You are home- www.agp-internet.com/react- ellenwhite.nl.nu - Themasite Ellen G. White

De Derde Engelboodschap A.T.Jones. deel 2 


    (deel 1 vind men op deze link:
http://www.agp-internet.com/react/sermonnl/atjones01.htm )

 

Laatste gebeurtenissen

 

Wij krijgen steeds weer opnieuw bewijzen dat we in de tegenwoordigheid staan van de gebeurtenissen die het einde van de wereld zullen brengen. Steeds weer opnieuw zijn ons de bewijzen uit de Bijbel en uit de Geest der Profetie voorgehouden, dat het nu de tijd is dat wij de kracht nodig hebben om de boodschap aan de wereld te brengen, waardoor diegenen die willen, gered kunnen worden van de ondergang. Maar de gevaren die ons bedreigen met betrekking tot het einde van de wereld, de vervolgingen, en die dingen van buitenaf, zijn zeer gering vergeleken met de gevaren die iedere persoon in zijn eigen persoonlijke ervaring bedreigen.

 

Het grootste gevaar voor onze gemeente overal is, dat ze niet die dingen zullen zien die hen persoonlijk betreffen, maar dat ze meer zullen kijken naar de dingen die van buiten zijn. Zij zullen meer kijken naar de dingen die buiten zijn en naar de bewijzen van die dingen, dan dat ze zullen willen kijken of hun eigen harten recht zijn voor God. Zij zullen die dingen meer zien als een soort theorie, dan dat ze een levende Christus van binnen willen. opdat zij voorbereid zouden zijn om de dingen van buiten tegemoet te treden in de vreze des Heren en de verlossing van God. Dit is het grootste gevaar voor elke Sabbatvierder in de wereld.

En nu zijn wij in de studie van ons onderwerp gekomen tot dat deel ervan dat ons direct bepaalt bij u en mij als personen – de dingen die u en ik moeten doen, en de dingen die wij van God nodig hebben; deze dingen te zien en ernaar te handelen, met het oog op de verlossing van God is waar wij mee te maken hebben.

 

Om te beginnen wil ik van u vragen om mij niet zo hoog te plaatsen dat ik van u gescheiden zou zijn, boven u zou zijn, alsof ik op u neer zou spreken en mijzelf zou buitensluiten van de dingen die gebracht zullen worden. Ik ben met u in al deze dingen. Ik moet met u, en net zo zeker als u, en net zoveel als u, voorbereid worden om te ontvangen wat God ons wil geven. Wat ik verlang broeders en zusters is eenvoudig samen met u God te zoeken met heel het hart, en alles uit de weg geruimd te hebben, opdat God ons kan geven wat Hij voor ons heeft.

 

De voorbereiding

 

Ik zal beginnen waar we vorige keer zijn geëindigd, van deel 1. De gedachte die wij hadden was, dat de tijd is gekomen waarop God heeft beloofd de vroege en de late regen te zullen geven. De tijd is gekomen dat wij erom moeten vragen en het moeten verwachten.

 

Ik wil een citaat nemen uit “The Ministry of Peter and Conversion of Paul” blz. 9, Na het vertellen over de uitstorting van de Heilige Geest en de Pinksterdag en het resultaat in de bekering van zielen enzovoorts staat er:

 

‘Dit getuigenis met betrekking tot de stichting van de Christelijke gemeente is ons niet slechts als een belangrijk deel van de heilige geschiedenis gegeven, maar ook als een les. Allen die de naam van Christus belijden zouden met één hart moeten wachten, waken en bidden. Alle onenigheden zouden uit de weg moeten worden geruimd, en eenheid en tedere liefde voor elkaar zou alles moeten doordringen. Dan kunnen onze gebeden tezamen opstijgen tot de Vader met sterk, ernstig geloof. Dan mogen wij met geduld en hoop wachten op de vervulling van de belofte.”

 

Wanneer komt “dan”? Wanneer wij wachten, waken en bidden met één hart, en alle onenigheden uit de weg geruimd zijn en eenheid en tedere liefde alles doordringt.

