"En ik zag een andere engel vliegen in het midden des hemels en
hij had een eeuwig evangelie, om dat te verkondigen aan hen, die op aarde
gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie; en hij zeide met
luider stem:
Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van Zijn oordeel is gekomen, en
aanbidt Hem, die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt
heeft." Openbaring 14:6-7
Het christelijke tijdperk
sluit af met het uur van Gods oordeel voor Zijn belijdend volk. In het
heilige der heilige van het hemelse heiligdom vindt dit oordeel voor Gods
heilige wet plaats.
Dit is in overeenstemming
met de aard van de dienst in het aardse heiligdom. Gedurende het gehele
jaar waren de zonden van de berouwvolle Israëlieten door het bloed van de
zondoffers overgedragen op het heiligdom. Dit betekende dat er een
opeenhoping van zonden ontstond in het heiligdom en dat de heilige
plaatsen verontreinigd werden. Het hoogtepunt van de jaarlijkse reeks van
diensten was een speciaal verzoeningswerk om het heiligdom te reinigen
van de zonden van Israël. Bij deze gelegenheid ging de hogepriester het
heilige der heilige binnen om voor Gods wet en de onmetelijke heerlijkheid
van de Rechter van Israël te staan. Buiten de omheining van de voorhof
vastte en bad de gehele vergadering en verootmoedigden hun zielen. Als ze
door God werden aangenomen door de bemiddeling van hun priester, werden
hun zonden tenslotte teniet gedaan door ze over te brengen van het
heiligdom op de kop van de zondebok die ze uit het kamp wegdroeg. Als ze
zich niet voor God verootmoedigden, terwijl zij zich de zonden van het
afgelopen jaar herinnerden, keerden deze zonden op hen terug en werden zij
uit het volk uitgeroeid (Leviticus 16 en 23:27-32). Zoals we reeds
opmerkten wordt deze dag door vrome Joden ook nu nog jaarlijks herdacht,
als Yom Kippur, de oordeelsdag.
De enigen die aandeel hadden
aan de dienst van de reiniging van het heiligdom, waren diegenen die voor
God verschenen om hun zonden te belijden en over te brengen op het
heiligdom. Zo heeft ook de reiniging van het hemelse heiligdom alleen
betrekking op het belijdende volk van God. Zoals de hogepriester bij het
binnengaan in het heilige der heilige de borstplaat des gerichts droeg,
met daarop de namen van de stammen van Israël (zie Exodus 28:29 St. Vert.),
zo moeten ook diegenen wier namen in het boek des levens staan, aan God
voorbijgaan. Het oordeel van de goddelozen is een andere en afzonderlijke
gebeurtenis, die op een later tijdstip plaatsvindt. De apostel Petrus
zegt: "Want het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint,
wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie
Gods? (1 Petrus 4:17).
In de dienst zoals die
vroeger plaats vond, werd het volk van Israël door het blazen van de
ramshoorn opgeroepen om in het oordeel te verschijnen. Dit alles was
slechts een voorafschaduwing van de grote boodschap aan het eind van de
christelijke bedeling: "Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van Zijn
oordeel is gekomen" (Openbaring 14:7). Dit is de tijd waarin het ware
heiligdom in de hemel gereinigd moet worden van de zonden van het volk.
Wanneer iemand zou vragen: "Kan het zijn, dat er in de hemel iets
gereinigd moet worden?", antwoorden wij met de apostel Paulus:
"Noodzakelijk moesten dus hiermede de afbeeldingen van de hemelse dingen
gereinigd worden (door het bloed van dieren), maar de hemelse dingen met
betere offeranden dan deze" (Hebreeën 9:23). Hetgeen zinnebeeldig in de
aardse tabernakel plaats vond, vindt in werkelijkheid in het hemelse
heiligdom plaats.
Het boek Daniël bewijst de
chronologie van dit oordeelsuur en geeft ons de juiste datum van het
begin van de reiniging van het hemelse heiligdom. Het is goed en
noodzakelijk dat we deze dingen verstaan, die "ons en onze kinderen
geopenbaard zijn" (Deuteronomium 29:29). Laten wij daarom voortgaan om
dit uur van het oordeel vast te stellen.
