You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - De mens geboren...
 
Gestorven, begraven, opgestaan   (8)

 

"Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven?

Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn?

Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen.

Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn met hetgeen gelijk is aan zijn opstanding; dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.." (Romeinen 6:1-7).

 

In het aardse heiligdom en haar dienst nam het brand­offeraltaar in de voorhof de voornaamste plaats in. Voor de vergevingzoekende zondaar, die aan de ingang van de voorhof verscheen, was het een symbool van de dood. Het maakte hem bewust van het feit, dat de zonde zijn leven opeiste. Ofschoon in een brandoffer voor hem werd voor­zien, werd van hem verlangd, dat hij zijn leven vereenzelvigen zou met dat van het brandoffer, door zijn eigen leven aan God te wijden. Het overgebleven bloed van het zondoffer werd uitgegoten aan de voet van het altaar. Bloed is het symbool van het leven. (Leviticus 17:11). De berouwvolle zondaar moest zijn leven overgeven in de dienst voor God.

 

In Zijn onderwijzingen plaatste Jezus het kruis als het belangrijkste beginsel voor de deur des heils. Hij vertelde Zijn toehoorders kort en bondig: "Wie zijn kruis niet draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn." En verder: "Zo zal dus niemand van u, die niet afstand doet van al wat hij heeft, mijn discipel kunnen zijn" (Lucas 14:27,33).

Het kruis was een werktuig des doods. Jezus vertelde Zijn toe­hoorders, dat wie het Koninkrijk Gods wilde binnengaan, zijn eigenliefde, zijn zelfzuchtige ambities, zijn gehele "ik" moet afsterven.  Jezus stelde de realiteit van het kruis zo indrukwekkend aan de mensen voor, dat het er op leek, als­of Hij Zijn discipel en wilde ontmoedigen. Zeker, Hij wenste geen discipelen die niet gewillig waren om hun leven te geven voor alles, wat het hart van de mens zo dierbaar is. Velen, zoals de rijke jongeling gingen verdrietig heen, gekwetst over zulk een hoge "prijs" voor het discipelschap.

 

De Griekse filosofie hield zich veel bezig met het ge­heim van het ego. Zij zagen er iets in wat kon worden ontwikkeld, verfijnd en verhoogd, als een voorwerp van be­wondering. Als zij er slechts in konden slagen om het goede van het ego naar voren te brengen, zo dachten zij, zou de mens onbeperkte mogelijkheden tot grootheid bezitten. De apostel Paulus, die zich aan de realiteit van het kruis van Christus vasthield, verkondigde de Grieken dat dit ego, dat zij in werkelijkheid aanbaden, de belichaming van alle kwaad was. Hij noemde het "de oude mens", die in vijand­schap en rebellie tegenover God staat en buitengewoon god­deloos en ongeneeslijk is. Hij kan niet vernieuwd, verbeterd of veredeld worden. Er woont niets goeds in hem (Romeinen 7:18), want de werkelijke grond van zijn bestaan is een tegen­stelling van de wet der zelfverloochenende liefde. De mens kan niet worden verhoogd door het liefkozen, verfraaien en ontwikkelen vanzijn ego. Hij moet zijn geliefde "ik" afleggen en met Christus laten kruisigen.

 

"Dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden, en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn." "Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met haar praktijken afgelegd hebt."
"Dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerte" (Romeinen 6;6; Collossenzen 3:9; Efeze 4:22). Paulus zelf wist wat het betekende om het eigen -ik af te sterven. Eens een trotse Farizeeër, opgevoed naar de beste normen van die tijd, geëerd als een lid van het Sanhedrin,   zonder blaam naar de uiterlijke letter der wet, werd Paulus van aangezicht tot aangezicht gesteld met de onmetelijke  zelfverloochenende   liefde van Christus. Zijn eigen leven onderwerpende aan de soevereiniteit der liefde, beleed hij: "Maar alles wat mij winst was, heb ik om Chris­tus'  wil   schade   geacht.   Voorzeker,   ik acht zelfs alles schade,   omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, alles te boven gaat. Om Zijnentwil heb ik dit alles prijsge­geven   en houd  het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen" (Filippenzen 3:7-8).

