You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - De mens geboren...
 
De toegerekende gave   (7)

 

"Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk, om hem te doen zitten bij edelen, en een erezetel te doen verwerven." 1 Samuel 2:8

 

Wanneer de berouwvolle Hebreeër door het voorhang­sel de voorhof binnenging, was hij omgeven door de prach­tige witte linnen omheining. Door de verdiensten van het bloed en het reukwerk stond hij rein en onschuldig voor de wet die hij had overtreden. Wanneer de berouwvolle zondaar door de "deur des geloofs"

binnengaat,  "is er…… geen veroordeling",  want hij is "in Christus Jezus" (Romeinen 8:1). Hij is bekleed met het kleed van Christus' gerechtigheid.

Er is geen doeltreffender voorstelling van de toegerekende gave van Christus' gerech­tigheid dan die welke gevonden wordt in Paulus' brief aan de Romeinen:

 

“Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid.

Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.

Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden; om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is.

Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten. Door welke wet? Der werken? Neen, maar door de wet van geloof.

Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet.”

 

“Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, verkregen heeft?

Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God.

Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.

Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting.

Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid, gelijk ook David de mens zalig spreekt, aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken:

Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn. Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen.” (Romeinen 3:21-28; 4:1-8.)

 

Dit Schriftgedeelte is zo betekenisvol en kostelijk, zo troostvol, dat we er bij stil moeten staan om de ver­heven waarheid ervan te overdenken.

 

In de gave van Christus stelt God ons een gerechtig­heid voor, welke volkomen en onbeperkt is, want het is "de gerechtigheid Gods". In Christus nam God de men­selijke natuur aan, die Hij waste en reinigde. Hij maakte deze menselijke natuur tot "gerechtigheid Gods in Hem" (2 Corinthe 5:21), wekte deze op uit het graf en zette haar op de troon der heerlijkheid als erfgenaam van het universum.

In haar geïnspireerde gebed verklaarde Hanna: "Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk, om hem te doen zitten bij edelen en een erezetel te doen verwerven." (l Samuel 2:8)

God heeft deze verlossing reeds in Christus Jezus vol­bracht. Zijn Zoon kwam van de troon der heerlijkheid en werd vlees. Hij vernederde Zichzelf tot stof. Hij nam het stof aan en maakte het tot "gerechtigheid Gods in Hem", droeg het terug naar de hemel en deed het de troon der heerlijkheid beërven. Ja, zelfs meer dan dat! Hij ver­hief de mensheid uit het slijk. Geschapen uit stof, was de mensheid gevallen in het slijk der zonde. Christus, "die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde ge­maakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem" (2 Corinthe 5:21).

In Christus haalde God de mensheid uit het slijk en verhoogde haar tot Zijn eigen troon als erfge­naam van alle dingen. God deed dit alles voor ons in Christus want "Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons te­voren er toe bestemd als zonen van Hem te worden aange­nomen door Jezus Christus naar het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde" (Efeze 1:4-6). Dit alles was "naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd" (Efeze 3:11), om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf; het is een gave van God; niet uit wer­ken, opdat niemand roeme. Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen" (Efeze 2:7-10).

 

Ten opzichte hiervan moeten wij niet stilstaan om ons af te vragen: "Hoe kan God ons opheffen uit onze ellendige armoede en ons oneindig rijk maken?" In Christus heeft Hij dit reeds voor ons tot stand gebracht. We moeten ons niet afvragen hoe Hij ons uit het slijk der zonde kan brengen. Hij heeft het in Christus gedaan. Hij gaf Zijn Zoon om onze plaats in te nemen, opdat wij verhoogd kunnen worden om Zijn plaats in te nemen. De apostel zegt: "Dat Hij om uwent­wil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden" (2 Corinthe 8:9).

 

"Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem" (2 Corinthe 5:21). In Christus werd iedere zonde van de mensheid, die zij mogelijkerwijs kan bedrijven, naar het kruis gedragen. In Christus leed en stierf de mensheid voor de zonden, werd gereinigd door het kost­bare bloed van Jezus en werd opnieuw tot eenheid met God gebracht. Er is geen mens zo slecht of goddeloos, of hij mag weten dat dit onuitsprekelijke heil voor hem tot stand werd gebracht.