De Vier Koninkrijken van de
Bijbelse Profetie
"Daniël hief aan en zeide:
Ik had in de nacht een gezicht en zie, de vier winden des hemels brachten
de grote zee in beroering, en vier grote dieren stegen uit de zee op, het
ene verschillend van het andere.
Het eerste geleek op een
leeuw, en het had adelaarsvleugels. Terwijl ik bleef toezien, werden het
de vleugels uitgerukt, en werd het van de grond opgeheven en op twee
voeten overeind gezet als een mens, en werd het een mensenhart gegeven.
En zie, een ander dier, het
tweede, geleek op een beer; het richtte zich op de ene zijde op, en drie
ribben waren in zijn muil tussen zijn tanden; en men sprak tegen hem
aldus: sta op, eet veel vlees.
Daarna zag ik, en zie, een
ander dier, gelijk een panter; het had vier vogelvleugels op zijn rug en
vier koppen. En aan hem werd heerschappij gegeven.
Daarna zag ik in de
nachtgezichten en zie, een vierde dier, vreselijk, schrikwekkend en
geweldig sterk; het had grote, ijzeren tanden: het at en vermaalde, en wat
overbleef, vertrad het met zijn poten; en dit dier verschilde van alle
vorige, en het had tien horens.
Terwijl ik op die horens
lette, zie, daartussen verhief zich een andere kleine horen, en drie van
de vorige horens werden daarvoor uitgerukt; en zie, in die horen waren
ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.
Terwijl ik bleef toekijken,
werden tronen opgesteld, en een Oude van dagen zette Zich neder; zijn
kleed was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol; zijn troon
bestond uit vuurvlammen, de raderen daarvan uit laaiend vuur; en een
stroom van vuur welde op en vloeide voor hem uit; duizendmaal duizenden
dienden hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem. De
vierschaar zette zich neder en de boeken werden geopend.
Toen keek ik toe vanwege het
geluid der grote woorden welke de horen sprak; terwijl ik bleef toekijken,
werd het dier gedood, zijn lichaam werd vernietigd en prijsgegeven aan de
brand van het vuur. Ook aan de overige dieren werd de heerschappij
ontnomen, en hun werd een levensduur gegeven tot tijd en wijle.
Ik bleef toekijken in de
nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een
mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor
deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en
alle volken, natien en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige
heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat
onverderfelijk is. De geest van mij, Daniel, was ontroerd in mijn
binnenste, en de gezichten die mij voor ogen waren gekomen, ontstelden
mij.
Ik naderde een van hen die
daar stonden, en vroeg hem de ware zin van dit alles, en hij sprak tot mij
en gaf mij de uitlegging daarvan te kennen: die grote dieren, die vier,
zijn vier koningen die uit de aarde zullen opkomen; daarna zullen de
heiligen des Allerhoogsten het koningschap ontvangen, en zij zullen het
koningschap bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der
eeuwigheden.
Toen wilde ik de ware zin
weten van het vierde dier, dat van die alle verschilde, dat buitengewoon
vreselijk was met zijn ijzeren tanden en zijn koperen klauwen, dat at en
vermaalde en wat overbleef met zijn poten vertrad, en van de tien horens,
welke op zijn kop waren, en van die andere, die zich verhief en waarvoor
er drie uitvielen, terwijl deze horen met ogen en een mond vol
grootspraak, er groter uitzag dan de andere.
Ik zag, dat die horen strijd
voerde tegen de heiligen en hen overmocht, totdat de Oude van dagen kwam
en recht verschaft werd aan de heiligen des Allerhoogsten en de tijd
naderde, dat de heiligen het koningschap in bezit kregen.
Hij sprak aldus: Dat vierde
dier is het vierde koninkrijk, dat op aarde zal zijn, dat verschillen zal
van alle andere koninkrijken, en dat de gehele aarde zal verslinden en
haar zal vertreden en vermorzelen.
En de tien horens; uit dat
koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en na hen zal een ander opstaan;
die zal van de vorige verschillen en drie koningen ten val brengen.
