You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - De mens geboren...
 
Bijbelse heiligmaking   (9)

 

"Maar wij behoren God te allen tijde om u te danken, door de Here geliefde broeders, dat God u als eerstelingen Zich verkoren heeft tot behoudenis, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid.

Daartoe heeft Hij u ook door ons evangelie geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus.

Zo dan, broeders, staat vast en houdt u aan de overleveringen, die u door ons, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, geleerd zijn.

En Hij, onze Here Jezus Christus, en God, onze Vader, die ons heeft liefgehad en ons eeuwige troost en goede hoop door zijn genade verleend heeft, trooste uw harten, en make ze sterk in alle goed werk en woord.." 2 Thessalonicenzen 2: 13-17.

 

We hebben dit hoofdstuk "bijbelse heiligmaking" genoemd, omdat er ook een zogenaamde heiligmaking is, die niet in overeenstemming met de Bijbel is. Vaak wordt geleerd dat heiligmaking een plotselinge opwindende erva­ring is, waarbij de gelovige een volmaakte heiligheid des harten ontvangt. Doch de schrijvers van de Bijbel weten niets van zulk een plotseling te verkrijgen heiligmaking. De Bijbel leert heiligmaking als een proces van goddelijke genade, waardoor de gelovige in Jezus heilig en geschikt gemaakt wordt voor het erfdeel der heiligen. Het is het proces van het voltooien van het werk der genade dat in het hart begonnen is. Het is de voortschrijdende ervaring van hen die in de waarheid gegrond en in de genade opgewassen zijn, "tot een volkomen man, tot de maat van de grootte der volheid van Christus" (Efeze 4:13 St.Vert.).

Bijbelse heiligmaking is geen ervaring voor de gebedssamenkomst, noch voor enige "godsdienstige ijveraars", het is de ontvangst van christelijke beginselen in het hart en de uitwerking daarvan in alle plichten van het leven. De huisvrouw en moeder zal ondervinden dat het doen van de afwas en het vegen van de vloer even noodzakelijk voor haar heiligmaking is, zoals het prediken dit is voor de evangeliedienaar.

 

Het is verkeerd om heiligmaking te beschouwen als een afzonderlijk genadewerk, dat gescheiden is van de rechtvaardigmaking. Paulus zegt: "Gelijk gij dan Christus Jezus, de Here, aangenomen hebt, wandelt alzo in Hem" (Collossenzen 2:6 St.Vert.).

Zoals de berouwvolle zondaar gerecht­vaardigd werd door geloof, zo moet hij ook voortgaan in de heiligmaking. Hij wordt gerechtvaardigd door het geloof wanneer hij in deemoedige afhankelijkheid en vertrouwen op de verdiensten van Christus tot God komt. Dit algehele ver­trouwen op de genade van de zondevergevende Heiland, verbrijzelt de trots van zijn hart en brengt een kruisiging van het "ik" teweeg. Omdat hij de liefde van God beant­woordt, neemt het beginsel van de liefde bezit van zijn hart, bant de zonde uit en herschept hem naar het beeld van God. Nu moet hij voortgaan in deze ervaring, want rechtvaardigmaking door het geloof, de grootste van alle zegeningen , wordt niet in één les volkomen begrepen; daartoe is een dagelijkse les nodig. Alleen een dagelijkse ervaring met Christus kan de gelovige leren, waaruit een algehele afhan­kelijkheid van de verdiensten van Christus bestaat.

De rei­niging van het hart van zelfzucht en trots bij het eerste aan­vaarden van Jezus, moet een progressief werk van genade zijn, zodat verdere openbaringen van de heerlijkheid van Christus' heiligheid en het karakter van de zonde, de verborgen boosheden van het hart aan het licht kunnen brengen. De lievelingsapostel van Jezus schrijft:

"Indien we in het licht blijven wandelen,……  het bloed van Jezus Christus

zijn Zoon blijft ons  reinigen van alle zonden" (1 Johannes 1:7 in de letterlijke betekenis).

 

Gewoonlijk sterft de mens eenmaal, doch zo is het niet in geestelijk opzicht. Paulus zegt: "Ik sterf dagelijks" (l Corinthe 15:31). De apostel beweert niet dat hij de erva­ring, met Christus gekruisigd te zijn, reeds volkomen bereikt had. Voor hem was het een voortdurende ervaring - "om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding en de ge­meenschap aan Zijn lijden, of ik aan Zijn dood gelijkvormig wordende,……  Niet, dat ik het reeds zou verkregen heb­ben of reeds volmaakt zou zijn….. jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus" (Filippenzen 3:10, 12, 14).