 

Christus de gekruisigde, is nog steeds voor de Joden (de wettischen en zelfgerechtigen) een aanstoot en voor de Heidenen (de wereldwijzen en ongelovigen) een dwaasheid (1Corinthe 1:23). De menselijke natuur is blind voor haar eigen zondigheid. Allen zullen erkennen dat hun daden tekort schieten ten opzichte van de heerlijkheid Gods, doch slechts weinigen worden er door het evangelie toe gebracht, toe te geven dat hun natuur, hun hele wezen, verdorven en zondig is. Dood in overtredingen en zonden kan de mens evenmin rechtvaardige daden doen, als een lijk kan opstaan en wan­delen. Als het natuurlijke hart van de mens slechts vervuld zou zijn met vijandigheid jegens God, dan was er nog hoop op verandering van deze toestand, door het wegnemen daar­van. Maar het wezen zelf is vijandigheid jegens God,"..….. Want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens het kan dat ook niet" (Romeinen 8:7).

Jezus zei, dat een slechte boom geen goede vruchten kan voortbrengen (Mattheus 7:18). Sommige van de papaja's die in Australië groeien waren bitter. Al de zonneschijn, water en bemesting konden de smaak van die vrucht niet veranderen. Nochtans waren er andere bomen, die onder dezelfde omstandigheden groeiden en heerlijke vruchten voortbrachten. Het milieu was niet de oorzaak van de bittere vrucht. Het was de natuur van de bomen. Geen zorg, hoe groot ook kon de bittere smaak van de vrucht in een zoete veranderen. Tenslotte werd de bijl er bij gehaald en de bittere bomen werden omgehakt.

Hoevelen trachten een christelijk leven te leiden door het veranderen van deze en gene gewoonte en door het nalaten van de een of andere zonde. Alsof de boom veranderd kan worden door het wegnemen van de vruchten!  Deze mensen moeten begrijpen dat hun probleem niet bestaat uit het­geen ze doen, maar wat ze van nature zijn. Het christelijke leven begint met het sterven van de oude mens.

 

De Weg van Zelf-Kruisiging

 

Er zijn ook mensen die hun natuurlijke zondigheid enigszins beseffen, en volgens een bepaald programma zichzelf trachten te kruisigen. Velen wijden hun leven aan sober­heid, zelfverloochening en vernedering om de kruisiging van het "ik" te bewerken. Doch hun pogingen om zichzelf uit de macht van het kwaad te bevrijden zijn vergeefs. Geen mens kan zich van zichzelf ontledigen. Niemand is in staat om zijn eigen kruisiging teweeg te brengen. Dit is zelfs in letterlijke zin onmogelijk. Een mens kan zichzelf van alles aandoen, doch zichzelf kruisigen kan hij niet. Iemand an­ders moet hem aan het kruis nagelen. Zo is het ook in gees­telijke zin niet mogelijk om wegen en middelen te vinden, tot de kruisiging van het eigen-ik.

 

Het evangelie verklaart dat het gehele werk der ver­lossing in Christus volbracht werd. Hij "vernietigde de vijandschap in Zijn vlees". De oude mens is met Hem ge­kruisigd. In Christus is de oude mens gestorven. De dood van het "ik" is een zegening van Zijn bemiddeling, die het­geen de Verlosser der wereld volbracht heeft effectief maakt. Laten wij ernstig bedenken hoe we de zegeningen verkrijgen, die in Christus iedere gelovige ter beschikking staan.