Hij zal woorden spreken
tegen de Allerhoogste, en de heiligen des Allerhoogsten te gronde richten;
hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen, en zij zullen in zijn
macht gegeven worden voor een tijd en tijden en een halve tijd; dan zal de
vierschaar zich nederzetten, en men zal hem de heerschappij ontnemen en
hem verdelgen en vernietigen tot het einde. En het koningschap, de macht
en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden
aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten: zijn koningschap is een
eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen."
Daniël 7:2-27.
Dit Schriftgedeelte omvat de
wereldgeschiedenis vanaf de tijd van Daniël tot aan de tijd van het
oordeel. Onder de symbolen van de leeuw, de beer, de panter en het grote
verschrikkelijke beest worden we bepaald bij de vier grote koninkrijken
van de bijbelse profetie - Babylon, Medo Perzië, Griekenland en Rome. De
wereldgeschiedenis bevestigt de juistheid van de symbolen en hun details.
Rome werd niet opgevolgd door een ander universeel imperium, maar werd
verdeeld in tien koninkrijken. In de vierde en vijfde eeuw na
Christus werd het Romeinse rijk verpletterd door de invallen van de
Barbaren. De belangrijksten van hen - de Oostgoten, Westgoten, Franken,
Vandalen, Sueven, Allemagnes, Angelsaksen, Herulen, Lombarden en
Bougondiërs - aanvaardden de Romeinse beschaving en werden de natiën
van West-Europa. Vandaar het symbool van de tien horens die
voortkwamen uit het vierde beest.
Een Andere Horen
Dan toont deze profetie dat
uit deze Europese natiën een andere macht opkwam, eerst klein, maar een
macht die spoedig oprees om de natiën van Europa te overheersen. In deze
macht leefde in het bijzonder de geest en de macht van het oude Rome
voort. We behoeven niet te gissen op wie het symbool van toepassing is. De
profetie beschrijft het zo:
1. Het kwam op uit de
natiën van West Europa (vers 8).
2. Het was eerst een
geringere macht tussen de Barbaarse koninkrijken (vers 8).
3. Het werd de grootste
macht van West Europa (verzen 8,20,24).
4. Het was zeer
verschillend van de andere machten en het is bewezen dat het een politiek
- religieuze macht was (verzen 20, 21, 24, 25).
5. Het roeide drie
Barbaarse natiën uit (verzen 8, 20, 24).
De geschiedenis zegt
dat inderdaad drie van de oorspronkelijke Barbaarse koninkrijken uit
Europa verdwenen. Het waren de Herulen, de Vandalen en de Oostgoten. Deze
omverwerping kwam op de volgende wijze tot stand: Al de Barbaarse
koninkrijken accepteerden het katholieke geloof, uitgezonderd de drie
bovengenoemden. Deze aanvaardden de Ariaanse geloofsbelijdenis
* en weigerden de
opperheerschappij van Rome te erkennen. De geschiedenis verhaalt ons dat
de keizers van Constantinopel op aansporing van de bisschop van Rome, de
Herulen in 493 n. Chr., de Vandalen in 534 n. Chr. uitroeiden en de
Oostgoten in 538 n. Chr. uit Rome verdreven.
6. Het werd een
vervolgende macht (vers 21,25). Die macht wordt beschreven als één die
trachtte het ware christendom van de aarde uit te roeien. Men schat dat
drie miljoen christenen tijdens het Rome van de Cesars omkwamen.
Nochtans wordt er gezegd dat de eerste christenen baden voor het
voortbestaan van het keizerlijke Rome, daar ze begrepen dat uit de ruïnes
van het oude Rome, een nieuwe vorm van bestuur zou tevoorschijn komen, die
de vervolgingen van het heidense Rome verre zou overtreffen. De meest
betrouwbare historici uit de middeleeuwen schatten dat in deze periode
niet minder dan vijftig miljoen mensen om godsdienstige redenen door het
geestelijk Rome ter dood werden gebracht. Dit was zonder twijfel de grote
verdrukking waarop Jezus in Mattheus 24:21-22 doelt.
