"En ik zag en zie, het Lam
stond op de berg Sion en met Hem honderd vier en veertig duizend op wier
voorhoofden Zijn naam en de naam Zijns Vaders geschreven stonden. En
hoorde een stem uit de hemel als de stem van vele wateren en de stem van
zware donder. En de stem, die ik hoorde, was als van citerspelers,
spelende op hun citers; en zij zongen een nieuw gezang vóór de vier
dieren de oudsten; en niemand kon dat gezang leren dan de honderd vier
en veertig duizend, de losgekochten van de aarde. Dezen zijn het, die
zich niet met vrouwen hebben bevlekt, want zij zijn maagdelijk. Dezen
zijn het die het Lam volgen, waar Hij ook heengaat. Dezen zijn gekocht
uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam. En in hun mond is
geen leugen gevonden; zij zijn onberispelijk." Openbaring 14:1-5.
"Het laatste geslacht van
Gods volk is een unieke groep onder de verlosten. Zij zingen een nieuw
gezang, het lied van een ervaring die geen andere gemeenschap ooit
gemaakt heeft. Zij worden de eerstelingen genoemd. Bij het oude Israël
moest de landman de eerste rijpe vruchten verzamelen om ze aan de Here
voor te stellen. Eerst, nadat hij dit gedaan had, kon de rest geoogst
worden. Jezus is de Landman. De rechtvaardige doden van alle eeuwen
slapen in het stof der aarde. Jezus kan deze zielenoogst niet in Zijn
voorraadschuur brengen, voordat Hij de eerstelingen heeft ingezameld. De
eerstelingen zijn het laatste geslacht, dat wil zeggen, dat zij de
eerste gemeenschap van Gods volk zijn die tot volledige rijpheid komen,
dat betekent, de volmaaktheid bereiken.
Volgens de Bijbel is het
duidelijk dat zij, die in de Here stierven, deze staat van heiligheid
(d.w.z. zondeloze volmaaktheid) gedurende hun leven niet bereikt hebben.
De apostel zegt: "In dat geloof zijn dezen allen gestorven... daar God
iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot volmaaktheid
konden komen (Hebreeën 11:13 en 40). Zij waren wel volmaakt door de
toegerekende gerechtigheid van Christus, maar zij namen geen deel aan de
ervaring van de laatste uitdelging van zonden en de vervolmakende spade
regen. Zij gingen ter ruste in hope. In die fase van het onderzoekend
oordeel, die bestemd is voor de rechtvaardige doden, brengt Christus een
uiteindelijke verzoening teweeg over al hun zonden der onwetendheid
(Hebreeën 9:7), en delgt het verslag van de zonden van hun leven uit de
hemelse boeken. Bij de opstanding der rechtvaardigen zullen deze opstaan
in een staat van volkomen heiligheid die hen in het oordeel werd
toegerekend. In hen zal het gebed van David vervuld worden: "Ik zal
verzadigd worden met uw beeld als ik zal opwaken" (Psalm 17:15 St.Vert.).
Met het laatste
geslacht, dat niet tot degenen behoren die "in het geloof gestorven
zijn", heeft "God iets beters voor". Zij zullen deel hebben aan de
zegeningen van het oordeel en de uiteindelijke verzoening, terwijl zij
nog op aarde leven en zij zullen de eerste gemeenschap van heiligen
zijn, die een staat van heiligheid bereiken.*
Gods Naam Gerechtvaardigd
Laten wij nu eens
overdenken waarom God het noodzakelijk acht, om in dit laatste geslacht
een groep van volmaakte heiligen voor te bereiden.
Door de hele Bijbel heen
wordt ons getoond dat het heiligdom de woonplaats is van Gods naam (Deuteronomium
12:11; 1 Koningen 8:29; 9:3; Psalm 74:7). Door de zonde is niet slechts
een plaats verontreinigd, maar Gods naam is gelasterd (Leviticus 20:3;
Ezechiël 5:11; Romeinen 2:24). Satan begon dit boze werk van het
lasteren van Gods naam door zijn opstand tegen Gods wet.
De reiniging van het
heiligdom bestaat niet alleen uit het reinigen van een plaats, maar het
sluit tevens de "reiniging" van Gods naam in. Het oorspronkelijke woord
voor reiniging, dat in Daniël 8:14 gebruikt wordt, betekent
rechtvaardigen, ophelderen, in rechte staat herstellen, enz.
