You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - De mens geboren...
 
De laatste Generatie    (13)

 

"En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem honderd vier en veertig duizend op wier voorhoofden Zijn naam en de naam Zijns Vaders geschre­ven stonden. En hoorde een stem uit de hemel als de stem van vele wateren en de stem van zware donder. En de stem, die ik hoorde, was als van citerspelers, spelende op hun citers; en zij zongen een nieuw gezang vóór de vier dieren de oudsten; en niemand kon dat gezang le­ren dan de honderd vier en veertig dui­zend, de losgekochten van de aarde. De­zen zijn het, die zich niet met vrouwen hebben bevlekt, want zij zijn maagdelijk. Dezen zijn het die het Lam volgen, waar Hij ook heengaat. Dezen zijn gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam. En in hun mond is geen leugen gevonden; zij zijn onberispelijk." Open­baring 14:1-5.

 

"Het laatste geslacht van Gods volk is een unieke groep onder de verlosten. Zij zingen een nieuw gezang, het lied van een ervaring die geen andere gemeenschap ooit gemaakt heeft. Zij worden de eerstelingen genoemd. Bij het oude Israël moest de landman de eerste rijpe vruchten verza­melen om ze aan de Here voor te stellen. Eerst, nadat hij dit gedaan had, kon de rest geoogst worden. Jezus is de Landman. De rechtvaardige doden van alle eeuwen slapen in het stof der aarde. Jezus kan deze zielenoogst niet in Zijn voorraadschuur brengen, voordat Hij de eerstelingen heeft ingezameld. De eerstelingen zijn het laatste geslacht, dat wil zeggen, dat zij de eerste gemeenschap van Gods volk zijn die tot volledige rijpheid komen, dat betekent, de volmaaktheid bereiken.

 

Volgens de Bijbel is het duidelijk dat zij, die in de Here stierven, deze staat van heiligheid (d.w.z. zondeloze volmaaktheid) gedurende hun leven niet bereikt hebben. De apostel zegt: "In dat geloof zijn dezen allen gestorven... daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot volmaaktheid konden komen (Hebreeën 11:13 en 40). Zij waren wel volmaakt door de toegerekende gerechtigheid van Christus, maar zij namen geen deel aan de ervaring van de laatste uitdelging van zonden en de vervolmakende spade regen. Zij gingen ter ruste in hope. In die fase van het on­derzoekend oordeel, die bestemd is voor de rechtvaardige doden, brengt Christus een uiteindelijke verzoening teweeg over al hun zonden der onwetendheid (Hebreeën 9:7), en delgt het verslag van de zonden van hun leven uit de hemelse boeken. Bij de opstanding der rechtvaardigen zullen deze opstaan in een staat van volkomen heiligheid die hen in het oordeel werd toegerekend. In hen zal het gebed van David vervuld worden: "Ik zal verzadigd worden met uw beeld als ik zal opwaken" (Psalm 17:15 St.Vert.).

 

Met het laatste geslacht, dat niet tot degenen behoren die "in het geloof gestorven zijn", heeft "God iets beters voor". Zij zullen deel hebben aan de zegeningen van het oordeel en de uiteindelijke verzoening, terwijl zij nog op aarde leven en zij zullen de eerste gemeenschap van heili­gen zijn, die een staat van heiligheid bereiken.*

 

Gods Naam Gerechtvaardigd

 

Laten wij nu eens overdenken waarom God het nood­zakelijk acht, om in dit laatste geslacht een groep van vol­maakte heiligen voor te bereiden.

 

Door de hele Bijbel heen wordt ons getoond dat het heiligdom de woonplaats is van Gods naam (Deuteronomium 12:11; 1 Koningen 8:29; 9:3; Psalm 74:7). Door de zonde is niet slechts een plaats verontreinigd, maar Gods naam is gelasterd (Leviticus 20:3; Ezechiël 5:11; Romeinen 2:24). Satan begon dit boze werk van het lasteren van Gods naam door zijn opstand tegen Gods wet.

