"Hij heft de geringe
op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk, om hem te doen
zitten bij edelen, en een erezetel te doen verwerven." 1 Samuel
2:8
Wanneer de berouwvolle
Hebreeër door het voorhangsel de voorhof binnenging, was hij omgeven door
de prachtige witte linnen omheining. Door de verdiensten van het bloed en
het reukwerk stond hij rein en onschuldig voor de wet die hij had
overtreden. Wanneer de berouwvolle zondaar door de "deur des geloofs"
binnengaat, "is er…… geen
veroordeling", want hij is "in Christus Jezus" (Romeinen 8:1). Hij is
bekleed met het kleed van Christus' gerechtigheid.
Er is geen doeltreffender
voorstelling van de toegerekende gave van Christus' gerechtigheid dan die
welke gevonden wordt in Paulus' brief aan de Romeinen:
“Thans is echter buiten de
wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten
getuigen, en wel gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus Christus,
voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid.
Want allen hebben gezondigd
en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn
genade, door de verlossing in Christus Jezus.
Hem heeft God voorgesteld
als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te
tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods
gepleegd waren, had laten geworden; om zijn rechtvaardigheid te tonen, in
de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem
rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is.
Waar blijft het roemen dan?
Het is uitgesloten. Door welke wet? Der werken? Neen, maar door de wet van
geloof.
Want wij zijn van oordeel,
dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet.”
“Wat zullen wij dan zeggen,
dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, verkregen heeft?
Want indien Abraham uit
werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God.
Want wat zegt het
schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid
gerekend.
Nu wordt hem die werkt, het
loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting.
Hem echter, die niet werkt,
maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt
zijn geloof gerekend tot gerechtigheid, gelijk ook David de mens zalig
spreekt, aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken:
Zalig zij, wier
ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn. Zalig de man, wiens
zonde de Here geenszins zal toerekenen.” (Romeinen 3:21-28; 4:1-8.)
Dit Schriftgedeelte is zo
betekenisvol en kostelijk, zo troostvol, dat we er bij stil moeten staan
om de verheven waarheid ervan te overdenken.
In de gave van Christus
stelt God ons een gerechtigheid voor, welke volkomen en onbeperkt is,
want het is "de gerechtigheid Gods". In Christus nam God de menselijke
natuur aan, die Hij waste en reinigde. Hij maakte deze menselijke natuur
tot "gerechtigheid Gods in Hem" (2 Corinthe 5:21), wekte deze op uit het
graf en zette haar op de troon der heerlijkheid als erfgenaam van het
universum.
In haar geïnspireerde gebed
verklaarde Hanna: "Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme
omhoog uit het slijk, om hem te doen zitten bij edelen en een erezetel te
doen verwerven." (l Samuel 2:8)
God heeft deze verlossing reeds in Christus Jezus volbracht. Zijn Zoon
kwam van de troon der heerlijkheid en werd vlees. Hij vernederde Zichzelf
tot stof. Hij nam het stof aan en maakte het tot "gerechtigheid Gods in
Hem", droeg het terug naar de hemel en deed het de troon der heerlijkheid
beërven. Ja, zelfs meer dan dat! Hij verhief de mensheid uit het slijk.
Geschapen uit stof, was de mensheid gevallen in het slijk der zonde.
Christus, "die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde
gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem" (2 Corinthe
5:21).
In Christus haalde God de
mensheid uit het slijk en verhoogde haar tot Zijn eigen troon als
erfgenaam van alle dingen. God deed dit alles voor ons in Christus want
"Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld,
opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht. In
liefde heeft Hij ons tevoren er toe bestemd als zonen van Hem te worden
aangenomen door Jezus Christus naar het welbehagen van Zijn wil, tot lof
van de heerlijkheid zijner genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de
Geliefde" (Efeze 1:4-6). Dit alles was "naar het eeuwige voornemen, dat
Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd" (Efeze 3:11), om in de
komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar zijn
goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want door genade zijt gij
behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf; het is een gave van God;
niet uit werken, opdat niemand roeme. Want zijn maaksel zijn wij, in
Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid
heeft, opdat wij daarin zouden wandelen" (Efeze 2:7-10).
Ten opzichte hiervan moeten
wij niet stilstaan om ons af te vragen: "Hoe kan God ons opheffen uit onze
ellendige armoede en ons oneindig rijk maken?" In Christus heeft Hij dit
reeds voor ons tot stand gebracht. We moeten ons niet afvragen hoe Hij ons
uit het slijk der zonde kan brengen. Hij heeft het in Christus gedaan. Hij
gaf Zijn Zoon om onze plaats in te nemen, opdat wij verhoogd kunnen worden
om Zijn plaats in te nemen. De apostel zegt: "Dat Hij om uwentwil arm is
geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt
worden" (2 Corinthe 8:9).