 

Wat verlangt God nu van ons voor zo'n grote verlos­sing? Geloof! Dat is alles wat God verlangt, opdat Hij ons om niet zal kunnen rechtvaardigen "           door de verlos­sing in Christus Jezus". Door geloof, niet door werken, tranen, voornemens, beloften, maar door geloof alleen rechtvaardigt God de goddelozen. En wat is dit geloof? Het is de beantwoording van het hart aan zulk een onmetelijke liefde. "Maar zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn" (Hebreeën 11:6).

God verheugt zich, wanneer Hij een mens vindt wiens hart aan Zijn liefde beantwoordt. Hij verklaart hem volmaakt rechtvaardig in de tegenwoor­digheid van het gehele universum. (Jesaja 62:5; Romeinen 8:33).

 

Geloof Staat Gelijk aan Gerechtigheid

 

De gerechtigheid die in de mens Christus Jezus werd gewrocht, wordt hem toegerekend, die geloof heeft in de gave van God. Dit gold ook voor Abraham. "Abraham ge­loofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend". Zo geldt dit ook voor de goddeloze. "Zijn geloof wordt ge­rekend tot gerechtigheid" (Romeinen 4:3,5). Evenals het een eeuwige waarheid is, dat ongeloof gelijk is aan zonde, is het ook een eeuwige waarheid dat:

 

Geloof = gerechtigheid

 

Wanneer God de goddeloze die in Jezus gelooft, recht­vaardigt, hetgeen hem tot gerechtigheid gerekend wordt, is dit niet een foutieve berekening. God speelt geen komedie. Het is niet zoals een godsdienstleraar het eens uitdruk­te, dat Christus de Vader een rose gekleurde bril opzet, zodat Hij de zondaar in een ander licht kan zien. We moe­ten bedenken, dat de gerechtigheid van God op het spel staat wanneer Hij de gelovige zondaar in tegenwoordigheid van het universum rechtvaardig verklaart. De apostel zegt, dat God deze verklaring geeft: dat "Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is". Daarom, wanneer God een gelovige zondaar rechtvaar­dig verklaart, bevestigt Hij hetgeen eeuwige waarheid is, namelijk:

 

geloof = gerechtigheid

 

We moeten hieruit niet concluderen dat geloof onze zaligmaker is, of dat er enige verdienste is in het geloof zelf. Geloof is slechts de hand die Jezus aangrijpt. Het is het middel waardoor de berouwvolle zondaar zich met Christus, als zijn persoonlijke Verlosser, verbindt. Waar geloof brengt de gelovige in een levend contact met Chris­tus. De zieke vrouw die genezing vond door het aanraken van de zoom van Jezus 'kleed, openbaart ons reddend ge­loof. Terwijl velen zich rondom de Meester verdrongen, stak zij haar hand uit, raakte de zoom van Zijn kleed aan en werd genezen. De menigte, die in directe aanraking met Christus kwam, ontving geen zegen, maar de in nood verkerende vrouw maakte een levend contact met de Ver­losser. Jezus zei tot haar: "Dochter, uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede" (Lucas 8:48). Geloof ver­bindt de gelovige met Jezus. Wanneer de zondaar in Jezus zijn enige hoop ziet en de lokkende liefde van Christus be­antwoordt, werpt hij zijn hulpeloze ziel op de genade van zijn medelijdende Verlosser. Zijn geloof brengt de volle­dige afhankelijkheid aan zijn Verlosser tot uitdrukking. Hij verbindt zijn zwakheid met de kracht van Christus, zijn nietigheid met Christus' volheid. Wanneer deze band van eenheid met Christus door het geloof tot stand is ge­bracht, wordt de gerechtigheid van Christus hem toege­rekend. We kunnen de waarheid van dit onderwerp als volgt voorstellen:

 

                      0                           +                                   100%                                                               =100%  

De gerechtigheid van de gelovige  +     Jezus' volmaakte en eeuwige ge­rechtigheid            =  Volmaakte en eeuwige gerechtig­heid.

    

 

Zover het de mens betreft, is het gisteren, vandaag en voor altijd waar, dat zijn enige gerechtigheid alleen in Christus bestaat. Gerechtigheid is liefde en liefde is leven. God is liefde. Hij is de Bron van liefde. Hij geeft ze nooit gescheiden van Zichzelf. De mens kan alleen rechtvaardig zijn, krachtens zijn verbinding met de Bron van gerech­tigheid. Het wezenlijke van de gerechtigheid van de mens is zijn verbinding met God.
Toen Adam in een volmaakte eenheid met God wandelde, was hij rechtvaardig. Gescheiden van God was hij gescheiden van de gerechtigheid. Door geloof in Christus is de band van eenheid opnieuw hersteld en God verklaart de gelovige rechtvaardig, niet omdat Hij enige verdienste in hem vindt  maar, omdat Hij hem in verbinding vindt met Degene die geheel en al gerechtigheid is.

