You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - De mens geboren...
 
De stroom uit het hemelse heiligdom   (5)

 

"Ja, het zal geschieden, dat alle levende ziel die er wemelt, over­ al waarhenen een der beken zal komen, leven zal, en er zal zeer veel vis zijn, omdat deze wate­ren daarhenen zullen gekomenzijn, en zij zullen gezond wor­den…..

Aan de beek nu, aan haren oever, zal aan deze en aan gene zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijn maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijne wateren vlieten uit het heiligdom; en zijne vrucht zal zijn tot spijze, en zijn blad tot heling." (Ezechiël 47:9, 12 St.Vert.)

 

Vele Christenen schijnen te denken, dat, sedert Chris­tus naar de hemel opgevaren is, de aard van Zijn bezigheden voor Zijn volgelingen onbekend is. Dit wordt echter in het Woord van God niet geleerd. Het Woord van God vertelt ons over Zijn werk op aarde, maar eveneens kunnen wij door het Woord Zijn werk in de hemel volgen. In de vier evange­liën lezen wij de grote gebeurtenissen van de geboorte van Christus, Zijn leven, Zijn opstanding en Zijn hemelvaart. In de Hebreeënbrief en de Openbaring lezen wij over Zijn werk als onze grote Hogepriester in het hemelse heiligdom. Paulus bevestigt in de Hebreeënbrief, dat het doel van Chris­tus' werk hier op aarde was, om Zich te bekwamen voor Zijn werk als onze grote Hogepriester in het hemelse heilig­dom. In de eerste zeven hoofdstukken legt hij uit, hoe Christus in elk opzicht voor dat ambt bekwaam gemaakt werd.


1e Hoofdstuk:  Hij is de Majesteit des hemels, de Schepper en Onderhouder van het universum.

2e Hoofdstuk:  Hij werd vlees en bloed evenals wij, ging door lijden, verzoeking en dood voor ieder mens.

3e Hoofdstuk:  Hij was getrouw in al het werk wat de Vader Hem gebood te doen.

4e Hoofdstuk:  Hij ondervond onze zwakheden, en kan met onze  verzoekingen  meevoele, omdat  Hij "in alle dingen op gelijke wijze  als  wij  verzocht  is   geweest, doch zonder te zondigen."

5e Hoofdstuk:  Hij heeft in de menselijke natuur een rechtvaardig karakter    vervolmaakt door gehoorzaamheid en lijden.
6e Hoofdstuk:  Hij  werd  priester  naar de ordening van Melchizedek.

7e Hoofdstuk:  De kracht van een eeuwig en onver­nietigbaar leven bezittend, leeft Hij altijd om voor ons te bemiddelen.

 

Nadat Paulus dit alles naar voren gebracht heeft, vin­den wij in het achtste hoofdstuk de hele zaak als volgt sa­mengevat:

 

"De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen, de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel, die de Here opgericht heeft, en niet een mens.

Want iedere hogepriester treedt op om gaven en offers te brengen, en om die reden was het noodzakelijk, dat ook deze iets had om te offeren.

Indien Hij nu op aarde was, dan zou Hij niet eens priester wezen, daar er hier reeds zijn om volgens de wet de gaven te offeren.

Dezen verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godsspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereedmaken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg."

(Hebreeën 8:1-5.)

 

Zo zeker als er een Hogepriester in de hemel is, is daar ook een werkelijke tempel. In de Openbaring ziet Johannes "de tempel Gods, die in de hemel is" (Openbaring 11:19).

Paulus noemt dit heiligdom in de brief aan de He­breeën het heiligdom van het nieuwe verbond. De taberna­kel die door Mozes gebouwd werd, noemt hij het heiligdom van het oude verbond (Hebreeën 9:1), en legt ons uit dat dit "een zinnebeeld", "een afbeelding van het hemelse" en "een schaduw" van het heiligdom in de hemel is. Hoewel het aardse heiligdom slechts een zwakke voorstelling kon zijn van de heerlijkheid en de grootsheid van de eeuwige woonplaats van de Koning der koningen, waar Hij door miljoenen engelen omgeven is, is de dienst hiervan toch een afbeel­ding van het werk van Christus in de hemel. Wat door de zinnebeeldige dienst in het aardse heiligdom plaats vond, gebeurt in werkelijkheid in het hemelse heiligdom.