"Hem die geen zonde gekend
heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden
gerechtigheid Gods in Hem" (2 Corinthe 5:21). In Christus werd iedere
zonde van de mensheid, die zij mogelijkerwijs kan bedrijven, naar het
kruis gedragen. In Christus leed en stierf de mensheid voor de zonden,
werd gereinigd door het kostbare bloed van Jezus en werd opnieuw tot
eenheid met God gebracht. Er is geen mens zo slecht of goddeloos, of hij
mag weten dat dit onuitsprekelijke heil voor hem tot stand werd gebracht.
Wat verlangt God nu van ons
voor zo'n grote verlossing? Geloof! Dat is alles wat God verlangt, opdat
Hij ons om niet zal kunnen rechtvaardigen " door de verlossing
in Christus Jezus". Door geloof, niet door werken, tranen, voornemens,
beloften, maar door geloof alleen rechtvaardigt God de goddelozen. En wat
is dit geloof? Het is de beantwoording van het hart aan zulk een
onmetelijke liefde. "Maar zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig
te zijn" (Hebreeën 11:6).
God verheugt zich, wanneer
Hij een mens vindt wiens hart aan Zijn liefde beantwoordt. Hij verklaart
hem volmaakt rechtvaardig in de tegenwoordigheid van het gehele
universum. (Jesaja 62:5; Romeinen 8:33).
Geloof Staat Gelijk aan
Gerechtigheid
De gerechtigheid die in de
mens Christus Jezus werd gewrocht, wordt hem toegerekend, die geloof heeft
in de gave van God. Dit gold ook voor Abraham. "Abraham geloofde God en
het werd hem tot gerechtigheid gerekend". Zo geldt dit ook voor de
goddeloze. "Zijn geloof wordt gerekend tot gerechtigheid" (Romeinen
4:3,5). Evenals het een eeuwige waarheid is, dat ongeloof gelijk is aan
zonde, is het ook een eeuwige waarheid dat:
Geloof = gerechtigheid
Wanneer God de goddeloze die
in Jezus gelooft, rechtvaardigt, hetgeen hem tot gerechtigheid gerekend
wordt, is dit niet een foutieve berekening. God speelt geen komedie. Het
is niet zoals een godsdienstleraar het eens uitdrukte, dat Christus de
Vader een rose gekleurde bril opzet, zodat Hij de zondaar in een ander
licht kan zien. We moeten bedenken, dat de gerechtigheid van God op het
spel staat wanneer Hij de gelovige zondaar in tegenwoordigheid van het
universum rechtvaardig verklaart. De apostel zegt, dat God deze verklaring
geeft: dat "Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die
uit het geloof in Jezus is". Daarom, wanneer God een gelovige zondaar
rechtvaardig verklaart, bevestigt Hij hetgeen eeuwige waarheid is,
namelijk:
geloof = gerechtigheid
We moeten hieruit niet
concluderen dat geloof onze zaligmaker is, of dat er enige verdienste is
in het geloof zelf. Geloof is slechts de hand die Jezus aangrijpt. Het is
het middel waardoor de berouwvolle zondaar zich met Christus, als zijn
persoonlijke Verlosser, verbindt. Waar geloof brengt de gelovige in een
levend contact met Christus. De zieke vrouw die genezing vond door het
aanraken van de zoom van Jezus 'kleed, openbaart ons reddend geloof.
Terwijl velen zich rondom de Meester verdrongen, stak zij haar hand uit,
raakte de zoom van Zijn kleed aan en werd genezen. De menigte, die in
directe aanraking met Christus kwam, ontving geen zegen, maar de in nood
verkerende vrouw maakte een levend contact met de Verlosser. Jezus zei
tot haar: "Dochter, uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede" (Lucas
8:48). Geloof verbindt de gelovige met Jezus. Wanneer de zondaar in Jezus
zijn enige hoop ziet en de lokkende liefde van Christus beantwoordt,
werpt hij zijn hulpeloze ziel op de genade van zijn medelijdende
Verlosser. Zijn geloof brengt de volledige afhankelijkheid aan zijn
Verlosser tot uitdrukking. Hij verbindt zijn zwakheid met de kracht van
Christus, zijn nietigheid met Christus' volheid. Wanneer deze band van
eenheid met Christus door het geloof tot stand is gebracht, wordt de
gerechtigheid van Christus hem toegerekend. We kunnen de waarheid van dit
onderwerp als volgt voorstellen:
0
+ 100%
=100%
De gerechtigheid van de
gelovige + Jezus' volmaakte en eeuwige gerechtigheid =
Volmaakte en eeuwige gerechtigheid.
Zover het de mens betreft,
is het gisteren, vandaag en voor altijd waar, dat zijn enige gerechtigheid
alleen in Christus bestaat. Gerechtigheid is liefde en liefde is leven.