 

Daarom, broeders en zusters, indien er geschillen zijn tussen u en enig mens op deze aarde – of  zij nu hier zijn of niet – is het nu de tijd voor u en mij om die uit de weg te ruimen. Als de persoon nu niet hier is, zodat u naar hem toe kunt gaan om met hem te spreken, dan kunt u hem schrijven en alles vertellen en over uw houding spreken en wat u nu doet. U hebt verder geen verantwoordelijkheid naar hem toe of hij het al dan niet aanneemt. U hebt in de vreze Gods gehandeld in wat Hij u zegt om te doen.

 

(vraag van een toehoorder: “Bedoelt u ook mensen in de wereld, iedereen?) Ja, ik zeg iedereen, want als er zonden zijn tussen mij en mensen die van buiten de gemeente zijn, dan weten zij dat en die onenigheden zullen ons belemmeren om hen te benaderen wanneer wij de boodschap uitdragen, zelfs wanneer God ons zijn Heilige Geest geeft in de uitstorting van de late regen. Ziet u niet dat elke onenigheid, elke vijandigheid, alles van die aard wat tussen mij en iemand van de wereld staat, mij zal belemmeren om hem te benaderen met de boodschap?

 

Als we mensen hebben bedrogen en niet eerlijk zijn geweest in onze omgang met de mensen en niet eerlijk zijn geweest in onze zaken voor de wereld, laat ons dat dan, ter wille van onze zielen, rechtzetten broeders en zusters. Indien u mensen hebt bedrogen ga er dan naar toe en beken het en geef terug wat u gestolen hebt. Indien u in uw zakelijke handelingen niet recht bent geweest, als u iets hebt verkregen door hebzucht, maak het verkeerde dan ongedaan. Sta oprecht voor het aangezicht van God.

 

Er is een woord voor ons:

“Alle onenigheden zouden uit de weg moeten worden geruimd, en eenheid en tedere liefde voor elkaar zou alles moeten doordringen.”

 

Dat is wat de discipelen deden toen zij de Here die tien dagen zochten. Zij ruimden alle onenigheden uit de weg. Denkt u niet, dat gedurende die tien dagen de andere discipelen die zo jaloers waren op Jakobus en Johannes toen zij, door hun moeder, de Heiland vroegen of zij ieder aan een zijde van Hem mochten zitten in het Koninkrijk van God; en de anderen dat niet prettig vonden – denkt u niet, dat zij dat alles uit de weg ruimden, en het beleden, en er over spraken met elkaar en zelf inzagen hoe gemeen het allemaal was?

 

De Heiland nam een klein kind en zei: “Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen.” Dit waren de dingen die zij uit de weg ruimden; die onenigheden en die na-ijver, dat de één groter zou zijn in het Koninkrijk van God dan iemand van de andere discipelen, werden allemaal uit de weg geruimd.

 

En wij hebben een woord dat ons zegt dat deze dingen ook onder ons zijn: het streven naar de hoogste plaats, jaloersheid en na-ijver voor positie. Die dingen zijn onder ons. De tijd is nu gekomen om dit uit de weg te ruimen. De tijd is nu gekomen voor ieder van ons om te

ontdekken hoe diep hij kan zinken aan de voeten van Christus en niet hoe hoog hij kan komen in de Unie of in een bestuur of in achting van mensen.

 

De beloften

 

“Alle onenigheden zouden uit de weg moeten worden geruimd, en eenheid en tedere liefde voor elkaar zou alles moeten doordringen.” Daar dit vooral betrekking heeft op ons als broeders en zusters in de gemeente, betaamt het ons om, als we weten van een geschil tussen ons en enig persoon in de wereld, dat uit de weg te ruimen. Het maakt niet uit wat het zal kosten, dat heeft er niets mee te maken. Het kan ons niet ons leven kosten als we het doen, maar het zal ons het leven kosten als we het niet doen.