 

De reiniging van het heiligdom bestaat niet alleen uit het reinigen van een plaats, maar het sluit tevens de "reiniging" van Gods naam in. Het oorspronkelijke woord voor reiniging, dat in Daniël 8:14 gebruikt wordt, betekent rechtvaardigen, ophelderen, in rech­te staat herstellen, enz. De verlossing van Gods volk en het gehele universum hangt af van de rechtvaardi­ging van Gods naam en het rehabiliteren van Zijn wet. Dit is het hoofddoel van het werk dat de reiniging van het heiligdom wordt genoemd. Het betekent: "geeft Hem eer, want de ure van Zijn oordeel is gekomen (Openbaring 14:7).

 

Wij willen ons nog eens bezig houden met het doel van het scheppen van de mens. Er werd een bijzondere aard wezens geschapen, naar Gods evenbeeld, wier bijzondere voorrecht het was om God te verheerlijken. Het was Gods bedoeling dat door de mens een nieuwe openbaring van de liefde en de wijsheid van God aan het universum gegeven zou worden. God schiep de mens om Zijn naam te recht­vaardigen, Zijn wet van blaam te zuiveren en Hem behulp­zaam te zijn, het werk van Satan tot stilstand te brengen. Wanneer de mens dit gedaan heeft, zal hij deel hebben aan de heerlijkheid van Christus en een plaats met Hem op Zijn troon innemen.

 

Het experiment van de mens met de zonde, heeft het goddelijke plan met het scheppen van de mens niet verij­deld. De zelfzuchtige omwegen van de mens om zichzelf te verheerlijken, kon Gods eeuwige doel van de liefde tot het menselijke geslacht niet teniet doen. Zijn ontrouw kon Gods geloof in de mens niet vernietigen, dat de mens ten­slotte toch aan Zijn liefde zou beantwoorden en het werk zal doen waarvoor hij geschapen werd. Dit kan slechts tot stand gebracht worden door een volmaakt volk. De eer van God staat op het spel bij de volmaking der gelovigen. Van­af het begin van de grote strijd heeft Satan beweerd, dat het onmogelijk is om Gods wet te houden. God weerlegt deze bewering met het laatste geslacht, dat door het werk van de reiniging van het heiligdom de volmaaktheid werke­lijk bereikt.

 

"Te dien dage zal wat de Here liet uitspruiten tot sieraad en heerlijkheid zijn, en de vrucht des lands tot glorie en luister voor de ontkomenen van Israël. En het zal geschieden dat wie overgebleven is in Sion, overgelaten in Jeruzalem, heilig zal heten - ieder die in Jeruzalem ten leven is opgeschreven, wanneer de Here het vuil der dochters van Sion zal hebben afge­wassen en de bloedvlekken van Jeruzalem daaruit zal hebben weggespoeld door de Geest van gericht en van uitdelging. Dan zal de Here over het gehele gebied van de berg Sion en over de samenkomsten die daar gehouden worden, des daags een wolk scheppen en des nachts een schijnsel van vlammend vuur, want over al wat heerlijk is, zal een beschutting zijn" (Jesaja 4:2-5).

 

Deze heerlijkheid, die de gelovigen bedekt, is de gave van Zijn Heilige Geest. Rijkelijk, volledig en overvloedig zal deze gave de gelovigen als een vurige muur omgeven, die door de machten der hel niet kan doorbroken worden. Ja, het is het zegel van Gods volmaakte karakter, waar­door de gelovigen de gehele aarde met de heerlijkheid van Zijn liefde zullen verlichten (Openbaring 7:2; 18:1; Eze­chiël 43:1-3). In haar onbesmette reinheid en vlekkeloze volmaaktheid geeft Gods volk een volledige en laatste open­baring van de liefde, barmhartigheid en genade van Chris­tus in een tijd van de donkerste afval en rebellie:

 

"Hierna zag ik een andere engel, die grote macht had, nederdalen uit de hemel, en de aarde werd door zijn lichtglans verlicht. En hij riep met sterke stem, zeggende: Gevallen, gevallen is de grote stad Babylon en zij is geworden een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten, en een schuil­plaats van alle onrein en verfoeid gevogelte, omdat van de wijn van de hartstocht harer hoererij al de volken gedronken hebben en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben en de kooplieden der aarde rijk geworden zijn uit de macht harer weelderigheid. En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeen­schap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen. Want haar zonden hebben zich opgehoopt tot aan de hemel en God heeft aan haar ongerechtigheid gedacht" (Openbaring 18:1-5).