7. Deze macht veranderde de
wet van God. De Engelse herziene vertaling geeft vers 25 als volgt weer:
"Hij zal denken de tijden en de wet te veranderen". Uit het verband blijkt
duidelijk dat naar de goddelijke wet verwezen wordt,
want alle regeringen veranderen hun wetten van tijd tot tijd.
Het enige gedeelte van de
Bijbel dat God Zelf schreef, was dat van de Tien Geboden (Exodus 201-7).
Hij schreef met Zijn eigen vinger de wet op de stenen tafelen om het
onveranderlijke en blijvende karakter ervan aan te tonen. Hij plaatste in
de wet een speciaal gebod dat Zijn eigen zegel bevatte - "de zevende dag
is de Sabbat van de Here uw God….. Want in zes dagen heeft de Here de
hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de
zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde dien" (verzen
10-11). Van alle tien brengt alleen dit gebod de naam en de titel van de
Wetgever naar voren. Het verklaart dat Hij de Schepper is van hemel en
aarde en toont ons Zijn recht op eerbied en aanbidding boven alle
schepselen.
Het is geen geheim onder de
katholieke, protestantse en joodse geestelijkheid, dat de
zevende-dags-sabbat van de Bijbel ten gunste van de eerste dag der week
"de zondag" is opzij gezet. Wie is verantwoordelijk voor deze
opzettelijke en weloverwogen verandering van het enige gebod, dat
betrekking heeft op de tijd?
Wereldlijke zowel als
religieuze historici erkennen dat de zondag van heidense oorsprong is en
dat deze dag eeuwen voor de geboorte van Christus reeds werd geëerd als de
heilige dag der zon. Door de heidenen van het keizerlijke Rome werd deze
dag als een feestdag gevierd. Toen keizer Constantijn het christelijke
geloof beleed, vaardigde hij een wet uit waarin "rust op de
eerbiedwaardige dag der zon" werd geëist. (Zie
Encyclopaedia Britannica, 9e editie "Sunday"). Chambers
encyclopaedia zegt: "Ongetwijfeld is de eerste wet, kerkelijk of
burgerlijk, waarvan we weten dat ze de waarneming van deze dag als rustdag
verordineert, de wet van Constantijn in het jaar 321 n. Chr." Met het
voortschrijden van de tijd, verordineerden de kerkelijke concilies en
wetten, de zondag als een vastgestelde dag van rust en aanbidding.
Uit een katholieke
catechismus citeren we het volgende:
"Vraag: Welke dag is de
sabbat? "Antwoord - De zaterdag is de sabbatdag.
"Vraag: Waarom heiligen wij
de zondag inplaats van de zaterdag? "Antwoord - We heiligen de zondag
inplaats van de zaterdag, omdat de katholieke kerk op het concilie van
Laodicea (336 n. Chr.) de verering van de zaterdag naar de zondag
verlegde."
Overgenomen (vertaald) uit:
"The convert's Catechism of Catholic Doctrine", derde editie 1913, pag.
50, Peter Geiermann, C. SS. R. (Dit werk ontving de apostolische zegen van
paus Pius X, 25 Jan. 1910).
In een ander werk, (Doctrinal
Catechism, door Stephen Keenan, 1865, pag. 174) vinden we een soortgelijke
bewering:
"Vraag: - Kunt u op een
andere wijze aantonen dat de kerk macht heeft om feestdagen en wetten uit
te vaardigen?
"Antwoord: - Zou zij die
macht niet hebben, dan zou ze niet gedaan kunnen hebben waarmede alle
huidige godsdienstige lichamen met haar instemmen. Ze zou niet de verering
van de zondag, de eerste dag der week, in de plaats gesteld kunnen hebben
van de verering van de zaterdag, de zevende dag der week. Een verandering
waarvoor geen schriftuurlijk gezag is aan te voeren."