 

Romeinen 6 is de duidelijkste verklaring van het sterven en het begraven van de "oude mens". Wanneer wij echter in Romeinen 6 beginnen te lezen, zou ons de toegang tot deze ervaring kunnen ontgaan. Er is een logische en goddelijke lijn in de brief aan de Romeinen, die we in acht behoren te nemen. De eerste tweeënhalf hoofdstukken bevestigen de zondigheid van alle mensen. De volgende tweeënhalf hoofd­stukken brengen het grote leerstuk van de rechtvaardiging door de toegerekende gerechtigheid van Christus naar voren. In de hoofdstukken 3 tot en met 5, wordt Christus voorge­steld als de gerechtigheid van de zondaar.

De liefde van God wordt verhoogd in de gave van Zijn Zoon. Aan allen die deze liefde beantwoorden en zich met Christus verbin­den, wordt de gerechtigheid van God toegerekend. God Zelf rechtvaardigt ze geheel.   Zij die deze grote gave van Zijn volmaakte   gerechtigheid   ontvangen,  moeten   in   volledige afhankelijkheid van de  verdiensten  van Christus,  tot God komen.   Ze moeten komen precies zoals ze zijn  -  zondig, hulpeloos en afhankelijk.   Ze moeten zich geheel en al aan de genade  van  de  zonde- vergevende   Zaligmaker  toever­trouwen.   Dit is Gods weg om de heerlijkheid van de mens in het stof te leggen en voor hem dat te doen, wat hij niet voor zichzelf kan doen. Dit onderwerpt de trots van het hart en is een kruisiging van het "ik".  

De liefde van God in het licht van de gekruisigde, opgestane en in het heiligdom be­middelende Christus,  breekt het hart dat door de zonde verhard is.  

De gedachte dat de gerechtigheid van Christus om niet wordt toegerekend, zonder enige verdienste van de kant van de zondaar, is zulk een kostelijke openbaring, dat daardoor de macht van eigen-liefde in het hart wordt ge­broken. "Wij dan, gerechtvaardigd uit geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus. .….. Omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, die ons gegeven is"  {Romeinen 5:1, 5).  Liefde is een nieuw en levend beginsel dat de zonde uit het hart bant en een kruisi­ging van het "ik" teweegbrengt.

 

In Romeinen 6 toont Paulus verder aan dat degenen die beslag gelegd hebben op de toegerekende gerechtigheid van Jezus, met Hem gekruisigd zijn. Het is een voorrecht zich­zelf inderdaad als gestorven voor de zonde te beschouwen (Romeinen 6:11). Niet slechts bepaalde zondige daden zijn weggenomen, doch het gehele "lichaam der zonde" is met Christus begraven.

 

Het beeld van de dood op het altaar is een zeer prak­tisch beeld. Wanneer een gelovige, Christus als zijn leven en gerechtigheid aanneemt, is hij duur gekocht. Hij behoort niet meer zichzelf, want om een volgeling van Christus te zijn moet de mens alles opgeven wat hij heeft, zijn kruis op zich nemen en Christus volgen. Een zakenman moet zijn zaak, een boer zijn boerderij en een ambachtsman zijn ambacht opgeven. Dit wil niet zeggen, dat zij hun werk moeten verzaken, want Paulus adviseert: "Laat ieder blijven in hetgeen hij geroepen is". Doch het betekent, dat de gelo­vige voortaan afstand doet van het eigendomsrecht op zijn leven en alles wat hij heeft. Het wordt alles aan de Here overgegeven, om naar Zijn aanwijzing te worden gebruikt. De mens is slechts rentmeester over de goederen van zijn Heer en zal de zaak, de boerderij of het ambacht als Zijn onderneming beheren. Dit is waar christendom en alles wat hieraan niet voldoet, is geen christendom.

De apostel Paulus zei: "Want het leven is mij Christus". Dit is de meest volmaakte definitie van het christendom in het Woord van God. Een christen moet voor één zaak in deze wereld zijn - om het evangelie aan ieder schepsel te prediken - en al het andere wat hij doet, moet slechts dienen om de on­kosten te bestrijden.