 

De huwelijksband stelt de eenheid van Christus en de gelovige het meest aanschouwelijk voor. Wanneer een vrouw zonder enig vermogen met een schatrijke man trouwt, wordt zij krachtens haar verbinding met haar echtgenoot een vrouw met groot vermogen. Christus wordt genoemd: "DE HERE ONZE GERECHTIGHEID" (Jeremia 23:6).

Wie de Heiland als zijn persoonlijke Verlosser en Zaligmaker aanneemt mag zeggen: "De Here mijn gerechtigheid". De volmaakte gerechtigheid van Christus wordt de zijne op het moment dat Jezus de zijne wordt. Daarom, "Wie de Zoon heeft, heeft het leven, (dit betekent: een rechtvaardig eeuwig leven); wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet" (1 Johannes 5:12).

 

Verhoogd door de Toegerekende Gave

 

De  toegerekende  gerechtigheid  van Jezus verheft de gelovige in Gods oog hoger dan de hoogste menselijke ge­dachte reikt. Want de zondaar die de onmetelijke liefde var God beantwoordt, ontvangt in Christus al de opeengehoopte rijkdommen  van  de  eeuwigheid. (Efeze 1:3) God zegt tot| hem:  "Alles is immers het uwe" (l Corinthe 3:21). De ge­rechtigheid van God is de zijne. Geen latere ervaring zou hem meer rechtvaardig kunnen maken in Gods oog. Door de verdiensten van Christus heeft hij het hoogste punt bereikt, dat de mens ooit bereiken kan. In Christus heeft hij een plaats in de hemel verworven en is een erfgenaam van| God en mede-erfgenaam met Christus (Efeze 2:6; Romeinen 8:17).  God bemint hem zoals Hij Zijn eigen Zoon bemint, en het zou de Vader niet bevredigen om hem ook maar iets minder te geven dan Hij Zijn eigen Zoon geeft. We willen dit hoofdstuk besluiten met enige woorden van de grote Her­vormer:

 

"Nu,   als erfgenamen zijn we bevrijd van de dood, de duivel enz., en we hebben gerechtigheid en eeuwig le­ven            Maar dit gaat alle menselijke verstand verre te boven, nl. dat Hij ons erfgenamen noemt, niet van een of andere rijke en machtige vorst, niet van deze wereld, maar van de Almachtige God, de Schepper van alle dingen. Deze onze erfenis dan (zoals Paulus op een andere plaats zegt) is onuitsprekelijk ( 2 Co­rinthe 9:15).

Zou de mens de grote uitnemendheid van deze zaak kunnen begrijpen, dat hij de zoon en erfge­naam van God is, en dit met volhardend geloof aan­vaarden, dan zou hij alle macht en rijkdom van alle koninkrijken der wereld als vuilnis achten in verge­lijking met Zijn eeuwige erfenis. Hij zou alles wat hoog en glorierijk in de wereld is, verafschuwen, ja, zelfs hoe groter de pracht en heerlijkheid van de we­reld is, des te meer zou hij het haten. Tenslotte zou alles wat in de wereld hoog gewaardeerd en verheer­lijkt wordt, in zijn ogen gering, waardeloos en een gruwel zijn. Want wat is de hele wereld met al haar macht, rijkdom en heerlijkheid in vergelijking met God, wiens zoon en erfgenaam hij is?……… Indien we ten volle verzekerd zouden zijn en vast geloven zou­den, dat God onze Vader is, en wij zijn zonen en erf­genamen, dan zouden we deze wereld volkomen ver­achten met al de heerlijkheid, rechtvaardigheid, wijs­heid en macht, met al de koninklijke, scepters en kronen en met al de rijkdommen en genoegens ervan. We zouden niet zoveel zorg hebben voor dit leven, we zouden ons niet zo aan aardse dingen hechten, ver­trouwen op hetgeen we bezitten, klagen en wanneer we het verliezen; maar we zouden alle dingen doen met grote liefde in nederigheid en geduld." (Maarten Luther, Commentaar op de brief aan de Galaten 1535 pp 377-378.)