8. Deze macht heerste
gedurende 1260 jaren (zie Daniël 7:25). Volgens het profetische woord
zou deze macht drieënhalf jaar (profetische tijd) duren, of zoals de
Openbaring het zegt, 1260 dagen. In de profetische symboliek stelt een
dag een jaar voor (zie Nummeri 14:34; Ezechiël 4:6). Wanneer we rekenen
vanaf de ondergang van de Oostgoten in het jaar 538 n.Chr. brengt deze
periode van 1260 jaren ons tot in het jaar 1798. Het is betekenisvol dat
in 538 n. Chr. een leger onder Belisarius in Rome de Ariaanse koning der
Oostgoten, die de suprematie van de bisschop van Rome weigerde te
erkennen, verdreef. Precies 1260 jaren later kwam de Franse generaal
Berthier in Rome, nam de paus gevangen en proclameerde een republiek in de
plaats van het pausdom.
9. Het was een voortzetting
van Rome. De profetie toont aan dat het Romanisme voortleefde na de
ineenstorting van het keizerrijk. Wanneer er geen ander bewijs zou zijn,
dan in vers 11, zou men alleen door dit vers de grote horen reeds kunnen
identificeren. Het was de voortzetting van Rome in een andere vorm. Het
Rome van de Cesars "gaf hem zijn kracht, zijn troon en grote macht"
(Openbaring 13:2). Er is slechts één macht die voldoet aan de
beschrijvingen van deze profetie. Deze kleine horen die groot werd, is
duidelijk het pausdom.
De Chronologische Plaatsing
van het Oordeel
Wij zijn nu vanaf Daniels
tijd door de wereldgeschiedenis tot in onze tijd gekomen. De periode van
de pauselijke overheersing eindigde in 1798. De volgende gebeurtenis die
Daniël zag, was het gericht voor de "Oude van dagen". In dit oordeel
zullen de koninkrijken en de heerschappijen, die in het bezit waren van
Babylon, Medo-Perzië, Griekenland, Rome, de tien gedeelde koninkrijken en
het pausdom overgegeven worden aan Christus en de heiligen. Nadat aan
Christus en degenen die met Hem mede-erfgenamen geworden zijn, het recht
om te regeren is overgegeven, komt Hij naar deze aarde als "Koning der
koningen en Here der heren" (Openbaring 19:16). Bij de tweede komst van
Christus zullen de woorden van Jezus in vervulling zijn gegaan: "Een man
van hoge geboorte trok naar een ver land om voor zich de koninklijke
waardigheid in ontvangst te nemen en daarna terug te keren" (Lucas 19:12).
Wanneer Hij aan het einde van het oordeel in de hemel, in heerlijkheid
verschijnt, is Zijn loon bij Hem om een ieder naar zijn werken te geven
(zie Openbaring 22:12). Dan wordt het dier gedood, zijn lichaam wordt
vernietigd en prijsgegeven aan het vuur (zie Daniël 7:11). De apostel
Paulus toont nauwkeurig aan, dat de vernietiging van deze grote afvallige
macht plaats vindt bij de komst van Christus:
"Laat niemand u misleiden,
op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der
wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die
zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij
zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is.
Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen
gezegd heb? En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich
openbaart op zijn tijd.
Want het geheimenis der
wetteloosheid is reeds in werking; wacht slechts totdat hij, die op het
ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is.
Dan zal de wetteloze zich
openbaren; hem zal de Here Jezus doden door de adem zijns monds en
machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt.” (2
Thessalonicenzen 2:3-8).
Het is daarom duidelijk dat
het door de profeet Daniël geschilderde oordeel, plaats vindt tussen 1798
en de tweede komst van Christus.
Nu wordt in het achtste
hoofdstuk van Daniël het juiste begin van de ure des oordeels gegeven.
Onder de symbolen van een ram en een bok neemt Daniël ons nog eens mee
door de geschiedenis van Medo-Perzië en Griekenland. Onder het symbool van
een kleine horen die zeer groot wordt, toont hij ons nog eens de
geschiedenis van Rome in haar heidense en pauselijke vorm. Dan werd hem
verteld: "tot tweeduizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het
heiligdom gerechtvaardigd worden" (Daniël 8:14 St.Vert.).