 

En wanneer dit gedaan is “dan kunnen onze gebeden tezamen opstijgen tot de Vader met sterk, ernstig geloof.” Ja, wanneer u weet dat u zuiver staat voor Gods aangezicht, dat zover het voor u mogelijk is alles uit de weg geruimd is tussen u en uw broeders en zusters en dat alles wat God u getoond heeft beleden is en wij onszelf voor Hem beschouwen als dwalende, hulpeloze, nietige zondaren die we zijn en onze nood zien en wat Hij heeft om te geven, Dan zijn er al zijn beloften en die zijn voor ons en wij weten dat ze voor ons zijn. Dan kunnen wij daarop vertrouwen en “dan kunnen onze gebeden samen opstijgen tot de Vader met sterk, ernstig geloof. Dan mogen wij met geduld en hoop wachten op de vervulling van de belofte.” Dat is wat er nu moet gebeuren.

 

Ik lees opnieuw op bladzijde 9:

“Het antwoord zou met plotselinge snelheid en overweldigende kracht kunnen komen, of het zou dagen of weken uitgesteld en ons geloof getoetst kunnen worden. Maar God weet hoe en wanneer Hij ons gebed beantwoordt. Het is ons deel van het werk om onszelf in verbinding met het goddelijke kanaal te brengen. God is verantwoordelijk voor zijn deel van het werk. Hij is getrouw die het beloofd heeft. De grote en belangrijke zaak voor ons is om één van hart en geest te zijn, waarbij alle jaloezie en nijd opzij wordt gezet en als nederige smekelingen te wachten en te waken. Jezus, onze Vertegenwoordiger en Hoofd, staat klaar om voor ons te doen wat Hij deed voor de biddende, wakende discipelen met Pinksteren.”

 

Er is nog een gedachte waar wij ernstig bij stil moeten staan:

“Jezus is net zo gewillig om vandaag moed en genade aan zijn volgelingen te schenken als toen aan de discipelen van de eerste gemeente. Niemand zou lichtvaardig een mogelijkheid om te strijden met de overheden en de machten van de duisternis moeten verwelkomen.”

 

Wij moeten hier voorzichtig in gaan, met overleg. Wij moeten er zeker van zijn en de strijd niet aangaan totdat wij weten dat God met ons is, met Gods macht en genade om ons moed en kracht te geven om het hoofd te bieden aan de machten waar wij mee te maken hebben. Dit conflict dat voor ons ligt is geen gemakkelijk iets.

 

“Wanneer God hen gebiedt de strijd aan te gaan zal het de juiste tijd zijn:

Hij zal dan de zwakken en twijfelachtigen vrijmoedigheid geven en een getuigenis ver boven hun hoop of verwachting.”

 

Wat de Here dus wil is dat wij Hem zoeken en wanneer Hij ons dan uitzendt, gaan wij slechts met zijn kracht en genade. Wij lezen op bladzijde 11:

 

“De discipelen en apostelen hadden een grondig besef van hun eigen tekortkomingen en met verootmoediging en gebed verbonden zij hun zwakheid aan zijn kracht, hun onwetendheid aan zijn wijsheid, hun onwaardigheid aan zijn gerechtigheid, hun armoede aan zijn onuitputtelijke rijkdom, Op die manier versterkt en toegerust aarzelden zij niet in het dienstwerk van hun Meester.”

 

Wat een toerusting is dat! Kracht, wijsheid, gerechtigheid en rijkdom! Dat zijn nu juist de dingen die wij nodig hebben ten aanzien van de dingen die tegen ons zijn. Want wij kunnen niet rekenen op enige aardse kracht, noch op enige faam die mensen kunnen geven, noch op enige rijkdom waarin deze wereld kan voorzien.

 

De boodschap aan Laodicea

 

Maar hoe ontvingen zij kracht? Door hun zwakheid te erkennen, hun zwakheid te belijden. Hoe ontvingen zij wijsheid? Door hun onwetendheid te belijden. Hoe ontvingen zij gerechtigheid? Door hun onwaardigheid te belijden. Hoe ontvingen zij onuitputtelijke rijkdom? Door hun armoede te beljden.