 

Vele mensen menen, dat wanneer ze een tiende deel van hun geld aan de Here betalen en enkele offers voor Zijn werk brengen, ze vrij zijn om de rest te gebruiken naar hun eigen goeddunken. Die dat doen hebben nog niet tenvolle begrepen wat waar christendom is. Anderen menen, dat wanneer ze één dag in de week aan de Here gewijd hebben, en misschien nog enige tijd die zij nodig achten, zij dan vrij zijn om de rest van de tijd voor zichzelf te benutten. Ook dit is geen waar christendom.

Een christen is duur gekocht. Alles wat hij is en heeft is van Christus en hij houdt niets achter om zichzelf te behagen. Een mens die belijdt een christen te zijn en nochtans iets van zijn tijd, middelen, kracht, of iets anders waarover hij rentmeester is, achterhoudt voor zijn eigen egoïstische bevrediging, pleegt de zonde van Annanias en Saphira. Deze mensen beleden ook dat zij alles gegeven hadden, maar hielden een deel van de prijs achter.

 

Houdt u ook een deel van de prijs achter? De prijs van de hemel is Jezus en de prijs van Jezus is alles. Hij is de Parel van grote waarde. Beledig de Koning van de hemel niet, door minachting voor Zijn heil te tonen, door te denken dat de Parel kan worden verkregen door iets minder te ver­kopen dan alles wat u hebt. Jezus waarschuwt allen die Hem willen volgen, om eerst te gaan zitten en de kosten te bere­kenen. Tracht niet een christen te zijn zonder de kosten te berekenen. Het kost u namelijk alles!

 

De Kracht van de Opstanding

 

Gewoonlijk worden dode mensen begraven. De bijbelse doop is een openlijke belijdenis van de kant van de gelovige, dat hij met Christus gestorven is. Hij geeft het "lichaam der zonde" over om met Christus te worden begraven. Hij daalt af in het water en wordt geheel ondergedompeld. Een ogenblik is hij niet zichtbaar en is geheel begraven.

 

Het is voorgekomen dat mensen door een foutief ge­stelde diagnose levend begraven werden. Zulk een vergis­sing komt op geestelijk gebied veel vaker voor. Dat komt omdat velen zich laten dopen en met al hun oude gewoonten, neigingen en praktijken nog levend uit het watergraf opstaan. Zij zijn niet uit het graf opgestaan door de kracht van Christus' opstanding.

 

De doop, de afwassing van de zonde (Handelingen 22: 16), werd gesymboliseerd door het koperen wasvat in de voorhof van de oude tabernakel. Hier wasten de priesters hun handen en voeten, alvorens in de tegenwoordigheid Gods te treden. Paulus doelt hierop wanneer hij zegt: "Heeft Hij, niet om werken der gerechtigheid die wij zouden gedaan hebben, doch naar Zijn ontferming ons gered door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de Heilige Geest, die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus onze Heiland, opdat wij, gerechtvaardigd door Zijn genade, erfgenamen zouden worden overeenkomstig de hope des eeuwigen levens" (Titus 3:5-7).

 

Het christendom beoogt niet een verbetering van het oude leven. Het betekent een geheel nieuw leven. Een chris­ten is iemand die met Christus gestorven en begraven is. Dezelfde kracht die Christus uit het graf deed verrijzen, werkte in hem en deed hem opstaan om in nieuwigheid des levens te wandelen. Het evangelie is "een kracht Gods tot behoud". Dit was dezelfde kracht die de wereld in zes dagen schiep. Die scheppende kracht, die kracht van de opstanding, werkt in het leven van hem die in Jezus gelooft. De weder­geboorte is een niet geringer wonder dan de schepping van de wereld. Door dit wonder wordt de gelovige in Jezus deelhebber van de goddelijke natuur en is ontkomen aan het verderf dat door de begeerte in de wereld is (2 Petrus 1:4). Door dit leven van omhoog, is het oude verdwenen en alles is nieuw geworden (2 Corinthe 5:17). Hij heeft nieuwe be­weegredenen, neigingen en beginselen. Hij is een nieuwe schepping, een even groot getuigenis van de waarheid van het evangelie als Lazarus was, nadat Christus hem uit het graf had tevoorschijn geroepen. Het bericht over de opstanding van Lazarus bevat een belangrijke les voor ons.