 

Paulus legt niet alleen de meeste nadruk op het feit, dat het aardse ritueel een afbeelding was van de ware dienst in het hemelse heiligdom, maar hij verklaart ook dat Chris­tus als onze Voorloper het heiligdom binnengegaan is, en dat wij Hem vrijmoedig moeten volgen. (Hebreeën 6:19-20; 10:19.) In de Openbaring staat dat niet alleen de tempel, maar ook zij die "daarin aanbidden" genieten moesten wor­den (Openbaring 11:1). Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat wij het hemelse heiligdom letterlijk moeten binnengaan, maar het betekent, dat wij door het geloof Jezus in Zijn grote werk voor ons in deze tempel moeten volgen.

 

"Het geloof nu is het bewijs der dingen, die men niet ziet." (Hebreeën 11:1). Het geloof is gefundeerd op betrouwbare feiten en niet op verdichtselen. "Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods." (Romeinen 10:17 St. Vert.)

Om een geloof te be­zitten dat met Christus het heiligdom binnengaat, moeten wij ons uit Gods woord een juist begrip vormen aangaande het werk van Christus in het heiligdom. Als wij dat doen, zullen wij tot diegenen behoren waarvan David zegt: "O God', zij hebben uw gangen gezien, de gangen mijns Gods, mijns Konings, in het heiligdom". (Psalm 68:25 St. Vert.)

Met onze gedachten en belangstelling bij Jezus en Zijn werk voor ons in het heiligdom, kunnen wij ons met Hem in de grote dienst der verlossing verenigen en de weldaden van Zijn bemiddeling ontvangen.

 

De Dienst in het Aardse Heiligdom

 

Daar de dienst in de aardse tabernakel "een voor­beeld en schaduw van de hemelse dingen" was, werpt ken­nis aangaande deze dienst groot licht op het werk van Chris­tus in het hemelse heiligdom. Wij zullen daarom wat nader op de aardse dienst ingaan.

 

"Nu had ook wel het eerste verbond bepalingen voor de eredienst en een heiligdom voor deze wereld. Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kande­laar en de tafel met de toonbroden stonden; deze werd het heilige genoemd; en achter het tweede voorhangsel was een tent, genoemd het heilige der heilige, met een gouden wierookvat en de ark des verbonds, rondom met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gou­den kruik met manna, de staf van Aäron, die gebloeid had en de tafel des verbonds; daarboven waren de cherubs der heerlijkheid, die het verzoendeksel over­schaduwden; hierover kunnen wij nu niet in bijzonder­heden treden. Dit was dan aldus ingericht, en de pries­ters kwamen bij het vervullen van hun diensten voort­durend in de voorste tent, maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het volk in onwetendheid bedreven. "(Hebreeën 9:1-7)

 

Paulus merkt duidelijk op dat er twee afdelingen in het heiligdom  waren,   het heilige en het heilige der heilige, waarin twee verschillende diensten plaats vonden - de dage­lijkse en de jaarlijkse dienst.

 

De Dagelijkse Dienst

 

De dagelijkse dienst was een symbool van de voort­durende dienst van verzoening en bemiddeling. In de eerste plaats was er een voortdurende brandofferdienst. Iedere morgen en iedere avond werd er een éénjarig lam "zonder enig gebrek" op het koperen altaar in de voorhof verbrand, (zie Exodus 29:38, 39,42). Dit was Gods offer en voorzag in een voortdurende verzoening voor de gehele vergadering. Wanneer iemand de zegeningen van de aangeboden verzoening wenste te ontvangen, dan bracht hij zijn eigen offerdier in de voorhof. (Brandoffers dienden tot verzoening,  zie  hiervoor Leviticus  1:4 en  Job  1:5)

 

 

Wanneer hij in onwetendheid gezondigd had, werd zijn offer een zondoffer genoemd; doch als hij bewust gezondigd had, dan werd het een schuldoffer genoemd. De algemene handelingen waren in beide gevallen dezelfde. De berouwvolle zondaar legde zijn handen op de kop van het dier en beleed zijn bepaalde zonde. Zo werd zijn schuld zinnebeeldig op het onschuldige offerdier overgedragen. Het dier werd daarna door de hand van de berouwvolle zon­daar gedood. Als de zondaar tot het priesterschap behoorde, dan nam de dienstdoende priester van het bloed en sprenkelde dit voor het voorhangsel in de eerste afdeling, waarach­ter zich de wet van God bevond, die de zondaar overtreden had. Was de zondaar iemand uit het gewone volk, dan at de priester een klein gedeelte van het vlees, en droeg op deze wijze de ongerechtigheid zelf (Leviticus 6: 26; 10:17).