 

Dit is dan de toestand waarin wij moeten zijn: ellendig, onwetend, arm, onwaardig en blind. Is dit niet precies wat de boodschap aan Laodicea ons vertelt — dat wij ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt zijn en het niet weten? Dit doet mij denken aan Johannes 9: 41:

“Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zonde.”  Wanneer Jezus ons vertelt dat wij blind zijn, dan moeten wij zeggen: “Here, wij zijn blind.” Hij vertelde die mensen dat zij blind waren en zij waren blind, maar zij zeiden dat het niet zo was. Het was wel zo. Indien zij hun blindheid hadden beleden dan zouden zij God gezien hebben in de genezing van de blind geborene.

 

Wel, broeders en zusters, wat wij moeten doen is de boodschap aan Laodicea onder ogen zien en zeggen dat elk woord wat Hij zegt, ook zo is. Wanneer Hij zegt dat u en ik ellendig zijn, zeg Hem: “Dat is zo,

 

ik ben ellendig; jammerlijk, het is zo, ik ben jammerlijk; arm, het is zo; ik ben arm, een absolute bedelaar, ik zal nooit iets anders zijn in deze wereld; blind, ik ben blind, en ik zal nooit iets anders zijn; naakt, dat is zo; en ik weet het niet, dat is ook zo. Ik weet het helemaal niet zoals ik het zou moeten weten.” En dan zal ik ieder uur en iedere dag tegen Hem zeggen:

 

“Here dat alles is zo; maar, geef mij in plaats van mijn ellende uw eigen voldoening; in plaats van mijn jammerlijkheid, geef mij uw eigen vertroosting; in plaats van mijn armoede, geef al uw eigen rijkdom; in plaats van mijn blindheid, weest U mijn zicht; in plaats van mijn naaktheid, kleedt U mij met Uw eigen gerechtigheid; en wat ik niet weet, Here, leert u mij.”

 

Broeders en zusters, wanneer wij met één hart en één geest tot dat punt komen, zullen wij helemaal geen moeite hebben met berouw. Het zal niet moeilijk zijn om berouw te hebben en er zal geen gebrek aan berouw zijn. Het volgende vers zal in vervulling gaan: “Allen, die Ik liefheb, bestraf Ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u.”

De moeilijkheid waardoor wij niet in staat zijn om ons te bekeren en berouw te hebben, is dat wij niet beleden hebben wat de Here ons gezegd heeft dat de waarheid is. Als ik weet dat ik ellendig ben dan weet ik ook dat ik iets nodig heb dat mij voldoening zal geven, en ik weet dat niets anders dan de Here dat kan schenken en ik vertrouw op niets anders dan op Hem om het te geven; en als ik Hem niet heb dan is er alleen maar ellende. Elk moment dat ik Hem niet heb is er alleen maar ellende; en elk moment dat ik zijn vertroosting niet heb is er alleen maar jammerlijkheid; elk moment dat ik geen absoluut vertrouwen heb in zijn onnaspeurlijke rijkdom ben ik volslagen arm, een volslagen bedelaar; en elk moment dat ik niet inzie en belijd dat ik blind ben en Hem als mijn zicht heb, ben ik in zonde. Dat is wat Hij zegt.

Nu, wanneer u zegt dat u kunt zien, dan blijft uw zonde. En elk moment dat ik mijn naaktheid niet zie en alleen en volledig op Hem vertrouw en zijn gerechtigheid om mij te bekleden ben ik zeker verdorven, volslagen verdorven. Elk moment dat ik begin te zeggen: “nu weet ik zo veel”, nee, ik weet dat helemaal niet. Wat ik moet doen is zeggen:

 

“Here, ik weet het niet, ik ben van u afhankelijk om mij alles te leren, zelfs om mij te leren dat ik ellendig, jammerlijk, arm en blind en naakt ben en dat ik al deze dingen nodig heb. Hij zal het doen. Dat is onze toestand.