 

"Sta op, wordt verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op. Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Here opgaan en zijn heer­lijkheid zal over u gezien worden. Volken zullen op­gaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang" (Jesaja 60:1-3).

 

Deze teksten tonen aan, dat in een tijd van dichte, geestelijke duisternis en afval de heerlijkheid van God in Zijn volk zal geopenbaard worden. Wanneer de belijdende christelijke kerken door de valse opwekkingen vol duive­len zijn; wanneer zij geestelijke echtbreuk begaan hebben door zich te verenigen met de staat en haar doelstellingen te verwezenlijken; wanneer hun zonden tot aan de hemel reiken, doordat zij een valse sabbat verplichtend maken; ja, wanneer het vervalste christendom de aarde veront­reinigd en verduisterd heeft en Satan in duivels leedver­maak triomfeert, dan wordt Gods naam gerechtvaardigd door een klein overblijfsel dat in het oordeel pleit ter­wijl het zijn eigen verlossing ter wille van Jezus uit het oog verliest. Slechts degenen die een volmaakt karakter bezitten, zullen in deze verschrikkelijke ure kunnen be­staan. God hoort de gebeden van Zijn volk.

 

Machtige engel, nu nederdalen,

Van de opgang van de zon;

Kracht en heerlijkheid uitstralend,

Want de verzegeling begon.

 

Stromen van geestelijke kracht worden op de wach­tende gelovigen uitgestort. De rechtvaardiging der waar­heid gelijkt een stralende middagzon, waardoor de aarde verlicht wordt met Zijn heerlijkheid. Het licht van God dringt door tot de donkerste schuilhoeken der aarde. Een machtige oogst van zielen wordt uit Babylon geroepen en het werk van God gaat met zulk een snelheid, "dat de ploeger zich aansluit bij de maaier, en de druiventreder bij hem die het zaad strooit" (Amos 9:13).

De zonden van Babylon komen zo volledig aan het licht en de waarheid van God wordt zo duidelijk geopenbaard, dat in kort tijds­bestek de bewoners der aarde er toe gebracht worden hun standpunt in te nemen. Zij, die gehoor geven aan de waarschuwingsboodschap zullen verzegeld worden met het overblijfsel. Zij, die de boodschap verwerpen zullen het merkteken van het beest ontvangen, omdat ze de grens der genade hebben overschreden. "Want Hij voleindt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Here zal een afgesneden zaak doen op aarde" (Romeinen 9:28 St. Vert.). "Want wat Hij gesproken heeft, zal de Here doen op aarde, volledig en snel" (Romeinen 9;28 Nieuwe Vert.).

 

De Laatste Openbaring

 

Wanneer God op iedere gelovige in Jezus ziet, en ver­klaren kan: "Hier zijn zij die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus". Wanneer iedere gelovige met het onuitwisbare teken van Gods bescherming verzegeld is, zal de genadetijd eindigen. Het werk van Christus zal voltooid zijn en Hij zal de plechtige aankondiging doen: "Wie on­recht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij wor­de nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer gehei­ligd" (Openbaring 22:11).

 

De genadetijd zal kort voor de wederkomst van Chris­tus afgesloten worden. De Geest van God die door de goddelozen zo voortdurend is weerstaan, zal volledig van de zondaren worden teruggetrokken. Nu vervult zich de ge­beurtenis die gesymboliseerd wordt door het loslaten van de vier winden (Zie Openbaring 7:1-4). Dit vindt plaats, nadat Gods volk verzegeld is en nadat Christus Zijn mid­delaarsambt in het heiligdom hierboven heeft neergelegd.

 

Johannes beschrijft deze periode: "En de tempel werd vervuld met rook vanwege de heerlijkheid Gods en vanwege Zijn kracht; en niemand kon de tempel binnengaan voordat de zeven plagen der zeven engelen voleindigd waren" (Open­baring 15:8). Deze korte periode tussen het afsluiten van
de genadetijd en de komst van Christus, is de tijd van de laatste zeven plagen, waarin "de gramschap Gods volein­digd" is (Openbaring 15:8).

 

De derde engel waarschuwt:
"Indien iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merk­ teken op zijn voorhoofd of aan zijn hand ontvangt, die zal ook drinken van de wijn van Gods gramschap, die onge­mengd is toebereid……" (Openbaring 14:9-10).