Wan­neer de priester dan zijn persoonlijke offer bracht, droeg hij de zonde over op het plaatsvervangend offerdier en op deze wijze werd door het bloed daarvan de zonde op het heiligdom overgedragen. Of het bloed nu direct in het heilige gebracht werd, of dat het vlees gegeten werd, de zonde werd uiteindelijk toch overgedragen op de tabernakel. Al de zonden van het berouwvolle Israël werden op de tabernakel overgedragen. (Voor een volledige beschrijving van de hier­boven beschreven dienst, zie Leviticus hoofdstuk 4 t/m 7.

 

Door het sprengen van het bloed in de eerste afdeling van het heiligdom, deden de priesters verzoening voor de berouwvolle zondaar, waardoor vergiffenis verzekerd werd. (Leviticus 4:31; 6:7.) De betekenis van het woord "vergeven", in de oorspronkelijke tekst is "wegzenden" of "wegnemen" . De zonde werd niet door het bloed van het zondoffer vernie­tigd, daar daardoor werd voorzien in een middel waardoor de zonde weggezonden werd naar het heiligdom.

 

Naast de morgen- en avondoffers en het sprengen van het bloed van de zondoffers voor het voorhangsel, ging de priester "voortdurend in de voorste tent" om reukwerk te offeren op het altaar dat voor het voorhangsel stond, om de olie in de gouden kandelaar bij te vullen, om de lampen te reinigen en om op Sabbat de twaalf broden op de tafel te ver­versen. Dit alles was een symbolische dienst van voortdu­rende bemiddeling voor Israël.

 

De Jaarlijkse Dienst

 

Het gehele jaar door werd de tabernakel verontreinigd door de zonden van Israël. Telkens als iemand zondigde, ontheiligde hij de plaats waar Gods naam woonde (Leviticus 20:3; Ezechiël 5:11; 23:38; 43:8; Deuteronomium 12:11" l Koningen 8:29; Psalm 74:7).

Gods wet vertegenwoordig­de de registratie van de zonden van het volk door de dienst der engelen, die in het heiligdom symbolisch voorgesteld werden. De zonden die beleden waren, werden in het heilige gezonden door het bloed van het plaatsvervangend offerdier. Op deze wijze werd het gehele heiligdom verontreinigd . Aan het eind van het jaar was een bijzonder werk noodzake­lijk om het te reinigen.

 

Eenmaal per jaar, op de tiende dag van de zevende maand, was het de grote verzoendag. Voor Israël was het een soort oordeelsdag. Vrome Joden beschouwen het heden nog als zodanig. * Op deze dag moest er een uiteindelijke beslissing vallen met betrekking tot de zonden van het ge­hele jaar, of zij weggezonden zouden worden op de kop van de zondebok, of dat zij weer terug zouden vallen op het hoofd van hen die ze begaan hadden. Er werd over beslist wie rein en zuiver voor God stond en wie "afgesneden" moest worden (zie Leviticus 16 en 23:27-32).

 

Op de morgen van de grote verzoendag werd Israël door de sombere tonen van de ramshoren opgeroepen om hun God te ontmoeten in het oordeel. Tien bijzondere boetedagen ** hadden Israël voorbereid op dit plechtige gebeuren. (Leviticus 23:24.) Twee bokken werden naar de deur van de tabernakel gebracht en het lot daarover geworpen, "één lot voor de Here en één lot voor Azazel". De bok voor de Here werd geslacht als een zondoffer voor het volk. De plechtige dienst werd  verricht door de hogepriester.

Nadat hij het bloed genomen had ging hij het heilige binnen, en trok het voorhang achter zich dicht. Daarna nam hij veel reukwerk van het gouden altaar en trad binnen in het heilige der heilige. Terwijl hij een grote wolk van reukwerk maakte om zich te beschermen  voor  de verschrikkelijke  heerlijkheid van Gods tegenwoordigheid, naderde hij het verzoendeksel met een ontzagwekkende  plechtigheid. 

