"Maar wij behoren God te
allen tijde om u te danken, door de Here geliefde broeders, dat God u als
eerstelingen Zich verkoren heeft tot behoudenis, in heiliging door de
Geest en geloof in de waarheid.
Daartoe heeft Hij u ook door
ons evangelie geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze
Here Jezus Christus.
Zo dan, broeders, staat vast
en houdt u aan de overleveringen, die u door ons, hetzij mondeling, hetzij
schriftelijk, geleerd zijn.
En Hij, onze Here Jezus
Christus, en God, onze Vader, die ons heeft liefgehad en ons eeuwige
troost en goede hoop door zijn genade verleend heeft, trooste uw harten,
en make ze sterk in alle goed werk en woord.." 2 Thessalonicenzen 2:
13-17.
We hebben dit hoofdstuk "bijbelse
heiligmaking" genoemd, omdat er ook een zogenaamde heiligmaking is,
die niet in overeenstemming met de Bijbel is. Vaak wordt geleerd dat
heiligmaking een plotselinge opwindende ervaring is, waarbij de gelovige
een volmaakte heiligheid des harten ontvangt. Doch de schrijvers van de
Bijbel weten niets van zulk een plotseling te verkrijgen heiligmaking. De
Bijbel leert heiligmaking als een proces van goddelijke genade, waardoor
de gelovige in Jezus heilig en geschikt gemaakt wordt voor het erfdeel der
heiligen. Het is het proces van het voltooien van het werk der genade dat
in het hart begonnen is. Het is de voortschrijdende ervaring van hen die
in de waarheid gegrond en in de genade opgewassen zijn, "tot een volkomen
man, tot de maat van de grootte der volheid van Christus" (Efeze 4:13
St.Vert.).
Bijbelse heiligmaking is
geen ervaring voor de gebedssamenkomst, noch voor enige "godsdienstige
ijveraars", het is de ontvangst van christelijke beginselen in het hart en
de uitwerking daarvan in alle plichten van het leven. De huisvrouw en
moeder zal ondervinden dat het doen van de afwas en het vegen van de vloer
even noodzakelijk voor haar heiligmaking is, zoals het prediken dit is
voor de evangeliedienaar.
Het is verkeerd om
heiligmaking te beschouwen als een afzonderlijk genadewerk, dat gescheiden
is van de rechtvaardigmaking. Paulus zegt: "Gelijk gij dan Christus Jezus,
de Here, aangenomen hebt, wandelt alzo in Hem" (Collossenzen 2:6 St.Vert.).
Zoals de berouwvolle zondaar
gerechtvaardigd werd door geloof, zo moet hij ook voortgaan in de
heiligmaking. Hij wordt gerechtvaardigd door het geloof wanneer hij in
deemoedige afhankelijkheid en vertrouwen op de verdiensten van Christus
tot God komt. Dit algehele vertrouwen op de genade van de zondevergevende
Heiland, verbrijzelt de trots van zijn hart en brengt een kruisiging van
het "ik" teweeg. Omdat hij de liefde van God beantwoordt, neemt het
beginsel van de liefde bezit van zijn hart, bant de zonde uit en herschept
hem naar het beeld van God. Nu moet hij voortgaan in deze ervaring, want
rechtvaardigmaking door het geloof, de grootste van alle zegeningen ,
wordt niet in één les volkomen begrepen; daartoe is een dagelijkse les
nodig. Alleen een dagelijkse ervaring met Christus kan de gelovige leren,
waaruit een algehele afhankelijkheid van de verdiensten van Christus
bestaat.
De reiniging van het hart
van zelfzucht en trots bij het eerste aanvaarden van Jezus, moet een
progressief werk van genade zijn, zodat verdere openbaringen van de
heerlijkheid van Christus' heiligheid en het karakter van de zonde, de
verborgen boosheden van het hart aan het licht kunnen brengen. De
lievelingsapostel van Jezus schrijft:
"Indien we in het licht
blijven wandelen,…… het bloed van Jezus Christus
zijn Zoon blijft ons
reinigen van alle zonden" (1 Johannes 1:7 in de letterlijke betekenis).
Gewoonlijk sterft de mens
eenmaal, doch zo is het niet in geestelijk opzicht. Paulus zegt: "Ik sterf
dagelijks" (l Corinthe 15:31). De apostel beweert niet dat hij de
ervaring, met Christus gekruisigd te zijn, reeds volkomen bereikt had.
Voor hem was het een voortdurende ervaring - "om Hem te kennen en de
kracht Zijner opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden, of ik aan
Zijn dood gelijkvormig wordende,…… Niet, dat ik het reeds zou verkregen
hebben of reeds volmaakt zou zijn….. jaag ik naar het doel, om de prijs
der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus" (Filippenzen 3:10,
12, 14).