 

Heiligmaking — het Werk van God

 

We moeten nooit de waarheid uit het oog verliezen, dat heiligmaking evenals rechtvaardigmaking het werk van God is, dat de gelovige door geloof ontvangt. De bekeerde Gala­ten verloren dit uit het oog. Naar aanleiding daarvan schreef Paulus hen: "Zijt gij zo uitzinnig, daar gij met de Geest begonnen zijt (rechtvaardigmaking), voleindigt gij nu met het vlees (heiligmaking)?" (Galaten 3:3 St.Vert.).

Zelfs Abraham, de vader der gelovigen maakte dezelfde fout. Hij werd gerechtvaardigd door God te geloven (Genesis 15:6), maar dan probeerde hij langs een zelfgekozen weg de belofte waar te maken, door Hagar te nemen en een zoon door eigen toedoen te verwekken, (zie Genesis 16). Romeinen 7 is een waarschuwing voor gelovigen die de rechtvaardigmaking door het geloof ervaren hebben en die gedoopt zijn in de dood van Christus. Voordat ze gerechtvaardigd werden, moesten ze leren, dat al hun vleselijke werken zondig waren. Nu moeten ze opwassen in de erkenning dat al hun vleselijke werken zondig zijn. Het doet er niet toe hoe groot het werk der genade is, dat in het hart der gelovige volbracht werd. Als hij op zijn vlees vertrouwt, zal de ervaring van de mens uit Romeinen 7 ook de zijne worden:

 

"Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.

Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik. Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is. Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik.

Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.

Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" (Romeinen 7:14-24).

 

Dit zal de ervaring van allen zijn die trachten door hun eigen pogingen goed te leven. Het zal de ervaring van hen zijn die proberen gedeeltelijk op Christus en gedeelte­lijk op zichzelf te vertrouwen, of die op hun eigen waak­zaamheid of het nakomen van bepaalde plichten vertrouwen, om zo voor de zonde bewaard te blijven. Al zulke pogingen moeten falen, want heiligmaking is het werk van God. De gelovigen worden "geheiligd door God de Vader en bewaard in Jezus Christus" (Judas 1). Het evangelie roept de mens op om te rusten "van zijn werken, evenals God van de Zijne" (Hebreeën 4:10). De Sabbat is het grote teken van de heiligmaking. Wanneer de gelovige op de ze­vende dag in Jezus rust, wordt hij er aan herinnerd dat de kracht van de schepping de kracht is die hem heilig zal maken. Het Woord zegt: "Ook gaf ik hun Mijn sabbatten als een teken tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de Here hen heilig" (Ezechiël 20:12).

Wat een ver­draaiing van de waarheid om te beweren dat een ware sabbathouder een Judaistisch voorbeeld is van gerechtig­heid door werken! Integendeel, het houden van de Sabbat is een getuigenis, dat de gelovige gerechtvaardigd wordt, doordat hij rust in de bewarende kracht van God.

 

De Middelen tot Heiligmaking in het Heiligdom Voorgesteld

 

Een priester die de tabernakel binnenging vond de tafel met toonbroden aan zijn rechterhand, de zevenarmige kandelaar aan zijn linkerhand en het reukofferaltaar recht voor zich. Het brood stelde het Woord van God (Johannes 6:48-63), de zevenarmige kandelaar de Geest van God (Openbaring 4:5) en het reukwerk de verdiensten van Christus voor. Hier worden ons de grote middelen tot hei­ligmaking getoond.

 

Petrus spreekt de gelovigen in Jezus aan als, "de uit­verkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking des Geestes" (l Petrus 1:2 St.Vert.). Paulus zegt, dat ze uitverkoren zijn "tot zaligheid en heiligmaking des Geestes" (2 Thessalonicenzen 2:13 St.Vert.). De Geest maakt in het hart werkzaam wat door Christus werd vol­bracht. Helaas zijn velen door zogenaamde heiligmaking des Geestes misleid, omdat ze zich niet realiseren dat de Geest alleen door het Woord in de gelovige woont. Het Woord moet de belangrijkste gids van de christen zijn. Zelfs de wer­kingen van de Geest op het hart moeten aan het Woord ge­toetst worden. Zonder het Woord is de mens geneigd om de ingevingen van het vleselijke hart voor werkingen van Gods Geest te houden. Het is tevergeefs er aanspraak op te maken de Geest te bezitten, zonder dat het leven in overeen­stemming met het Woord van God is. Het is een onmogelijk­heid om vervuld te zijn met de Geest, zonder vervuld te zijn met het Woord. Het ergste fanatisme vindt men bij mensen, die beweren door de Geest geleid te worden. Er bestaat geen heiligmaking zonder geloof en de praktische toepassing van de bijbelse waarheid. Hieronder vindt u bijbelse heiligma­king beschreven:

 

"Heilig hen in uw waarheid, uw Woord is de waarheid." "En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid." (Johannes 17:17,19).

