|
Johannes de Doper werd door God
onderwezen toen hij in de woestijn
leefde. Hij bestudeerde de
openbaringen van God in de natuur.
Onder leiding van Gods Geest
bestudeerde hij de rollen van de
profeten. Bij dag en bij nacht was
Christus zijn studie en zijn
overdenking, totdat hart, geest en
ziel met het heerlijke beeld vervuld
was.
Hij keek op de Koning in al Zijn
schoonheid waardoor zijn eigen-ik in
het niets verzonk. Als hij de
Majesteit der heiligheid zag, wist hij
dat hij niet geschikt en onwaardig
was. Het was Gods boodschap die hij
verkondigen moest. Alleen in Gods
macht en gerechtigheid kon hij staande
blijven. Hij was gereed om als een
boodschapper van de hemel voort te
gaan, onbevreesd voor de mensheid,
want hij had God gezien. Hij kon
zonder angst in de tegenwoordigheid
van aardse monarchen staan, omdat hij
zich sidderend voor de Koning der
koningen gebogen had.
Johannes verkondigde zijn boodschap
niet met fijn uitgewerkte
bewijsvoeringen of mooi verpakte
theorieën. Schrikaanjagend en streng,
maar toch vol hoop, werd zijn stem uit
de woestijn gehoord: “Bekeert u, want
het Koninkrijk der hemelen is nabij
gekomen.” (Matth. 3:2). Met een
nieuwe, ongewone macht bewoog die
boodschap het volk. De hele natie was
in opschudding gebracht en menigten
dromden naar de woestijn...
In deze tijd, juist voor de tweede
komst van Jezus op de wolken des
hemels, moet een dergelijk werk gedaan
worden zoals Johannes dat deed. God
roept om mensen die een volk
voorbereiden om in de grote dag des
Heren te kunnen bestaan... Als een
volk dat in Christus’ spoedige
verschijning gelooft, moeten we een
boodschap verkondigen: “Bereid u om uw
God te ontmoeten.” (Amos 4:12). Onze
boodschap moet even rechtstreeks zijn
als de boodschap van Johannes. Hij
berispte koningen wegens hun
ongerechtigheid. Alhoewel dit zijn
leven in gevaar bracht, aarzelde hij
niet om Gods Woord te verkondigen. Zo
moet ook ons werk in deze tijd even
trouw gedaan worden.
Om zo’n boodschap als van Johannes te
kunnen brengen, moeten we een
geestelijke ervaring hebben zoals hij
had. Hetzelfde werk moet in ons
verricht worden. We moeten op God zien
en door Hem te aanschouwen, verliezen
we onszelf uit het oog.
(Maranatha p. 116 - E.G. White)
|