Beginnende "vanaf het
ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te
herbouwen" in het jaar 457 voor Christus, brengt deze lange profetische
tijdsperiode van 2300 avonden en morgens ons tot in het jaar 1844. (Zie
het aanhangsel voor een meer gedetailleerde uiteenzetting van deze
profetie.) In dat jaar ging Christus als onze grote Hogepriester het
heilige der heilige binnen, voor Zijn afsluitend oordeelswerk en de
reiniging van het heiligdom, om Zijn komst op de wolken des hemels met
macht en grote heerlijkheid, voor te bereiden. Daarom leven wij in de
plechtige en ontzagwekkende tijd, waarin de boodschap aan elke natie,
stam, tong en volk moet uitgaan: "Vreest God en geeft Hem eer, want de ure
van Zijn oordeel is gekomen" (Openbaring 14:7). De grote godsdienstige
beweging die in alle delen van de wereld ontstond, is een overtuigend
bewijs van de vervulling van deze profetie.
Het Doel van het Oordeel
"Dit zag ik, totdat er
tronen gezet werden en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was
als de sneeuw, en het haar Zijns hoofds als zuivere wol . Zijn troon was
vuurvonken, deszelfs raderen een brandend vuur. Een vurige rivier vloeide
en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien
duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich en de
boeken werden geopend". (Daniël 7:9-10 St.Vert.).
Het hoofddoel van het
oordeel wordt duidelijk beschreven door de profeet:
"Ik bleef toekijken in de
nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een
mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen en men leidde hem voor
Deze; en hem werd heerschappij gegeven, eer en koninklijke macht, en alle
volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige
heerschappij, die niet zal vergaan en zijn koningschap is een, dat
onverderfelijk is". (Daniël 7:13-14)
De kroon, die in de tijd van
Daniël van Israël werd weggenomen, ging achtereenvolgens over op de
koninkrijken Babylon, Medo-Perzië, Griekenland en Rome. Deze alle hebben
de gelegenheid gehad hun beginselen te openbaren. Als nu het oordeel
plaats vindt en de geschiedkundige verslagen worden onderzocht, wordt
Christus als de enige waardig bevonden, om het koninkrijk te ontvangen.
Dan gaat het Woord Gods, gesproken door de profeet Ezechiël in
vervulling: "Totdat hij komt, die er recht heeft en aan wie ik het
geven zal" (zie Ezechiël 21:26-27). Het recht om te heersen wordt
aan Christus verleend.
De ontvangst van het
koninkrijk door Christus, zoals het in de oordeelsscène van Daniël 7 wordt
voorgesteld, wordt door Johannes in de Openbaring als "de bruiloft"
beschreven. Ineen visioen zag hij de hoofdstad van het koninkrijk, het
Nieuwe Jeruzalem, "gereed gemaakt als een bruid die versierd is voor haar
man" (Openbaring 19:7-8; 21:2-3).
Gods volk is niet
persoonlijk op de bruiloft aanwezig, want deze vindt in de hemel plaats
terwijl zij nog op de aarde zijn. Zij moeten zijn "gelijk aan mensen, die
op hun heer wachten wanneer hij van de bruiloft wederkeert" (Lucas 12:36).
Nochtans wordt Gods volk voor de bruiloft uitgenodigd, want de uitnodiging
van de koning luidt: "Alles is gereed, komt tot de bruiloft" (Mattheüs
22:4). Het is duidelijk dat Gods volk door het geloof aanwezig moet zijn
en hun Hogepriester moeten navolgen als Hij voor God verschijnt om de
onderdanen van Zijn koninkrijk gereed te maken. Over hen die zich
voorbereiden voor de bruiloft, zegt de Here: "Zij zullen Mij ten eigendom
zijn, op de dag die Ik bereiden zal" (Maleachi 3:17).
Dit brengt ons bij het
tweede doel van het oordeel. Wie zullen de onderdanen van het koninkrijk
van Christus zijn? Het zullen geen onderdanen in de gewone zin van het
woord zijn, want zij zullen "koningen en priesters Gode en Zijn Vader
zijn" (Openbaring 1:6 St.Vert.). Zij zullen met Christus op de troon van
het universum zitten. Doch eerst moet het oordeel plaats vinden en moeten
de boeken geopend worden. Het belijdend volk van God moet een onderzoek
ondergaan, opdat vastgesteld wordt wie waardig is om mede-erfgenamen van
Christus te zijn. Zij, die gehoor gegeven hebben aan de uitnodiging voor
de bruiloft van het Lam, moeten onderzocht worden.