"Nu gij uw zielen door gehoorzaamheid aan de waarheid gerei­nigd hebt tot ongeveinsde broederliefde, hebt dan elkan­der van harte en bestendig lief" (l Petrus 1:22),

 

"Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des vleses en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods" (2 Corinthe 7:1).

 

"Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allentijde gehoor­zaam zijt geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn te­genwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezig­heid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven, want God is het, die om Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt. Doet alles zonder morren of bedenkingen, opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods temidden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld, het Woord des levens vasthoudende" (Filippenzen 2:12-15). "Gij zijt nu rein om het Woord dat Ik tot u gesproken heb" (Johannes 15:3).

 

"Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus Zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgege­ven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord, en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rim­pel of iets dergelijks, zodat zij heilig is en onbesmet" (Efeze 5:25-27).

 

Er is geen heiligmaking voor hen die een gedeelte van de waarheid verwerpen. De gelovige "leeft van alles wat uit de mond des Heren uitgaat" (Deuteronomium 8:3).

In de eerste plaats moet hij zijn leven in overeenstemming brengen met de grote maatstaf der gerechtigheid, de "tien woorden" van de Sinai (Exodus 34:28). Heiligmaking is geloof dat werkt door de liefde tot gehoorzaamheid aan alle geboden Gods.

 

"Want wie de gehele wet houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle geboden" (Jacobus 2:10).

 

"En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: indien wij zijn geboden bewaren. Wie zegt: Ik ken Hem, en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet; maar wie zijn woord be­waart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt, Hieraan onderkennen wij, dat we in Hem zijn" (l Johannes 2:3-5).

 

"Wie zijn oor afwendt van het horen der wet, diens gebed zelfs is een gruwel" (Spreuken 28:9).

 

Deze woorden zijn een krachtige waarschuwing tegen de idee dat kennis van de waarheid en gehoorzaamheid aan de tien geboden van minder belang zijn, als we de Geest maar hebben. God zendt Zijn Geest nimmer om onwetend­heid en ongehoorzaamheid goed te keuren. Petrus zegt, dat de Heilige Geest wordt gegeven aan hen "die Hem gehoorzaam zijn" (Handelingen 5:32). We moeten niet vergeten dat er vele valse geesten in de wereld zijn en dat op ons de plicht   rust   de geesten te beproeven, (zie l Johannes 4:1). Het werk van de ware Geest is om ons door het Woord Gods bekwaam te maken.

 

Het reukofferaltaar bevat belangrijke lessen voor de ge­lovige. Het leert hem dat de toegerekende gerechtigheid van Christus' verdienste vermengd moet worden met zijn eigen gebed, lofprijzing en werken der liefde (Openbaring 8:3-4). Het geloof waardoor hij gerechtvaardigd  wordt,   zal   altijd door liefde werken (Galaten 5:6). 

Aan de boom des geloofs zullen altijd goede werken te vinden zijn. Ofschoon ieder ge­bed en ieder goed werk geïnspireerd wordt door de Geest van God,   moet het toch vermengd worden met het reukwerk van het heiligdom voordat ze door God kunnen worden geaccep­teerd. Wanneer de gelovige niet volledig en voortdurend op de verdiensten van de gerechtigheid van Christus vertrouwt, zijn  zijn  beste  werken  slechts   "een wegwerpelijk kleed" (Jesaja 64:6 St. Vert.).