Heiligmaking — het Werk van
God
We moeten nooit de waarheid
uit het oog verliezen, dat heiligmaking evenals rechtvaardigmaking het
werk van God is, dat de gelovige door geloof ontvangt. De bekeerde
Galaten verloren dit uit het oog. Naar aanleiding daarvan schreef Paulus
hen: "Zijt gij zo uitzinnig, daar gij met de Geest begonnen zijt (rechtvaardigmaking),
voleindigt gij nu met het vlees (heiligmaking)?" (Galaten
3:3 St.Vert.).
Zelfs Abraham, de vader der
gelovigen maakte dezelfde fout. Hij werd gerechtvaardigd door God te
geloven (Genesis 15:6), maar dan probeerde hij langs een zelfgekozen weg
de belofte waar te maken, door Hagar te nemen en een zoon door eigen
toedoen te verwekken, (zie Genesis 16). Romeinen 7 is een waarschuwing
voor gelovigen die de rechtvaardigmaking door het geloof ervaren hebben en
die gedoopt zijn in de dood van Christus. Voordat ze gerechtvaardigd
werden, moesten ze leren, dat al hun vleselijke werken zondig waren. Nu
moeten ze opwassen in de erkenning dat al hun vleselijke werken zondig
zijn. Het doet er niet toe hoe groot het werk der genade is, dat in het
hart der gelovige volbracht werd. Als hij op zijn vlees vertrouwt, zal de
ervaring van de mens uit Romeinen 7 ook de zijne worden:
"Wij weten immers, dat de
wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.
Want wat ik uitwerk, weet ik
niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat
doe ik. Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet
goed is. Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij
woont.
Want ik weet, dat in mij,
dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel
bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. Want niet wat ik
wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik.
Indien ik nu datgene doe,
wat ik niet wens, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij
woont.
Zo vind ik dan deze regel:
als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; want naar de
inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik
een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot
krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.
Ik, ellendig mens! Wie zal
mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" (Romeinen 7:14-24).
Dit zal de ervaring van
allen zijn die trachten door hun eigen pogingen goed te leven. Het zal de
ervaring van hen zijn die proberen gedeeltelijk op Christus en
gedeeltelijk op zichzelf te vertrouwen, of die op hun eigen waakzaamheid
of het nakomen van bepaalde plichten vertrouwen, om zo voor de zonde
bewaard te blijven. Al zulke pogingen moeten falen, want heiligmaking
is het werk van God. De gelovigen worden "geheiligd door God de Vader
en bewaard in Jezus Christus" (Judas 1). Het evangelie roept de mens op om
te rusten "van zijn werken, evenals God van de Zijne" (Hebreeën 4:10). De
Sabbat is het grote teken van de heiligmaking. Wanneer de gelovige op de
zevende dag in Jezus rust, wordt hij er aan herinnerd dat de kracht van
de schepping de kracht is die hem heilig zal maken. Het Woord zegt: "Ook
gaf ik hun Mijn sabbatten als een teken tussen Mij en hen, opdat zij
zouden weten, dat Ik, de Here hen heilig" (Ezechiël 20:12).
Wat een verdraaiing van de
waarheid om te beweren dat een ware sabbathouder een Judaistisch voorbeeld
is van gerechtigheid door werken! Integendeel, het houden van de Sabbat
is een getuigenis, dat de gelovige gerechtvaardigd wordt, doordat hij rust
in de bewarende kracht van God.
De Middelen tot
Heiligmaking in het Heiligdom Voorgesteld
Een priester die de
tabernakel binnenging vond de tafel met toonbroden aan zijn rechterhand,
de zevenarmige kandelaar aan zijn linkerhand en het reukofferaltaar recht
voor zich. Het brood stelde het Woord van God (Johannes 6:48-63), de
zevenarmige kandelaar de Geest van God (Openbaring 4:5) en het reukwerk de
verdiensten van Christus voor. Hier worden ons de grote middelen tot
heiligmaking getoond.
Petrus spreekt de gelovigen
in Jezus aan als, "de uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader,
in de heiligmaking des Geestes" (l Petrus 1:2 St.Vert.). Paulus zegt, dat
ze uitverkoren zijn "tot zaligheid en heiligmaking des Geestes" (2
Thessalonicenzen 2:13 St.Vert.). De Geest maakt in het hart werkzaam wat
door Christus werd volbracht. Helaas zijn velen door zogenaamde
heiligmaking des Geestes misleid, omdat ze zich niet realiseren dat de
Geest alleen door het Woord in de gelovige woont. Het Woord moet de
belangrijkste gids van de christen zijn. Zelfs de werkingen van de Geest
op het hart moeten aan het Woord getoetst worden. Zonder het Woord is de
mens geneigd om de ingevingen van het vleselijke hart voor werkingen van
Gods Geest te houden. Het is tevergeefs er aanspraak op te maken de Geest
te bezitten, zonder dat het leven in overeenstemming met het Woord van
God is. Het is een onmogelijkheid om vervuld te zijn met de Geest, zonder
vervuld te zijn met het Woord. Het ergste fanatisme vindt men bij mensen,
die beweren door de Geest geleid te worden. Er bestaat geen heiligmaking
zonder geloof en de praktische toepassing van de bijbelse waarheid.