De verlossing van Gods volk en het gehele universum hangt af van de
rechtvaardiging van Gods naam en het rehabiliteren van Zijn wet. Dit is
het hoofddoel van het werk dat de reiniging van het heiligdom wordt
genoemd. Het betekent: "geeft Hem eer, want de ure van Zijn oordeel is
gekomen (Openbaring 14:7).
Wij willen ons nog eens
bezig houden met het doel van het scheppen van de mens. Er werd een
bijzondere aard wezens geschapen, naar Gods evenbeeld, wier bijzondere
voorrecht het was om God te verheerlijken. Het was Gods bedoeling dat
door de mens een nieuwe openbaring van de liefde en de wijsheid van God
aan het universum gegeven zou worden. God schiep de mens om Zijn naam te
rechtvaardigen, Zijn wet van blaam te zuiveren en Hem behulpzaam te
zijn, het werk van Satan tot stilstand te brengen. Wanneer de mens dit
gedaan heeft, zal hij deel hebben aan de heerlijkheid van Christus en
een plaats met Hem op Zijn troon innemen.
Het experiment van de mens
met de zonde, heeft het goddelijke plan met het scheppen van de mens
niet verijdeld. De zelfzuchtige omwegen van de mens om zichzelf te
verheerlijken, kon Gods eeuwige doel van de liefde tot het menselijke
geslacht niet teniet doen. Zijn ontrouw kon Gods geloof in de mens niet
vernietigen, dat de mens tenslotte toch aan Zijn liefde zou
beantwoorden en het werk zal doen waarvoor hij geschapen werd. Dit kan
slechts tot stand gebracht worden door een volmaakt volk. De eer van God
staat op het spel bij de volmaking der gelovigen. Vanaf het begin van
de grote strijd heeft Satan beweerd, dat het onmogelijk is om Gods wet
te houden. God weerlegt deze bewering met het laatste geslacht, dat door
het werk van de reiniging van het heiligdom de volmaaktheid werkelijk
bereikt.
"Te dien dage zal wat de
Here liet uitspruiten tot sieraad en heerlijkheid zijn, en de vrucht des
lands tot glorie en luister voor de ontkomenen van Israël. En het zal
geschieden dat wie overgebleven is in Sion, overgelaten in Jeruzalem,
heilig zal heten - ieder die in Jeruzalem ten leven is opgeschreven,
wanneer de Here het vuil der dochters van Sion zal hebben afgewassen en
de bloedvlekken van Jeruzalem daaruit zal hebben weggespoeld door de
Geest van gericht en van uitdelging. Dan zal de Here over het gehele
gebied van de berg Sion en over de samenkomsten die daar gehouden
worden, des daags een wolk scheppen en des nachts een schijnsel van
vlammend vuur, want over al wat heerlijk is, zal een beschutting zijn" (Jesaja
4:2-5).
Deze heerlijkheid, die de
gelovigen bedekt, is de gave van Zijn Heilige Geest. Rijkelijk, volledig
en overvloedig zal deze gave de gelovigen als een vurige muur omgeven,
die door de machten der hel niet kan doorbroken worden. Ja, het is het
zegel van Gods volmaakte karakter, waardoor de gelovigen de gehele
aarde met de heerlijkheid van Zijn liefde zullen verlichten (Openbaring
7:2; 18:1; Ezechiël 43:1-3). In haar onbesmette reinheid en vlekkeloze
volmaaktheid geeft Gods volk een volledige en laatste openbaring van de
liefde, barmhartigheid en genade van Christus in een tijd van de
donkerste afval en rebellie:
"Hierna zag ik een andere
engel, die grote macht had, nederdalen uit de hemel, en de aarde werd
door zijn lichtglans verlicht. En hij riep met sterke stem, zeggende:
Gevallen, gevallen is de grote stad Babylon en zij is geworden een
woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten, en
een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte, omdat van de
wijn van de hartstocht harer hoererij al de volken gedronken hebben en
de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben en de kooplieden der
aarde rijk geworden zijn uit de macht harer weelderigheid. En ik hoorde
een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, mijn volk, opdat
gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar
plagen. Want haar zonden hebben zich opgehoopt tot aan de hemel en God
heeft aan haar ongerechtigheid gedacht" (Openbaring 18:1-5).
"Sta op, wordt verlicht,
want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op. Want
zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over
u zal de Here opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.
Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende
opgang" (Jesaja 60:1-3).
Deze teksten tonen aan,
dat in een tijd van dichte, geestelijke duisternis en afval de
heerlijkheid van God in Zijn volk zal geopenbaard worden. Wanneer de
belijdende christelijke kerken door de valse opwekkingen vol duivelen
zijn; wanneer zij geestelijke echtbreuk begaan hebben door zich te
verenigen met de staat en haar doelstellingen te verwezenlijken; wanneer
hun zonden tot aan de hemel reiken, doordat zij een valse sabbat
verplichtend maken; ja, wanneer het vervalste christendom de aarde
verontreinigd en verduisterd heeft en Satan in duivels leedvermaak
triomfeert, dan wordt Gods naam gerechtvaardigd door een klein
overblijfsel dat in het oordeel pleit terwijl het zijn eigen verlossing
ter wille van Jezus uit het oog verliest. Slechts degenen die een
volmaakt karakter bezitten, zullen in deze verschrikkelijke ure kunnen
bestaan. God hoort de gebeden van Zijn volk.
Machtige engel, nu
nederdalen,
Van de opgang van de zon;
Kracht en heerlijkheid
uitstralend,
Want de verzegeling begon.
Stromen van geestelijke
kracht worden op de wachtende gelovigen uitgestort. De rechtvaardiging
der waarheid gelijkt een stralende middagzon, waardoor de aarde
verlicht wordt met Zijn heerlijkheid. Het licht van God dringt door tot
de donkerste schuilhoeken der aarde. Een machtige oogst van zielen wordt
uit Babylon geroepen en het werk van God gaat met zulk een snelheid,
"dat de ploeger zich aansluit bij de maaier, en de druiventreder bij hem
die het zaad strooit" (Amos 9:13).
De zonden van Babylon
komen zo volledig aan het licht en de waarheid van God wordt zo
duidelijk geopenbaard, dat in kort tijdsbestek de bewoners der aarde er
toe gebracht worden hun standpunt in te nemen. Zij, die gehoor geven aan
de waarschuwingsboodschap zullen verzegeld worden met het overblijfsel.
Zij, die de boodschap verwerpen zullen het merkteken van het beest
ontvangen, omdat ze de grens der genade hebben overschreden. "Want Hij
voleindt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Here zal
een afgesneden zaak doen op aarde" (Romeinen 9:28 St. Vert.). "Want wat
Hij gesproken heeft, zal de Here doen op aarde, volledig en snel"
(Romeinen 9;28 Nieuwe Vert.).
De Laatste Openbaring
Wanneer God op iedere
gelovige in Jezus ziet, en verklaren kan: "Hier zijn zij die de geboden
Gods bewaren en het geloof van Jezus". Wanneer iedere gelovige met het
onuitwisbare teken van Gods bescherming verzegeld is, zal de genadetijd
eindigen. Het werk van Christus zal voltooid zijn en Hij zal de
plechtige aankondiging doen: "Wie onrecht doet, hij doe nog meer
onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij
bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer
geheiligd" (Openbaring 22:11).
De genadetijd zal kort
voor de wederkomst van Christus afgesloten worden. De Geest van God die
door de goddelozen zo voortdurend is weerstaan, zal volledig van de
zondaren worden teruggetrokken. Nu vervult zich de gebeurtenis die
gesymboliseerd wordt door het loslaten van de vier winden (Zie
Openbaring 7:1-4). Dit vindt plaats, nadat Gods volk verzegeld is en
nadat Christus Zijn middelaarsambt in het heiligdom hierboven heeft
neergelegd.
Johannes beschrijft deze
periode: "En de tempel werd vervuld met rook vanwege de heerlijkheid
Gods en vanwege Zijn kracht; en niemand kon de tempel binnengaan voordat
de zeven plagen der zeven engelen voleindigd waren" (Openbaring 15:8).
Deze korte periode tussen het afsluiten van
de genadetijd en de komst van Christus, is de tijd van de laatste zeven
plagen, waarin "de gramschap Gods voleindigd" is (Openbaring 15:8).
De derde engel waarschuwt:
"Indien iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merk teken op
zijn voorhoofd of aan zijn hand ontvangt, die zal ook drinken van de
wijn van Gods gramschap, die ongemengd is toebereid……" (Openbaring
14:9-10).