"Toen de koning binnentrad
om hen, die aanlagen te overzien, zag hij daar iemand, die geen
bruiloftskleed aanhad. En hij zeide tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier
gekomen zonder bruiloftskleed? En hij verstomde. Toen zei de koning tot de
bedienden: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit in de
buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. Want
velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren."
(Mattheüs 22:11-14)
Dit werk van
karakteronderzoek, dat bepaalt wie voorbereid is voor Gods koninkrijk,
wordt het onderzoekend oordeel genoemd. Allen wier namen in het boek des
levens staan, worden voor God onderzocht. In het "gedenkboek" (Maleachi
3:16), staat alles wat voor Christus werd gedaan aan de armen, bedroefden
en de wezen. Iedere beleden en nagelaten zonde, iedere weerstane
verzoeking, wordt getrouw aangetekend. In het boek waarin de zonden der
mensen aangetekend zijn staat met een verschrikkelijke nauwkeurigheid
iedere gedachte en daad van het leven, ieder ijdel woord, iedere onreine
gedachte, iedere onbeheerste handeling, ieder zelfzuchtig motief, ieder
onwettig verlangen, iedere bewuste weerstand tegen de waarheid en iedere
weigering tot bekering, vermeld. Allen worden geoordeeld naar hun werken,
die in de boeken geschreven staan. De Schrift zegt:
"Maar Ik zeg u: Van elk
ijdel woord dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op
de dag des oordeels, want naar uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden
en naar uw woorden zult gij geoordeeld worden." (Mattheüs 12:36-37) "Want
God zal elke daad doen komen in het gericht over al het verborgene, hetzij
goed, hetzij kwaad". (Prediker 12:14)
In het licht van deze
schriftgedeelten en de duidelijke les van de heiligdomsdienst, kan de
zonde niet eerder uit de verslagen worden uitgewist, dan na het oordeel,
waarin de gevallen der mensen werden onderzocht. Zij die tegen de
vergevende genade ingaan, zullen met hun zonden beladen blijven alsof ze
nooit berouw hadden gehad, (zie Mattheus 18:23-35; Ezechiël 18:24).
De wet der tien geboden, de
getrouwe weergave van Gods karakter, die het pausdom trachtte te
veranderen, is de maatstaf in het oordeel. Salomo zei: "Vrees God, en
onderhoud Zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen. Want God zal elke
daad doen komen in het gericht" (Prediker 12:13-14). Ook de apostel
schreef: "Spreekt zó en handelt zó als mensen past, die door de wet der
vrijheid zullen geoordeeld worden" (Jacobus 2:12).
De namen van allen die nog
zonden in de boeken hebben staan, waarover ze geen berouw hebben getoond
en die niet vergeven zijn, zullen worden uitgewist uit het boek des levens
en hun goede daden zullen worden uitgewist uit Gods gedenkboek. De Schrift
zegt:
"Wie tegen Mij gezondigd
heeft, zal Ik uit Mijn boek delgen" (Exodus 32:33). "Maar wanneer een
rechtvaardige zich afkeert van zijn rechtvaardige wandel en onrecht
doet …… Met geen van zijn rechtvaardige daden zal rekening
gehouden worden" (Ezechiël 18:24).
Degenen wier zonden vergeven
zijn, die op het bloed van Christus vertrouwen en die door het geloof het
kleed der gerechtigheid bezitten, hebben "een Voorspraak bij de Vader,
Jezus Christus, de Rechtvaardige" (l Johannes 2:1). Daar Hij beide, zowel
Advocaat als Rechter is, zal de grote Hogepriester geen enkele zaak
verliezen, waarvoor Hij pleit. De Here verklaart:
"Ik, Ik ben het, die uw
overtredingen uitdelg om Mijnentwil en Ik gedenk uw zonden niet." (Jesaja
43:25) "Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte klederen; en Ik
zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, maar Ik zal
zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen." (Openbaring 3:5)
Christus vraagt, dat voor
hen Zijn plan zal worden uitgevoerd, alsof de mens nooit was gevallen.