Buiten bevond  zich  de menigte die hun zielen verootmoedigden met vasten, gebed en diep onderzoek des harten. Zij zelf konden niet voor God bestaan, maar zij traden binnen in de persoon van hun hoge­priester.  Als hij aangenomen werd, werden ook zij aange­nomen.  Door de verdiensten van het bloed en het reukwerk in de handen van de hogepriester, werd Israël door God aan­vaard.   Dan  sprengde  hij het bloed op het verzoendeksel, waaronder de wet  van God zich bevond die door het volk overtreden was. Het Bijbels getuigenis luidt als volgt:

 

"Zo zal hij verzoening doen over het heiligdom om de onreinheden der Israëlieten en om hun overtredingen in al hun zonden; aldus zal hij doen met de tent der samenkomst, die bij hen verblijf houdt te midden van hun onreinheden. Geen mens zal in de tent der samen­komst zijn, wanneer hij daar binnengaat om in het heiligdom verzoening te doen, totdat hij naar buiten komt en verzoening gedaan heeft voor zichzelf, voor zijn huis en voor de gehele gemeente Israëls." "Want op deze dag zal over u verzoening gedaan worden, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij gereinigd wor­den voor het aangezicht des Heren!" (Leviticus 16:16, 17,30)

 

Daarna droeg de hogepriester al de zonden van Israël uit het heiligdom en legde ze op de kop van de zondebok -Azazel - en zond deze doormiddel van iemand die gereed stond, de woestijn in. Dan werd verondersteld dat de zon­den van Israël voor altijd van het volk verwijderd waren. De plechtige verzoendag eindigde in blijde vreugdezangen. Israël was rein voor God. Symbolisch waren hun zonden uitgedelgd, en hun gevallen waren verzegeld. Zij waren gereed om deel te nemen aan het oogstfeest, het Loofhuttenfeest, dat vijf dagen daarna begon.

 

Het Allesomvattende Doel van Christus Dienst in de Hemel

 

Deze diensten in de oude tabernakel zijn een afbeel­ding van de dienst van onze grote Hogepriester in de ware tabernakel in de hemel. Het zou goed zijn, om ons af te vragen, wat is het grote doel van een dergelijk ambt in het hemelse heiligdom ?

In het vorige hoofdstuk zagen wij hoe het werk der verlos­sing van de mens in Christus reeds tot stand gebracht is. Paulus verklaart, dat Christus "met Zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan (is) in het heiligdom, waar­door Hij een eeuwige verlossing verwierf", "na de reini­ging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet (heeft) aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge" (Hebreeën 9:12; 1:3). De uitdrukking "zich gezet" is een aanduiding van een tot stand gebracht werk. Christus stel­de de mens niet alleen onder de mogelijkheid om verlost te worden, doch Hij verloste de mensheid.

 

Het is dus duidelijk dat Christus het heiligdom niet binnenging om iets aan het werk toe te voegen, dat Hij in Zichzelf tot stand gebracht had. Hij trad het heiligdom binnen om Zijn bloed en Zijn zondeloze leven aan te bieden ten gunste van diegenen, die Zijn verzoening willen aan­vaarden. Hetgeen Hij in Zichzelf gewrocht heeft als Ver­losser der wereld, moest Hij nu effectief maken in de harten van hen die in Hem geloven.

Op Golgotha werd de Grote Rots geslagen, opdat het water des levens tot de mensheid kon vloeien. Ezechiël verklaart, dat die helende stroom uit het heiligdom vloeit. (Ezechiël 47:9,12.)

 

In de oudtestamentische dienst op aarde was de dienst der verzoening niet alleen verbonden met het slach­ten van dieren in de voorhof, doch meer in 't bijzonder had het betrekking op het sprenkelen van het vergoten bloed binnen in de tempel, (zie Leviticus 6:30; 16:16,27) Deze handeling was even noodzakelijk voor de verlossing als het vergieten van het bloed. Het werk van Christus in het heiligdom hierboven is even belangrijk voor de ver­lossing als Zijn werk hier op aarde. Juist de toepassing van Zijn volmaakte verlossing laat ons de kracht en de heerlijkheid van het kruis van Christus beter begrijpen.

 

De Twee Verschillende Diensten van Christus als Hogepriester

 

De dagelijkse en de jaarlijkse dienst op aarde stellen de twee verschillende diensten van Christus in het hemelse heiligdom  voor  gedurende de christelijke bedeling.  In de aardse tabernakel nam de dagelijkse dienst in het heilige de meeste tijd in beslag. De jaarlijkse dienst in het heilige der heilige was Israëls oordeelsdag en sloot de rij van da­gelijkse diensten af.  Evenzo omvat de gedurige dienst van Christus in het heilige van de hemelse tempel, de grootste periode van de christelijke bedeling,  terwijl aan het eind daarvan  het  beslissende werk  van het oordeel voor Gods volk in het heilige der heilige plaatsvindt.