Hieronder vindt u bijbelse heiligmaking beschreven:
"Heilig hen in uw waarheid,
uw Woord is de waarheid." "En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij
geheiligd mogen zijn in waarheid." (Johannes 17:17,19).
"Nu gij uw zielen door
gehoorzaamheid aan de waarheid gereinigd hebt tot ongeveinsde
broederliefde, hebt dan elkander van harte en bestendig lief" (l Petrus
1:22),
"Daar wij nu deze beloften
bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des
vleses en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods" (2
Corinthe 7:1).
"Daarom, mijn geliefden,
gelijk gij te allentijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen
zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn
afwezigheid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven, want God is het,
die om Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt. Doet
alles zonder morren of bedenkingen, opdat gij onberispelijk en onbesmet
moogt zijn, onbesproken kinderen Gods temidden van een ontaard en verkeerd
geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld, het
Woord des levens vasthoudende" (Filippenzen 2:12-15). "Gij zijt nu rein om
het Woord dat Ik tot u gesproken heb" (Johannes 15:3).
"Mannen, hebt uw vrouw lief,
evenals Christus Zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar
overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad
met het woord, en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend,
zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zodat zij heilig is en
onbesmet" (Efeze 5:25-27).
Er is geen heiligmaking voor
hen die een gedeelte van de waarheid verwerpen. De gelovige "leeft van
alles wat uit de mond des Heren uitgaat" (Deuteronomium 8:3).
In de eerste plaats moet hij
zijn leven in overeenstemming brengen met de grote maatstaf der
gerechtigheid, de "tien woorden" van de Sinai (Exodus 34:28). Heiligmaking
is geloof dat werkt door de liefde tot gehoorzaamheid aan alle
geboden Gods.
"Want wie de gehele wet
houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle geboden"
(Jacobus 2:10).
"En hieraan onderkennen wij,
dat wij Hem kennen: indien wij zijn geboden bewaren. Wie zegt: Ik ken Hem,
en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid
niet; maar wie zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods
volmaakt, Hieraan onderkennen wij, dat we in Hem zijn" (l Johannes 2:3-5).
"Wie zijn oor afwendt van
het horen der wet, diens gebed zelfs is een gruwel" (Spreuken 28:9).
Deze woorden zijn een
krachtige waarschuwing tegen de idee dat kennis van de waarheid en
gehoorzaamheid aan de tien geboden van minder belang zijn, als we de Geest
maar hebben. God zendt Zijn Geest nimmer om onwetendheid en
ongehoorzaamheid goed te keuren. Petrus zegt, dat de Heilige Geest wordt
gegeven aan hen "die Hem gehoorzaam zijn" (Handelingen 5:32). We moeten
niet vergeten dat er vele valse geesten in de wereld zijn en dat op ons de
plicht rust de geesten te beproeven, (zie l Johannes 4:1). Het werk
van de ware Geest is om ons door het Woord Gods bekwaam te maken.
Het reukofferaltaar bevat
belangrijke lessen voor de gelovige. Het leert hem dat de toegerekende
gerechtigheid van Christus' verdienste vermengd moet worden met zijn eigen
gebed, lofprijzing en werken der liefde (Openbaring 8:3-4). Het geloof
waardoor hij gerechtvaardigd wordt, zal altijd door liefde werken (Galaten
5:6).
Aan de boom des geloofs
zullen altijd goede werken te vinden zijn. Ofschoon ieder gebed en ieder
goed werk geïnspireerd wordt door de Geest van God, moet het toch
vermengd worden met het reukwerk van het heiligdom voordat ze door God
kunnen worden geaccepteerd. Wanneer de gelovige niet volledig en
voortdurend op de verdiensten van de gerechtigheid van Christus vertrouwt,
zijn zijn beste werken slechts "een wegwerpelijk kleed" (Jesaja 64:6
St. Vert.).