God is liefde. Hij is de Bron van liefde. Hij geeft ze nooit gescheiden
van Zichzelf. De mens kan alleen rechtvaardig zijn, krachtens zijn
verbinding met de Bron van gerechtigheid. Het wezenlijke van de
gerechtigheid van de mens is zijn verbinding met God.
Toen Adam in een volmaakte eenheid met God wandelde, was hij rechtvaardig.
Gescheiden van God was hij gescheiden van de gerechtigheid. Door geloof in
Christus is de band van eenheid opnieuw hersteld en God verklaart de
gelovige rechtvaardig, niet omdat Hij enige verdienste in hem vindt maar,
omdat Hij hem in verbinding vindt met Degene die geheel en al
gerechtigheid is.
De huwelijksband stelt de
eenheid van Christus en de gelovige het meest aanschouwelijk voor. Wanneer
een vrouw zonder enig vermogen met een schatrijke man trouwt, wordt zij
krachtens haar verbinding met haar echtgenoot een vrouw met groot
vermogen. Christus wordt genoemd: "DE HERE ONZE GERECHTIGHEID" (Jeremia
23:6).
Wie de Heiland als zijn
persoonlijke Verlosser en Zaligmaker aanneemt mag zeggen: "De Here mijn
gerechtigheid". De volmaakte gerechtigheid van Christus wordt de zijne op
het moment dat Jezus de zijne wordt. Daarom, "Wie de Zoon heeft, heeft het
leven, (dit betekent: een rechtvaardig eeuwig leven); wie de Zoon van God
niet heeft, heeft het leven niet" (1 Johannes 5:12).
Verhoogd door de
Toegerekende Gave
De toegerekende
gerechtigheid van Jezus verheft de gelovige in Gods oog hoger dan de
hoogste menselijke gedachte reikt. Want de zondaar die de onmetelijke
liefde var God beantwoordt, ontvangt in Christus al de opeengehoopte
rijkdommen van de eeuwigheid. (Efeze 1:3) God zegt tot| hem: "Alles is
immers het uwe" (l Corinthe 3:21). De gerechtigheid van God is de zijne.
Geen latere ervaring zou hem meer rechtvaardig kunnen maken in Gods oog.
Door de verdiensten van Christus heeft hij het hoogste punt bereikt, dat
de mens ooit bereiken kan. In Christus heeft hij een plaats in de hemel
verworven en is een erfgenaam van| God en mede-erfgenaam met Christus (Efeze
2:6; Romeinen 8:17). God bemint hem zoals Hij Zijn eigen Zoon bemint, en
het zou de Vader niet bevredigen om hem ook maar iets minder te geven dan
Hij Zijn eigen Zoon geeft. We willen dit hoofdstuk besluiten met enige
woorden van de grote Hervormer:
"Nu, als erfgenamen zijn
we bevrijd van de dood, de duivel enz., en we hebben gerechtigheid en
eeuwig leven Maar dit gaat alle menselijke verstand verre te
boven, nl. dat Hij ons erfgenamen noemt, niet van een of andere rijke en
machtige vorst, niet van deze wereld, maar van de Almachtige God, de
Schepper van alle dingen. Deze onze erfenis dan (zoals Paulus op een
andere plaats zegt) is onuitsprekelijk ( 2 Corinthe 9:15).
Zou de mens de grote
uitnemendheid van deze zaak kunnen begrijpen, dat hij de zoon en
erfgenaam van God is, en dit met volhardend geloof aanvaarden, dan zou
hij alle macht en rijkdom van alle koninkrijken der wereld als vuilnis
achten in vergelijking met Zijn eeuwige erfenis. Hij zou alles wat hoog
en glorierijk in de wereld is, verafschuwen, ja, zelfs hoe groter de
pracht en heerlijkheid van de wereld is, des te meer zou hij het haten.
Tenslotte zou alles wat in de wereld hoog gewaardeerd en verheerlijkt
wordt, in zijn ogen gering, waardeloos en een gruwel zijn. Want wat is de
hele wereld met al haar macht, rijkdom en heerlijkheid in vergelijking met
God, wiens zoon en erfgenaam hij is?……… Indien we ten volle verzekerd
zouden zijn en vast geloven zouden, dat God onze Vader is, en wij zijn
zonen en erfgenamen, dan zouden we deze wereld volkomen verachten met al
de heerlijkheid, rechtvaardigheid, wijsheid en macht, met al de
koninklijke, scepters en kronen en met al de rijkdommen en genoegens
ervan. We zouden niet zoveel zorg hebben voor dit leven, we zouden ons
niet zo aan aardse dingen hechten, vertrouwen op hetgeen we bezitten,
klagen en wanneer we het verliezen; maar we zouden alle dingen doen met
grote liefde in nederigheid en geduld." (Maarten Luther, Commentaar op de
brief aan de Galaten 1535 pp 377-378.)