 

Het zes­tiende hoofdstuk van Openbaring geeft ons een beknopte be­schrijving van de zeven laatste plagen, die ongemengd met genade op de verwerpers van Gods barmhartigheid vallen.

 

De wraak Gods is niet zoals zo vaak verondersteld wordt, een soort wraakzuchtige vergelding tegenover zondaren. Op Golgotha leed Christus onder de goddelijke toorn. Zijn kreet: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten", toont aan, dat de toorn Gods scheiding van God be­tekent.

In Romeinen, hoofdstuk één, laat de apostel Pau­lus ons zien, dat de toorn Gods daaruit bestaat, dat Hij de mens overgeeft aan de hartstochten van zijn eigen boze hart. Het einde van de genadetijd is niet een willekeurige handeling van Gods zijde. De laatste toets brengt de mens tot een beslissing, of hij van God afhankelijk wil zijn of niet.

God wordt gedwongen, en met tegenzin stemt Hij toe om de schuldige mens over te geven aan de onbeperkte macht van de boosheid van zijn eigen hart. In die tijd zal Satan de volledige controle hebben over de onboetvaardigen en zij zullen geen bescherming hebben in de strijd tegen de begeerten van hun eigen vreselijke hartstochten. Mis­daad, ziekte, bloedvergieten, wetteloosheid, haat en wraakzucht, zullen zich over de wereld uitgieten, als een alles meesleurende stroom.

De verschrikkelijkste daden worden bedreven door mensen, die volledig gescheiden zijn van de weerhoudende goddelijke genade. Dit zal de tijd van benauwdheid zijn, waarover gesproken is door de profeet Daniël. "Een tijd van grote benauwdheid, zoals er niet ge­weest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe" (Daniël 12:1). Dit zal een tijd van onvoorstelbare beproe­ving voor Gods volk zijn, omdat er geen Middelaar meer in het hemelse heiligdom is.

 

"Want zo zegt de Here: angstgeschrei horen wij, schrik en geen heil .... elk gelaat heeft een lijkkleur gekre­gen. Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob maar daaruit zal hij gered worden" (Jeremia 30:5-7).

 

"Ofschoon Noach, Daniël en Job in zijn midden waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Here, zo zij een zoon of een dochter zouden bevrijden! zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden" (Ezechiël 14:20).

 

Het laatste geslacht moet in de tijd van de zeven laat­ste plagen voor het aangezicht van een heilig God leven zonder dat er een Middelaar in het heiligdom is. Alleen zij die het zegel van de levende God bezitten; alleen zij die het beeld van Jezus volkomen weerkaatsen, kunnen in die tijd onder de goedkeuring Gods leven. Daarom is een bijzonder werk van voorbereiding en van volmaking der gelovigen vóór het afsluiten van de genadetijd noodzakelijk.

 

Wat is het doel van deze laatste beproeving voor het verzegelde overblijfsel? Bij het af sluiten van de genadetijd zal het laatste verzoeningswerk voor de rechtvaardige do­den en levenden hebben plaatsgevonden. Doch welke verzekering heeft het universum, dat niemand van degenen die zullen opstaan bij de komst van Jezus, de hemel opnieuw zal verontreinigen met zonde? Omdat zij, die in het geloof stierven, niet in hun leven de zondeloze volmaaktheid bereikten, bleef ook voor de engelen de vraag open, of het bloed van Christus een eeuwig tegengif tegen de zonde is. Hoe konden de verlosten zelfzeker zijn van de werkzaam­heid van het verlossingsplan? Dat alles moet nu bewezen worden en zal ook bewezen worden door het laatste geslacht van Gods volk, dat zonder Middelaar in de tijd der be­nauwdheid zal leven. Zij moeten de grootst mogelijke toets doorstaan die een mens kan verduren. Het zal duidelijk openbaar worden dat niets hen ooit weer tot zonde kan ver­leiden. Deze schaar is Gods bewijs dat de zonde overwon­nen is. Dan heeft God oorzaak om de rechtvaardige doden op te wekken.