 

Ten eerste willen we ons bepalen bij de dienst van Christus in het hemelse heiligdom, die door de dagelijkse dienst van de priester in het heilige werd gesymboliseerd. We moeten daarbij bedenken dat de priester in het heilige het vergoten bloed voor het voorhangsel sprenkelde, reukwerk met de gebeden van Israël offerde, de tafel der toonbroden verzorgde en de zeven lampen brandende hield. Jo­hannes vertelt ons in de Openbaring hoe onze Hogepriester in de hemelse tabernakel dienst doet:

 

"Na deze dingen zag ik, en zie er was een deur geopend in de hemel; en de eerste stem die ik gehoord had, alsof een bazuin met mij sprak, zeide: Klim hierheen op en ik zal u tonen, wat na deze geschieden moet. Terstond kwam ik in vervoering des geestes en zie, er stond een troon in de hemel en iemand was op die troon gezeten. En die erop gezeten was, was van aan­zien de diamant en sardius gelijk; en een regenboog was rondom de troon, van aanzien de smaragd gelijk."

"En van de troon gingen bliksemstralen, stemmen en donderslagen uit; en zeven vurige fakkels brandden voor de troon; dit zijn de zeven Geesten Gods."

"En ik zag in het midden van de troon en van de vier dieren en temidden der oudsten een Lam staan, als geslacht, met zeven horens en zeven ogen; dit zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de gehele aarde."

"En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon, en van de dieren, de oudsten; en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen."

"En er kwam een andere engel, die met een gouden wierookvat bij het altaar ging staan, en hem werd veel reukwerk geschonken om het te geven, met de gebeden van alle heiligen, op het gouden altaar voor de troon. En de rook van het reukwerk, met de gebeden der heiligen, steeg uit de hand van de engel voor Gods aangezicht op." (Openbaring 4:1-3, 5; 5:6,11; 8:3,4)

 

Christus wordt hier voorgesteld als een Lam dat zo­juist geslacht is. Hoewel Zijn letterlijke dood op Golgotha niet herhaald behoeft te worden, zoals de dagelijkse offers op aarde, is Hij toch de zondendrager van het hemelse heiligdom. (Leviticus 10:17) De smarten van Golgotha zijn voor Hem nog niet ten einde. Door iedere zonde wordt Hij opnieuw gekruisigd. In Zijn verheerlijkte staat draagt Hij voor de Vader de tekenen van Zijn vernedering. Zijn doorboorde handen en doorstoken zijde pleiten duidelijk voor de zondige mens. Het kruis van Christus is niet iets van een dag of een uur.

Waar Christus ook is, daar is een gekruisigde Christus, Die alle mensen tot Zich trekt. In de tegenwoordigheid Gods staat een immer levende Priester om een immer levend offer te brengen.

 

Jezus is niet alleen het offer waarin God voorzien heeft (het brandoffer), maar Hij kan ook het offer zijn waardoor ons verzoening ten deel wordt (het zondoffer). Laten wij onze toestand eens vergelijken met die van de zon­daar in de dagelijkse dienst van de aardse tabernakel. Wan­neer hij zondigde, werd dit voor Gods heilige wet geregistreerd. Hij was gedoemd te sterven. Hij bracht een offer en droeg zijn zonde over op het offerdier Door het eten van het vlees van het zondoffer nam de priester de schuld van de berouwvolle zondaar op zich. Met het bloed van zijn eigen offer droeg de priester de zonde over op het heiligdom. Hij sprengde het bloed om de vergeving en de recht­vaardiging van de zondaar aan te tonen. Wij hebben ook ge­zondigd. Gods engelen hebben nauwkeurig de zonden aange­tekend in de boeken, die, tijdens het oordeel dat plaatsvindt in het heilige der heilige, zullen geopend worden. Omhoogziende, aanschouwen wij het Lam Gods, Dat als het ware zojuist voor ons op het altaar is gelegd. Wij zien op tot onze barmhartige en getrouwe Hogepriester. Het vergoten bloed en onze machtige Pleiter, die gereed staat om het bloed voor ons te laten spreken, verwekken geloof in de dienst van onze Here. Wij vluchten tot Hem als onze Plaats­vervanger en Zondendrager, en leggen onze zonden op Hem. Krachtens Zijn voortdurend offer en verzoenend bloed, doet Hij verzoening voor ons bij de Vader, en draagt de zonde over op het heiligdom. Door "het bloed der besprenging" (Hebreeën 12:24), bevestigt Hij onze vergeving en recht­vaardiging in de hemel, terwijl wij op hetzelfde moment vrij van zonde zijn en ons hart "door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad" (Hebreeën 10:22) .

