijl degenen die geen verlossing door Jezus aannemen, de straf
van hun eigen zonden zullen dragen.
E.G. 209; E.W. 178
De reiniging van het hemels heiligdom en die van het hart.
Omdat de boeken in de hemel een foto-copy bevatten van de werkelijkheid zoals
die is in de menselijke geest, betekent het uitdelgen in de hemel het uitdelgen
van de nachtmerrie der zonde uit de menselijke geest.
De zonden worden uitgedelgd in de tijd van de late regen.
«Maar de apostel Petrus verklaart uitdrukkelijk dat de zonden van de gelovigen
uitgedelgd worden «wanneer de tijden der verkoeling» zullen gekomen zijn van het
aangezicht des Heren en Hij gezonden zal hebben Christus.» G.C. 485 - G.S. 448
De zonden worden uitgedelgd uit de geest van de waarlijk berouwvoller.
Hun zonden zijn tevoren in het oordeel gegaan en zij kunnen ze zich niet in
herinnering brengen. G.C. 620 - G.S. 572 IV S.P.
437
Zij kunnen zich geen enkele bijzondere zonde voor de geest brengen, maar in hun
hele leven kunnen zij slechts weinig goeds zien. Hun zonden zijn van tevoren
naar het oordeel gegaan en vergiffenis is opgetekend. Hun zonden zijn
weggedragen in het land der vergetelheid en zij kunnen ze zich niet in
herinnering brengen.
III S.G. 135
1 S.P. 124 S.T. 27-1 1-1879
In het oordeel worden de schuldige vlekken
die niet door de vergiffenis weggenomen zijn, weggewassen door het bloed van
Christus.
Goud en zilver zal op die dag geen voldoende losgeld zijn; niets als alleen de
verdiensten van het bloed van Christus zal toereikend zijn om de schuldige
vlekken van de harten der
mensen weg te wassen. R.H. 13-5-1890 (zie het verband onder Dan. 7).
Dit betekent de volkomen reiniging van de zieletempel.
Ernstig en plechtig moeten wij onszelf voorbereiden op de reiniging van de
zieletempel, ons voor ogen houdend dat wij een schouwspel zijn voor de wereld,
de engelen en de mensen. Dit werk wanneer het grondig gedaan wordt, zal het hart
reinigen van alle onenigheid, alle tweedracht en alle wens tot
overheersing. M. S. 14, 1901 (zie het verband onder Dan. 12)
De late regen van de Heilige Geest, die samenvalt met de uitdelging der zonde,
vervolmaakt het beeld van Jezus in de menselijke ziel.
De late regen, die aan het eind van het seizoen valt, rijpt het graan en bereidt
het voor op de sikkel. De Here gebruikt deze werkingen van de natuur om daardoor
het werk van de Heilige Geest uit te beelden... Het rijp worden van het graan
stelt de voltooiing van het werk der genade in de menselijke ziel voor. Door de
kracht van de Heilige Geest zal het morele beeld van God vervolmaakt worden in
het karakter. Wij moeten volledig veranderd worden in de gelijkheid van
Christus.
|
|