 

"Jezus   dan.   wederom   bij   Zichzelf  verbolgen,  ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan. Jezus zeide: Neemt de steen weg! Martha, de zuster van de gestorvene zeide tot Hem: Here er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag. Jezus zeide tot Haar: Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult? Zij namen dan de steen weg. En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij ver­hoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar terwille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken opdat zij geloven, dat Gij Mij gezon­den hebt. En na dit gezegt te hebben, riep Hij met luider stem: Lazarus, kom naar buiten! De gestor­vene kwam naar buiten" (Johannes 11:38-44).

 

Van nature zijn we evenals Lazarus - dood in over­tredingen en zonden. Los van Christus hebben we niet meer geestelijk leven dan een lijk. Jezus is de opstanding en het leven. Hij belooft ons op te wekken door de kracht Zijner opstanding, door ons deelgenoten te maken van goddelijk leven. Nu zegt Hij: "Neemt de steenweg". De Here neemt hem niet weg, noch Zijn engelen, doch Hij laat dit aan ons over. Evenals bij Martha heeft het natuur­lijke hart tegenwerpingen. We nemen niet graag de be­dekking van een lijk weg. Maar Jezus zei tegen Martha, dat als zij slechts zou geloven -in overgave en gehoorzaamheid - zij de heerlijkheid Gods zou zien. Laten wij dan de steen weg nemen en iedere hindernis wegruimen, opdat de opstandingskracht van Jezus in onze ziel kan vloeien. Naäman, de melaatse, had hetzelfde probleem. Deze edelman moest zich ontkleden en zijn zieke vlees ontbloten in de tegenwoordigheid van zijn knechten. Maar hij vernederde zich en daalde af in de Jordaan en kwam genezen weer boven. De Here zegt tot ons: "Neemt de steen weg!"

 

Wat betekent het de steen weg te rollen? Welnu, niemand kan in zijn hart geloven tot gerechtigheid, ter­wijl hij een bewuste zonde begaat of een hem bekende plicht verzaakt. Neemt dus de steen weg! Niemand kan tot het altaar komen en de grote gave des levens aanvaarden terwijl hij zich herinnert, dat hij zijn broeder onrecht heeft aangedaan. We moeten onze bewuste zonden belijden en ze van harte wegdoen. Dat wil zeggen: neemt de steen weg!

 

De Meester zegt:  "Dat gij, indien gij gelooft, de heerlijk­heid Gods zien zult", in de opstanding van het nieuwe leven.

 

"Neemt de steenweg!" Deze zelfde uitnodiging wordt gegeven in de boodschap aan Laodicea. "Indien iemand naar Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnen­komen" (Openbaring 3:20). Sommigen kunnen de deur niet openen, omdat de wereld als een hoop vuilnis ervoor ligt. Jesaja zegt, dat we de weg voor de Koning moeten bereiden. Niets wordt door Satan zo gevreesd, als het wegnemen van de hindernissen, zodat de opstanding kan plaats hebben.

 

Er is inspanning voor nodig om de steen weg te rollen. We worden weliswaar door onze inspanning niet gered. Er is geen verdienste in onze inspanning, maar we zullen nooit gered worden als we niet met al onze inspanning met Christus samenwerken. Door de werken wordt het geloof vervolmaakt (Jacobus 2:22).

Het werk van het wegrollen van de steen, is het belijden en nalaten van onze zonden en het ons afkeren van de wereld, daardoor wordt het geloof vervolmaakt zodat wij de Heiland volledig kunnen aanvaarden. We moeten gewillig zijn onze zonden na te laten, niet slechts voor een moment, doch om de gehele verdoemde last aan de voet van het kruis te laten. Op deze wijze neemt u de steen weg, u ziet de heerlijkheid Gods; en leert Hem en de kracht Zijner opstanding kennen.