 

Door dit gezelschap rechtvaardigt God Zijn regering en wint Zijn twistzaak tegen Satan. De vijand had God be­schuldigd, dat Hij een wet heeft die niet gehouden kan wor­den. Jezus onderwierp Zich aan de zwakheden en beperkin­gen van de mens en hield Gods wet. Maar het is noodzake­lijk, dat niet slechts een afzonderlijk persoon, maar een hele gemeente van Gods volk bewijst, dat hetgeen God  in Christus deed, Hij ook in elk menselijk wezen kan doen, dat zich volledig aan Hem onderwerpt.

 

Gedurende de heerlijkheid die de derde engelboodschap afsluit geeft God dat bewijs. Hij verslaat de Satan en wint een rijke zielenoogst uit het rijk der duisternis. Er moet echter nog meer geopenbaard worden. Zullen de heiligen het Lam volgen waar Hij ook heengaat? Jezus hield niet alleen de geboden van Zijn Vader, toen Deze op een bijzon­dere wijze met Hem was. Hij hield Gods wet ook toen het leek alsof de Vader Hem verlaten had, alle hoop vervlogen scheen en Hij het vooruitzicht op de opstanding vanuit het graf niet meer kon zien. Hij weigerde om aan de liefde van Zijn Vader te twijfelen of Zich over te geven aan de macht van de verzoeker, toen de wil van God zo bitter scheen, toen gehoorzaamheid een eeuwige scheiding van de Vader leek te zijn, toen het terugtrekken van de goddelijke tegenwoordig­heid van Zijn gekwelde ziel de kreet deed ontsnappen: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?" Doch door liet geloof werd Hij overwinnaar!

 

Satan eist, dat het volk van God aan een soortgelijke verzoeking blootgesteld wordt. Hij daagt God uit om de zichtbare tekenen van Zijn welgevallen van hen weg te nemen, zelfs het vooruitzicht op het eeuwige leven. Zullen deze op Job gelijkende gelovigen God om niet blijven dienen? (zie Job 1:9).

Satan insinueert namelijk, dat hun gehoor­zaamheid voortkomt uit de egoïstische hoop om gered te worden. God neemt de uitdaging aan en maakt de eer van Zijn troon afhankelijk van Zijn volk. Hij neemt de zichtbare tekenen van Zijn gunst weg, die hen gedurende de tijd van de spade regen ondersteund hebben. Hij geeft Satan onbeperkte vrijheid hen te verzoeken, doch staat hem niet toe hen liet leven te nemen. Het schijnt, alsof God Zich voor Zijn volk verbergt.

 

Ogenschijnlijk zijn zij overgegeven aan de barm­hartigheid van hun vijanden, om vervolgd, veroordeeld en gedood te worden. Dag en nacht roepen zij tot God om ver­lossing, maar ontvangen geen antwoord. Zij verkeren in grote angst, niet omdat zij de dood of het verlies van het eeuwige leven vrezen, maar omdat zij bang zijn, dat zij falen en de troon van God onteren zullen. Evenals hun Meester verliezen zij hun eigen verlossing uit het oog en dienen God om niet. Satan is niet in staat hen te doen zondi­gen. Door het geloof behalen ze de overwinning over hem, die hen zo lang gevangen heeft gehouden.

"Indien iemand in gevangenschap voert, dan gaat hij in gevangenschap...." (Openbaring 13:10). Satan wordt door Gods volk op het punt gebracht, waar het openbaar wordt dat hij verder geen macht meer over hen heeft. Op deze wijze wordt de werke­lijke zondebok door de "gereedstaande" man weggeleid (Leviticus 16:21). Gods regering is gerechtvaardigd. Hij heeft overwonnen! Het gehele universum is tevredengesteld, de oogst is volkomen rijp, Christus kan komen:

 

"Want de Here Zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achter bleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met den Here wezen" (l Thessalonicenzen 4:16, 17).

 

Op aarde heeft Gods volk over de zonde geheerst. Nu zullen zij de hun aangewezen plaats innemen om met Chris­tus over het universum te heersen. Gods eeuwig doel is verwerkelijkt:

De mens  is  geboren om koning te zijn!!

 

 

* Dit betekent in geen enkel opzicht HEILIG VLEES, of dat iemand leeft door zijn eigen gerechtigheid: maar het betekent te leven door volkomen afhankelijk te zijn van de ge­rechtigheid van God. en te geloven zoals Jezus, toen Hij een gedegenereerd menselijk or­ganisme bezat.