Het zestiende hoofdstuk
van Openbaring geeft ons een beknopte beschrijving van de zeven laatste
plagen, die ongemengd met genade op de verwerpers van Gods
barmhartigheid vallen.
De wraak Gods is niet
zoals zo vaak verondersteld wordt, een soort wraakzuchtige vergelding
tegenover zondaren. Op Golgotha leed Christus onder de goddelijke toorn.
Zijn kreet: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten", toont
aan, dat de toorn Gods scheiding van God betekent.
In Romeinen, hoofdstuk
één, laat de apostel Paulus ons zien, dat de toorn Gods daaruit
bestaat, dat Hij de mens overgeeft aan de hartstochten van zijn eigen
boze hart. Het einde van de genadetijd is niet een willekeurige
handeling van Gods zijde. De laatste toets brengt de mens tot een
beslissing, of hij van God afhankelijk wil zijn of niet.
God wordt gedwongen, en
met tegenzin stemt Hij toe om de schuldige mens over te geven aan de
onbeperkte macht van de boosheid van zijn eigen hart. In die tijd zal
Satan de volledige controle hebben over de onboetvaardigen en zij zullen
geen bescherming hebben in de strijd tegen de begeerten van hun eigen
vreselijke hartstochten. Misdaad, ziekte, bloedvergieten,
wetteloosheid, haat en wraakzucht, zullen zich over de wereld uitgieten,
als een alles meesleurende stroom.
De verschrikkelijkste
daden worden bedreven door mensen, die volledig gescheiden zijn van de
weerhoudende goddelijke genade. Dit zal de tijd van benauwdheid zijn,
waarover gesproken is door de profeet Daniël. "Een tijd van grote
benauwdheid, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op
die tijd toe" (Daniël 12:1). Dit zal een tijd van onvoorstelbare
beproeving voor Gods volk zijn, omdat er geen Middelaar meer in het
hemelse heiligdom is.
"Want zo zegt de Here:
angstgeschrei horen wij, schrik en geen heil .... elk gelaat heeft een
lijkkleur gekregen. Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd
van benauwdheid is het voor Jakob maar daaruit zal hij gered worden" (Jeremia
30:5-7).
"Ofschoon Noach, Daniël en
Job in zijn midden waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Here, zo
zij een zoon of een dochter zouden bevrijden! zij zouden alleen hun ziel
door hun gerechtigheid bevrijden" (Ezechiël 14:20).
Het laatste geslacht moet
in de tijd van de zeven laatste plagen voor het aangezicht van een
heilig God leven zonder dat er een Middelaar in het heiligdom is. Alleen
zij die het zegel van de levende God bezitten; alleen zij die het beeld
van Jezus volkomen weerkaatsen, kunnen in die tijd onder de goedkeuring
Gods leven. Daarom is een bijzonder werk van voorbereiding en van
volmaking der gelovigen vóór het afsluiten van de genadetijd
noodzakelijk.
Wat is het doel van deze
laatste beproeving voor het verzegelde overblijfsel? Bij het af sluiten
van de genadetijd zal het laatste verzoeningswerk voor de rechtvaardige
doden en levenden hebben plaatsgevonden. Doch welke verzekering heeft
het universum, dat niemand van degenen die zullen opstaan bij de komst
van Jezus, de hemel opnieuw zal verontreinigen met zonde? Omdat zij, die
in het geloof stierven, niet in hun leven de zondeloze volmaaktheid
bereikten, bleef ook voor de engelen de vraag open, of het bloed van
Christus een eeuwig tegengif tegen de zonde is. Hoe konden de verlosten
zelfzeker zijn van de werkzaamheid van het verlossingsplan? Dat alles
moet nu bewezen worden en zal ook bewezen worden door het laatste
geslacht van Gods volk, dat zonder Middelaar in de tijd der benauwdheid
zal leven. Zij moeten de grootst mogelijke toets doorstaan die een mens
kan verduren. Het zal duidelijk openbaar worden dat niets hen ooit weer
tot zonde kan verleiden. Deze schaar is Gods bewijs dat de zonde
overwonnen is. Dan heeft God oorzaak om de rechtvaardige doden op te
wekken.