 

Alleen door de toegerekende gerech­tigheid van Christus kan de christen volkomen gehoorzamen aan de geboden van God. Hij moet weten dat hij alleen voor God bestaan kan door de verdiensten van Christus. Hij kan zich   nimmer   verlaten   op   de   mate van zijn ervaring in de heiligmaking.  Christus is zijn  enige gerechtigheid, nu en voor altijd. Opwassen in de genade moet vergezeld gaan met een steeds groter wordende afhankelijkheid van Zijn  ver­diensten.  Elk "goed werk" dat hij doet zonder geloof in de verdiensten van zijn Heiland, is zonde waarvan hij zich moet bekeren. Het zout van  Zijn gerechtigheid moet aan ieder offer worden toegevoegd.  (Leviticus 2:13; Markus 9:49; Collossenzen 4:6)

 

Het grote doel van de heiligmaking is om de werkelijkheid van de volledige afhankelijkheid van de verdiensten van Chris­tus te begrijpen. De Vader is tevreden met de verdiensten van Zijn Zoon. Wanneer deze verdiensten de gelovige zonder enig voorbehoud voor tijd en eeuwigheid voldoen, dan is het werk van zijn heiligmaking voltooid. Heiligmaking is niet een kwestie van gevoel, doch van geloof. Zoals in de natuur zowel wolken als zonneschijn nodig zijn, is het ook in het christelijke leven niet altijd zonneschijn. Vele beproevingen en lijden zijn Gods kinderen voorzegd: "Talrijk zijn de ram­pen van de rechtvaardige, maar uit die alle redt hem de Here" (Psalm 34:20). Zelfs David had moeite om de betekenis van Zijn lijden te verstaan.

 

"Maar tevergeefs heb ik mijn hart rein gehouden, mijn handen in onschuld gewassen. De ganse dag word ik geplaagd, mijn bestraffing is er elke morgen. Indien ik gezegd had; ik zal aldus spreken, zie, dan ware ik afvallig geweest van het geslacht uwer kinde­ren" (Psalm 73:13-15).

 

Dan, wanneer hij Gods doel met zijn beproevingen begrijpt, voegt hij er aan toe:

 

"Toen was ik een grote dwaas zonder verstand, ik was een redeloos dier bij U. Nochtans zal ik bestendig bij U zijn, Gij hebt mijn rechter hand gevat: Gij zult mij leiden door Uw raad, en daarna mij in heerlijkheid op­nemen" (Psalm 73:22-24).

 

De apostel Petrus schrijft:

 

"Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwame. Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring Zijner heerlijk­heid" (l Petrus 4:12-13).

 

De beproevingen van het leven zijn de middelen in Gods hand om de pestbuilen van ons karakter, die voor ons oog verborgen zijn te ontdekken. Het zijn Zijn middelen om een geloof te beproeven, te ontwikkelen en te vervolmaken, dat volledig op Christus steunt. Diamanten worden gevormd wanneer een gewone substantie, koolstof, geplaatst wordt onder een uitzonderlijk hoge druk. Het is Gode niet welge­vallig, wanneer wij de beproeving met lange treurige ge­zichten ondergaan. Paulus roemde zich in de verdrukking.

 

Een Minderjarige Verwacht de Erfenis

 

Door het geloof in Jezus wordt een christen gerecht­vaardigd en tot erfgenaam van het universum gemaakt. Hij is een zoon van God en een mede-erfgenaam met Christus. Hij mag zich er in verheugen dat hij een mens is die geboren is uit de Geest, om koning en priester voor God te zijn (Openbaring 1:6). In Christus behoort hem het ganse univer­sum toe.Geen wonder dat Paulus zegt, dat zijn erfenis "onuitsprekelijk" is (2 Corinthe 9:15). De gelovige kan ver­geleken worden met een minderjarige, die de bezittingen van zijn vader erft. Ofschoon hij iedere verzekering heeft dat het  hem toebehoort, kan hij zich het bezit niet toe-eigenen voordat hij volwassen is. Een kind kan de erfenis nog niet beheren. Om het bezit zeker te stellen, wordt het voor hem in bewaring gehouden totdat hij opgegroeid is. Evenzo is het met ons, gedurende wij opgroeien tot "de mannelijke rijp­heid", de maat van de wasdom der volheid van Christus", houdt God ons bezit in bewaring, opdat niet tengevolge van onze onmondigheid, de vijand het ons zou ontroven. In deze wachttijd vertrouwt God ons enige goederen toe, om ons te beproeven of wij als toekomstige heersers van het univer­sum met Christus geschikt zijn. Als wij getrouw zijn over weinig, bewijzen wij dat we ook over veel getrouw kunnen zijn. Wanneer we in de ons hier toevertrouwde zaken ontrouw zijn, bewijzen wij dat we voor onze roeping ongeschikt zijn. Wij zijn niet bekwaam om met degenen die geheiligd zijn het erfdeel te aanvaarden.