Alleen door de toegerekende
gerechtigheid van Christus kan de christen volkomen gehoorzamen aan de
geboden van God. Hij moet weten dat hij alleen voor God bestaan kan door
de verdiensten van Christus. Hij kan zich nimmer verlaten op de
mate van zijn ervaring in de heiligmaking. Christus is zijn enige
gerechtigheid, nu en voor altijd. Opwassen in de genade moet vergezeld
gaan met een steeds groter wordende afhankelijkheid van Zijn
verdiensten. Elk "goed werk" dat hij doet zonder geloof in de
verdiensten van zijn Heiland, is zonde waarvan hij zich moet bekeren. Het
zout van Zijn gerechtigheid moet aan ieder offer worden toegevoegd. (Leviticus
2:13; Markus 9:49; Collossenzen 4:6)
Het grote doel van de
heiligmaking is om de werkelijkheid van de volledige afhankelijkheid van
de verdiensten van Christus te begrijpen. De Vader is tevreden met de
verdiensten van Zijn Zoon. Wanneer deze verdiensten de gelovige zonder
enig voorbehoud voor tijd en eeuwigheid voldoen, dan is het werk van zijn
heiligmaking voltooid. Heiligmaking is niet een kwestie van gevoel, doch
van geloof. Zoals in de natuur zowel wolken als zonneschijn nodig zijn, is
het ook in het christelijke leven niet altijd zonneschijn. Vele
beproevingen en lijden zijn Gods kinderen voorzegd: "Talrijk zijn de
rampen van de rechtvaardige, maar uit die alle redt hem de Here" (Psalm
34:20). Zelfs David had moeite om de betekenis van Zijn lijden te
verstaan.
"Maar tevergeefs heb ik mijn
hart rein gehouden, mijn handen in onschuld gewassen. De ganse dag word ik
geplaagd, mijn bestraffing is er elke morgen. Indien ik gezegd had; ik zal
aldus spreken, zie, dan ware ik afvallig geweest van het geslacht uwer
kinderen" (Psalm 73:13-15).
Dan, wanneer hij Gods doel
met zijn beproevingen begrijpt, voegt hij er aan toe:
"Toen was ik een grote dwaas
zonder verstand, ik was een redeloos dier bij U. Nochtans zal ik bestendig
bij U zijn, Gij hebt mijn rechter hand gevat: Gij zult mij leiden door Uw
raad, en daarna mij in heerlijkheid opnemen" (Psalm 73:22-24).
De apostel Petrus schrijft:
"Geliefden, laat de
vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets
vreemds overkwame. Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het
lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij
de openbaring Zijner heerlijkheid" (l Petrus 4:12-13).
De beproevingen van het
leven zijn de middelen in Gods hand om de pestbuilen van ons karakter, die
voor ons oog verborgen zijn te ontdekken. Het zijn Zijn middelen om een
geloof te beproeven, te ontwikkelen en te vervolmaken, dat volledig op
Christus steunt. Diamanten worden gevormd wanneer een gewone substantie,
koolstof, geplaatst wordt onder een uitzonderlijk hoge druk. Het is Gode
niet welgevallig, wanneer wij de beproeving met lange treurige gezichten
ondergaan. Paulus roemde zich in de verdrukking.
Een Minderjarige Verwacht de
Erfenis
Door het geloof in Jezus
wordt een christen gerechtvaardigd en tot erfgenaam van het universum
gemaakt. Hij is een zoon van God en een mede-erfgenaam met Christus. Hij
mag zich er in verheugen dat hij een mens is die geboren is uit de Geest,
om koning en priester voor God te zijn (Openbaring 1:6). In Christus
behoort hem het ganse universum toe.Geen wonder dat Paulus zegt, dat zijn
erfenis "onuitsprekelijk" is (2 Corinthe 9:15). De gelovige kan
vergeleken worden met een minderjarige, die de bezittingen van zijn vader
erft. Ofschoon hij iedere verzekering heeft dat het hem toebehoort,
kan hij zich het bezit niet toe-eigenen voordat hij volwassen is. Een kind
kan de erfenis nog niet beheren. Om het bezit zeker te stellen, wordt het
voor hem in bewaring gehouden totdat hij opgegroeid is. Evenzo is het met
ons, gedurende wij opgroeien tot "de mannelijke rijpheid", de maat van de
wasdom der volheid van Christus", houdt God ons bezit in bewaring, opdat
niet tengevolge van onze onmondigheid, de vijand het ons zou ontroven. In
deze wachttijd vertrouwt God ons enige goederen toe, om ons te beproeven
of wij als toekomstige heersers van het universum met Christus geschikt
zijn. Als wij getrouw zijn over weinig, bewijzen wij dat we ook over veel
getrouw kunnen zijn. Wanneer we in de ons hier toevertrouwde zaken ontrouw
zijn, bewijzen wij dat we voor onze roeping ongeschikt zijn. Wij
zijn niet bekwaam om met degenen die geheiligd zijn het erfdeel te
aanvaarden.