 

De versterking door de Heilige Geest

 

Wij lezen in deel 1 van de Testimonies bladzijde 353 het volgende prachtige getuigenis:

 

“Bij de verheerlijking werd Jezus door zijn Vader verheerlijkt. Wij horen Hem zeggen: “Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt.” Zo werd Hij vóór zijn verraad en kruisiging versterkt voor zijn verschrikkelijk lijden. Terwijl de leden van het lichaam van Christus de tijd van hun laatste strijd naderen, ‘de tijd van de Jakobs benauwdheid’, zullen zij opwassen in Christus en in grote mate deel hebben aan zijn Geest. Terwijl de derde engelboodschap aanzwelt tot een luide roep en terwijl grote kracht en heerlijkheid met het afsluitende werk gepaard gaan, zal het getrouwe volk van God deel hebben aan die heerlijkheid. Het is de late regen die hen weer doet opleven en hen versterkt om de tijd van benauwdheid te doorstaan. Hun aangezichten zullen stralen met de heerlijkheid van dat licht dat komt met de derde engel.”

 

Waartoe dient de luide roep? Het moet een werk voor ons doen om ons te versterken voor de tijd van benauwdheid.

 

Wij zullen nu nog verder nadenken over de noodzaak van eenheid. Het volgende is uit een ongepubliceerd getuigenis.

 

“Het is zonde in een of andere vorm, die strijd en onenigheid brengt. De genegenheden moeten veranderen, een persoonlijke ervaring van de vernieuwende kracht van Christus moet verkregen worden. “In wie wij verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving van zonden naar de rijkdom van zijn genade. De apostel die door Gods genade geroepen was, sprak tot de christelijke gelovigen: “Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander; en het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” Hier worden duidelijk voorwaarden gesteld. Wanneer wij wandelen in het licht zoals Hij in het licht is, zullen de resultaten zeker volgen; wij zullen gemeenschap hebben met elkander. Alle jaloersheid en na-ijver en boze vermoedens zullen weggedaan worden. Wij zullen leven als voor het aangezicht van een heilig God.”

 

Dat wil zeggen, wij zullen nu, vandaag, elke dag, leven als voor het aangezicht van een heilig God, want onze gebeden stijgen naar Hem op en brengen zijn aanwezigheid door de uitstorting van de Heilige Geest. En kunnen wij dan achteloos doorgaan op een onverschillige manier, wetende dat er jaloersheid, na-ijver en boze vermoedens zijn?

 

“Het is veel te gebruikelijk geworden om toe te geven aan onze geërfde aanleg en natuurlijke neigingen, zelfs in ons godsdienstige leven. Dit kan nooit vrede en liefde in de ziel brengen, want zij leiden ons altijd weg van God, weg van zijn licht. “Wie Mij volgt zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal

het licht des levens hebben.” Wanneer zich meningsverschillen voordoen tussen de broeders en zusters over het begrijpen van een punt van waarheid is er een bijbels voorschrift om te volgen. Laten broeders en zusters met een geest van nederigheid en liefde voor God samenkomen en, na ernstig gebed en met een ernstig verlangen om Gods wil te kennen, de Bijbel bestuderen met de gezindheid van een klein kind, om te zien hoe dicht ze bij elkaar kunnen komen, zonder iets op te offeren behalve hun zelfzuchtige waardigheid. Zij zouden zichzelf als in de tegenwoordigheid van het hele universum van God moeten beschouwen, die met intense belangstelling toezien terwijl broeder tracht met broeder in overeenstemming te komen en de woorden van Christus te begrijpen, opdat zij daders van het woord zouden zijn en niet alleen hoorders.”

 

Wat is het universum van God aan het doen? Zij zien op u en mij broeders en zusters – zij willen zien dat wij broeders en zusters zijn – dat is wat ze doen. Zij kijken om te zien of wij in overeenstemming komen. Nu, laten zij niet voor niets kijken.