Hij zal vragen dat dezen, Zijn "juwelen", deel mogen hebben aan Zijn
heerlijkheid en met Hem op Zijn troon mogen zitten. De heerschappij, de
heerlijkheid en het koninkrijk, "zal worden gegeven aan het volk van de
heiligen des Allerhoogsten" (Daniël 7:27). Op aarde werden velen van deze
hulpeloos lijdenden, gefolterd en geplaagd. Miljoenen zijn liever met
schande beladen in het graf gedaald, dan hun geweten te onderwerpen aan
de autoriteit van Rome. Door menselijke gerechtshoven werden ze als de
slechtste misdadigers veroordeeld; maar nu is Christus zelf hun Rechter (Johannes
5:22).
De aardse beslissingen
worden herroepen. De profeet zegt, dat "recht verschaft werd aan de
heiligen des Allerhoogsten" (Daniël 7:22). Wat ze ook uit liefde voor
Christus geleden hebben, de pijnbank, in de kerkers, op de brandstapels,
in de martelkamers, door honger, door pijn of het verlies van het
tijdelijke leven, ze worden rijkelijk gecompenseerd. Christus zegt, dat
zij, die aandeel hadden in Zijn lijden ook zullen delen in Zijn
heerlijkheid (Romeinen 8:17).
Niet slechts zij, die op een
opzienbarende wijze voor Christus leefden en stierven, ontvangen het
koninkrijk met Hem: Allen die de Vorst des vredes trouw gediend hebben,
zowel in het kleinste als in het grootste; allen die de beginselen van
Zijn koninkrijk, thuis en in hun omgeving uitgeleefd hebben; allen die in
kracht van Christus gestreden en overwonnen hebben in de strijd tegen
trots, zelfzucht en liefde voor de wereld, zullen het voorrecht hebben om
met Christus op Zijn troon te zitten.
Het Einde der Genade -Tijd
Het onderzoekend oordeel
begon in het jaar 1844 met degenen die het eerst op aarde leefden. Iedere
volgende generatie moest aan God voorbijgaan. Tenslotte zal het oordeel
over de levenden plaatsvinden die kandidaten zijn voor tronen en
heerschappijen die Christus voor hen die Hem liefhebben heeft
gereserveerd. Wanneer ieders zaak is beslist, zal Christus de plechtige
aankondiging doen:
"Wie onrecht doet, dat hij
nog meer onrecht doet; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig
is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog
meer geheiligd" (Openbaring 22:11).
De genadetijd voor de mensen
sluit af, wanneer Christus Zijn koninkrijk ontvangen, Zijn juwelen
bijeenvergaard en de zonden van Zijn volk uitgedelgd heeft. Deze tijd zal
kort voor de tweede komst van Christus zijn, want na de aankondiging dat
alles voor eeuwig beslist is, verklaart Christus: "Zie, Ik kom spoedig en
Mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden naardat zijn werk is"
(Openbaring 22:12).
Het is de plicht van ons die
in deze plechtige tijd leven, om een juiste stelling in te nemen
tegenover de grote boodschap: "Vreest God en geeft Hem eer, want de ure
van Zijn oordeel is gekomen." Thans is het de tegenbeeldige grote
verzoendag en naar het voorbeeld der Hebreeën, die zich in ernstig berouw
voor het werk van de uiteindelijke verzoening om het heiligdom schaarden,
moeten ook wij de plaats en het werk van onze grote Hogepriester kennen en
leren begrijpen welke plichten er van ons worden verlangd. Iedereen zal
op de weegschaal van het hemelse heiligdom worden gewogen. Hoe zal het
vonnis luiden voor u en voor mij ?
* Anus, een bisschop van
Alexandrïë in de vierde eeuw introduceerde de leer, dat Christus een wezen
was, dat geschapen was door de Vader. Zijn leer verspreidde zich snel en
bracht over het christendom een verschrikkelijke en zelfs bloedige strijd.