Door dit gezelschap
rechtvaardigt God Zijn regering en wint Zijn twistzaak tegen Satan. De
vijand had God beschuldigd, dat Hij een wet heeft die niet gehouden kan
worden. Jezus onderwierp Zich aan de zwakheden en beperkingen van de
mens en hield Gods wet. Maar het is noodzakelijk, dat niet slechts een
afzonderlijk persoon, maar een hele gemeente van Gods volk bewijst, dat
hetgeen God in Christus deed, Hij ook in elk menselijk wezen kan doen,
dat zich volledig aan Hem onderwerpt.
Gedurende de heerlijkheid
die de derde engelboodschap afsluit geeft God dat bewijs. Hij verslaat
de Satan en wint een rijke zielenoogst uit het rijk der duisternis. Er
moet echter nog meer geopenbaard worden. Zullen de heiligen het Lam
volgen waar Hij ook heengaat? Jezus hield niet alleen de geboden van
Zijn Vader, toen Deze op een bijzondere wijze met Hem was. Hij hield
Gods wet ook toen het leek alsof de Vader Hem verlaten had, alle hoop
vervlogen scheen en Hij het vooruitzicht op de opstanding vanuit het
graf niet meer kon zien. Hij weigerde om aan de liefde van Zijn Vader te
twijfelen of Zich over te geven aan de macht van de verzoeker, toen de
wil van God zo bitter scheen, toen gehoorzaamheid een eeuwige scheiding
van de Vader leek te zijn, toen het terugtrekken van de goddelijke
tegenwoordigheid van Zijn gekwelde ziel de kreet deed ontsnappen: "Mijn
God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?" Doch door liet geloof werd
Hij overwinnaar!
Satan eist, dat het volk
van God aan een soortgelijke verzoeking blootgesteld wordt. Hij daagt
God uit om de zichtbare tekenen van Zijn welgevallen van hen weg te
nemen, zelfs het vooruitzicht op het eeuwige leven. Zullen deze op Job
gelijkende gelovigen God om niet blijven dienen? (zie Job 1:9).
Satan insinueert namelijk,
dat hun gehoorzaamheid voortkomt uit de egoïstische hoop om gered te
worden. God neemt de uitdaging aan en maakt de eer van Zijn troon
afhankelijk van Zijn volk. Hij neemt de zichtbare tekenen van Zijn gunst
weg, die hen gedurende de tijd van de spade regen ondersteund hebben.
Hij geeft Satan onbeperkte vrijheid hen te verzoeken, doch staat hem
niet toe hen liet leven te nemen. Het schijnt, alsof God Zich voor Zijn
volk verbergt.
Ogenschijnlijk zijn zij
overgegeven aan de barmhartigheid van hun vijanden, om vervolgd,
veroordeeld en gedood te worden. Dag en nacht roepen zij tot God om
verlossing, maar ontvangen geen antwoord. Zij verkeren in grote angst,
niet omdat zij de dood of het verlies van het eeuwige leven vrezen, maar
omdat zij bang zijn, dat zij falen en de troon van God onteren zullen.
Evenals hun Meester verliezen zij hun eigen verlossing uit het oog en
dienen God om niet. Satan is niet in staat hen te doen zondigen. Door
het geloof behalen ze de overwinning over hem, die hen zo lang gevangen
heeft gehouden.
"Indien iemand in
gevangenschap voert, dan gaat hij in gevangenschap...." (Openbaring
13:10). Satan wordt door Gods volk op het punt gebracht, waar het
openbaar wordt dat hij verder geen macht meer over hen heeft. Op deze
wijze wordt de werkelijke zondebok door de "gereedstaande" man
weggeleid (Leviticus 16:21). Gods regering is gerechtvaardigd. Hij heeft
overwonnen! Het gehele universum is tevredengesteld, de oogst is
volkomen rijp, Christus kan komen:
"Want de Here Zelf zal op
een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener
bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven
zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achter
bleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de
Here tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met den Here wezen"
(l Thessalonicenzen 4:16, 17).
Op aarde heeft Gods volk
over de zonde geheerst. Nu zullen zij de hun aangewezen plaats innemen
om met Christus over het universum te heersen. Gods eeuwig doel is
verwerkelijkt:
De mens is geboren om
koning te zijn!!
*
Dit betekent in geen
enkel opzicht HEILIG VLEES, of dat iemand leeft door zijn eigen
gerechtigheid: maar het betekent te leven door volkomen afhankelijk te
zijn van de gerechtigheid van God. en te geloven zoals Jezus, toen Hij
een gedegenereerd menselijk organisme bezat.