 

Het antwoord op het gebed van Jezus

 

“Wanneer u denkt aan het gebed van Christus dat zijn discipelen één zouden zijn, zoals Hij één is met de Vader, kunt u dan niet inzien hoe intens heel de hemel de gezindheid aanschouwt die u naar elkaar openbaart? Streven diegenen, die zeggen dat ze gered zijn door de gerechtigheid van Christus, met al de hun toevertrouwde vermogens om het gebed van de Heiland te beantwoorden? Zullen zij de Heilige Geest van God bedroeven door toe te geven aan hun eigen ongeheiligde gevoelens, door te strijden voor de oppermacht en zo ver als mogelijk van elkaar af te staan? ..... De ernstige, belangrijke uren die liggen tussen ons en het oordeel moeten niet gebruikt worden om oorlog te voeren met gelovigen.”

 

Broeders, wat hebben wij te maken met kwaadspreken en oorlog tegen elkaar? De duivel voert oorlog tegen onze broeders. Laten wij dat aan hem overlaten. Laten wij onze broeders liefhebben; laat ons naast onze broeders staan. Zelfs wanneer een Zevendedags Adventist een van onze broeders of zusters aanvalt, laat ons hen verdedigen. Laat ons hen verdedigen in de vreze Gods. De reputatie van mijn broeder is belangrijk voor mij, want als iemand de reputatie van mijn broeder bij mij aanvalt, dan zal hij die van mij aanvallen bij mijn broeder. Als ik naar de verhalen van al die dingen over mijn broeders luister, waarom zouden andere mensen daar dan niet naar luisteren over mij? Nee, broeders wij hebben zorg te dragen voor de reputatie van onze broeders en zusters. Wij hebben het recht om deze roddel te bestraffen die tot u en mij komt en dit, dat, of iets anders wil vertellen over de broeders. Wij hebben het recht om het te bestraffen als de geest van Satan.

 

“De ernstige, belangrijke uren die liggen tussen ons en het oordeel moeten niet gebruikt worden om oorlog te voeren met gelovigen, dat is Satans werk, hij begon het in de hemel en hij heeft het met onverminderde energie vol gehouden sinds zijn val. “Indien gij echter elkander bijt en vereet, ziet dan toe, dat gij niet door elkander verslonden wordt.” Laat er in u geen boos hart vol ongeloof zijn. De tijd is gekomen dat de roep van de getrouwe wachter gehoord moet worden, roepend naar zijn mede-wachter:

“Wachter, wat is er van de nacht?” om als antwoord te ontvangen:

“Morgen komt, maar ook nacht.’

 

Het antwoord moet niet zijn: “Ik weet niet wat er van de nacht is.” Het antwoord moet niet zijn: “Ik denk dat u te ver vooruit gaat.”“Ik denk dat u te snel gaat.”“Ik denk dat u extreem bent.” Dat is niet het antwoord. Wanneer de roep uitgaat:

“Wachter, wat is er van de nacht?” is het enige antwoord dat God zal accepteren: “Morgen komt, maar ook nacht.” Laat ons onszelf gereed maken daarvoor.

 

“Zou het niet goed voor ieder van ons persoonlijk zijn om onze eigen positie voor God in het licht van zijn heilig Woord te onderzoeken en ons eigen speciale gevaar te zien!”

 

Niet zien hoe goed we zijn, niet zien hoeveel beter we zijn dan onze broeders, maar “ons eigen speciale gevaar te zien.” Wat is mijn gevaar? Dat is genoeg voor mij om te zien, te waken voor mijn eigen verdorvenheid en niet te waken voor die van andere mensen.

 

“God scheidt Zich niet af van zijn volk, maar zijn volk scheidt zich af van God door hun eigen handelwijze. En ik ken geen grotere zonden in Gods oog dan die van het koesteren van jaloezie en haat ten opzichte van broeders of zusters en het gebruiken van de oorlogswapens tegen hen.” Hoe kan er een grotere zonde zijn? is dat niet de handelwijze van Satan?

 

“Ik wijs mijn broeders op Golgota. Ik vraag u: Wat is de prijs van een mens? Het is de eniggeboren Zoon van de oneindige God. Het is de prijs van alle hemelse schatten.” Dat is de prijs van de mens. Kunnen u of ik dan iemand geringschatten, die God zo op prijs stelt?

 

Iemand voor wie God al de schatten van het universum heeft gegeven. Kan ik hem geringschatten en van nul en generlei waarde zien?  Nee, hij is alles waard wat God voor hem betaalde. Dat is wat God voor u betaalde. Zal ik u klein en gering en goedkoop achten? Nee, ik vraag God om genade om mij in staat te stellen om u alles waard te schatten wat Hij voor u betaald heeft. En ik laat niet toe dat zelfs Zevendedags Adventisten u kleineren in mijn waardering; dat ga ik niet doen. Hoe zou ik kunnen, als ik Christus lief heb die de prijs betaalde?   Broeders, wat nodig is, is de liefde van Christus in onze harten en dan zullen wij al diegenen liefhebben die Hij liefheeft op de manier zoals Hij hen eerst liefhad.

 

“Het kwaad voert voortdurend oorlog tegen het goede. En omdat wij weten dat de strijd met de vorst der duisternis ononderbroken is en hevig moet zijn, laat ons dan verenigd zijn in het oorlogvoeren.” Ja, ik heb de steun van iedereen die Christus heeft gekocht nodig. Ik heb het nodig in het oorlogvoeren; ik heb het nodig om succes te hebben in de oorlog. Ik heb het nodig. En broeders, ik beloof voor God dat u met zijn genade mijn steun zult hebben in uw strijd. Als u overmand wordt zal ik u opheffen. Als u niet verder kunt, zal ik zeggen: “Houd moed mijn broeder.” Als u valt, zal ik zeggen: “Er is verheffing.” Broeders en zusters, wat God wil, is dat wij elkander liefhebben zoals Hij ons heeft liefgehad en wij zullen elkander liefhebben zoals Hij ons heeft liefgehad, wanneer wij Hem hebben – Zijn liefde in onze harten – kunnen wij niets anders doen, en wij zouden niets anders doen al zouden we kunnen.

 

“Houd op te strijden tegen diegenen van uw eigen geloof. Laat niemand Satan helpen in dit werk. Wij hebben al wat wij nodig hebben in een andere richting.” Broeders en zusters laat ons nu samen staan, want het is Gods werk dat Hij met ons wil doen.

 

Ware vrede in Christus

 

“Een lijdzame vroomheid zal niet voldoende zijn in deze tijd; laat de lijdzaamheid geopenbaard worden wanneer dat nodig is, in volharding, vriendelijkheid en geduld.  Maar wij moeten een duidelijke waarschuwingsboodschap aan de wereld brengen. De Vredevorst kondigde zijn werk als volgt aan:

 

“Meent niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.” Het kwaad moet aangevallen worden; leugen en dwaling moeten in hun ware aard tevoorschijn komen; zonde moet afgekeurd worden; en het getuigenis van elke gelovige in de waarheid moet één zijn. Al uw kleine geschillen die voortkomen uit een strijdlustige geest onder broeders en zusters, zijn middelen van Satan om de geest af te leiden van de grote en ontzagwekkende kwestie voor ons.” Zullen wij Satan toestaan om ons te bedriegen? U weet dat het erg is om in de dingen van deze wereld bedrogen te worden; maar wanneer iemand u op de gemeenste, laagste manier bedriegt, dan voelt u zich daar slechter onder dan wanneer hij het op een andere manier had gedaan. Wel Satan verwekt die kleine geschillen die geen enkele verdienste of principe in zich hebben indien zij helemaal doorgevoerd zouden worden. En toch vestigt hij onze aandacht op deze dingen en veroorzaakt een groot oproer in de gemeente en daardoor keert hij onze gedachten af van de ontzagwekkende kwesties die ons boven het hoofd hangen. Nu is het erg genoeg om bedrogen te worden, maar wanneer wij onszelf toestaan om op zulk een gemene, lage, onbetekenende manier bedrogen te worden. is het nog erger. Laat ons er dus mee ophouden.

 

“De ware vrede zal onder Gods volk komen wanneer door eensgezinde ijver en ernstig gebed de valse vrede, die in grote mate bestaat verstoord zal worden …… Diegenen die onder de invloed van de Geest van God zijn zullen niet fanatiek zijn, maar kalm, standvastig, Vrij van buitensporigheid. Maar laat allen die het licht van de waarheid in zuivere en duidelijke stralen op hun pad hebben schijnen, voorzichtig zijn met het roepen van Vrede en veiligheid. Wees voorzichtig met het begin van het onderdrukken van de boodschappen van waarheid.

Wees voorzichtig met welke invloed u in deze tijd uitoefent.  Diegenen die zeggen dat ze de speciale waarheid voor deze tijd geloven, moeten bekeerd en geheiligd zijn door de waarheid. Als christenen zijn wij bewaarders van heilige waarheid gemaakt en wij moeten de waarheid niet in de voorhof houden, maar het in het heiligdom van de ziel brengen. Dan zal de gemeente in zijn geheel goddelijke levenskracht bezitten. De zwakke zal zijn als David, en David als de engel des Heren.” Laat ons onze zwakheid belijden en er zo snel mogelijk achter komen dat we zwak zijn. “De zwakken zullen als David zijn”. en hun zwakheid is verbonden aan de kracht van Christus.

 

“Eén vraag zal alles overheersen – Wie zal het dichtst naderen tot de gelijkenis van Christus?” Dat is het enige, niet wie de grootste zal zijn in de Conferentie, of wie de grootste zal zijn in de gemeente, of wie dit of dat ambt zal hebben in de gemeente. Daar gaat het niet om. Maar, “Wie zal het dichtst naderen tot de gelijkenis van Christus?”

 

“Wie zal het meeste doen om zielen te winnen tot gerechtigheid?

Wanneer dit het streven is van de gelovigen, komt er een einde aan twist; het gebed van Christus is beantwoord. Toen de Heilige Geest werd uitgestort op de eerste gemeente was “de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, één van hart en ziel”. De Geest van Christus maakte hen één. Dit is de vrucht van het blijven in Christus. Maar indien verdeeldheid, na-ijver. jaloezie en strijd de vrucht zijn die wij dragen, is het niet mogelijk dat wij in Christus blijven.”

 

“Jezus verlangt ernaar om de hemelse gave in grote mate te verlenen aan zijn volk... Hoe groot en wijdverspreid moet de macht van de vorst van het kwaad niet zijn, die alleen bedwongen kan worden door de machtige kracht van de Geest. Ontrouw aan God, overtreding in elke vorm, heeft zich over onze wereld verspreid. Diegenen die hun trouw aan God willen bewaren en die actief zijn in zijn dienst zijn het doelwit van iedere pijl en wapen van de hel.” Dat brengt ons tot de les die wij al eerder hebben gehad – dat wij helemaal niet kunnen staan als wij Christus niet hebben.

 

 “Als diegenen die groot licht hebben ontvangen geen overeenstemmend geloof en gehoorzaamheid hebben, worden zij al spoedig besmet met de alom heersende afval; een andere geest overheerst hen. Terwijl zij tot de hemel verheven zijn op het punt van mogelijkheden en voorrechten, zijn zij in een ergere toestand dan de meest ijverige verkondigers van dwaling.”

Diegenen die groot licht hebben ontvangen, als zij geen overeenstemmend geloof en gehoorzaamheid hebben zijn in een ergere toestand dan de meest ijverige verkondigers van dwaling. Dat zijn u en ik. Het oordeel begint bij het huis Gods. Toen die boodschappers door de stad gingen om neer te slaan, werd hen gezegd om bij de oudsten te beginnen die zich vóór de tempel bevonden (Eze. 9: 5-7); en als wij in een ergere toestand zijn dan de meest ijverige verkondigers van dwaling, dan moet het oordeel bij ons beginnen.