 

Er is een bron gevuld met bloed,

Gevloeid uit Jezus zij; En wie zich werpt in deze vloed

Wordt in Hem rein en vrij!
De moord' naar stervend aan het kruis

Vond redding in dat bloed, En daar mag ik, schoon slecht als hij

Mij wassen in die vloed.

William Cowper.

 

Er is misschien geen andere figuur die zo treffend het beeld weergeeft van Christus als Middelaar voor de Vader, dan de priester die dienst deed bij het reukofferaltaar. De mens kan tot God naderen door zijn Heer, Jezus Christus. Jezus neemt het stamelende gebed van de berouwvolle zon­daar, en als een machtig Advocaat biedt Hij het gebed per­soonlijk voor de troon van God aan met de verdiensten van Zijn eigen welgevallig leven. De wolk van reukwerk stelt de bedekking voor van de toegerekende gerechtigheid van Chris­tus. De Vader verheugt zich om het verzoek van Christus in te willigen, en de cliënt van Jezus wordt geaccepteerd "in de Geliefde". Niet één oprecht gebed gaat verloren, want het gebed van de aanbidder wordt het gebed van Chris­tus en zijn smeekbede wordt Christus' smeekbede.

 

Christus, als onze Hogepriester, is eveneens het Brood des Levens. De mensen hebben van zichzelf geeste­lijk, noch lichamelijk leven, doch Christus gaf Zijn leven aan de mensen, In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. (zie Handelingen 17:28). Het is door de voortdurende dienst van Christus, dat Christus Zijn leven aan de wereld geeft. De ongelovige wereld slaat geen acht op het feit dat zij haar tijdelijke zegeningen in dit leven door de dienst van Christus hierboven ontvangt. Wanneer echter aan het einde van de genadetijd Zijn dienst ophoudt, zal de wereld het gemis van al deze dingen gevoelen. Niemand, hetzij zon­daar of rechtvaardige, kan ook maar één dag leven zonder gevoed te worden door het leven van Christus.

 

Als wij in waarachtig geloof tot Hem komen, dan is Hij het Brood des Levens voor onze zielen. Jezus zegt, dat wij Zijn vlees moeten eten en Zijn bloed moeten drinken. "Want mijn vlees is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, die blijft in Mij en Ik in hem. " (Johannes 6:55-56)

 

Het is niet nodig hierover te twisten, zoals de Joden deden, toen zij zeiden: "Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven?" (vers 52.) Wij hebben deel aan het leven van Christus door het Woord.

Jezus zeide: "De woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven." (Johannes 6:63) Het geschre­ven woord openbaart het Levende Woord, en wij aanvaarden Christus in ons leven door het houden van alles wat Hij ons geboden heeft. (Johannes 14:23) Door "gehoorzaamheid aan de waarheid" (l Petrus 1:22), die wij door een persoonlijke, ijverige en dagelijkse studie van de Schriften verkrijgen, zullen wij toenemen in heiligmaking door de reddende ken­nis van Jezus Christus.

 

Johannes vertelt ons in de Openbaring, dat hij het tegenbeeld gezien heeft van de zevenarmige kandelaar, het werk van de "zeven Geesten Gods" (Openbaring 4:5). De grootste van alle gaven van God - de Heilige Geest - wordt aan de mensen meegedeeld door de dienst van de hemelse Hoge­priester. Het is de Geest die in onze harten effectief maakt wat door de Verlosser der wereld mogelijk gemaakt werd. Hij overtuigt van zonden, voert ons tot Christus, vernieuwt het leven, leidt in alle waarheid, deelt het leven van Christus mee om kracht te bezitten over de zonde, bemiddelt voor de gelovige, en geeft kracht om van Christus te getuigen.

 

Voordat we aandacht schenken aan het laatste oordeelswerk van Christus in het heilige der heilige, willen wij dieper ingaan op de ervaring, die de gelovige maakt, als de Heilige Geest de voorrechten van de gedurige dienst van Christus meedeelt.

 

*  The Jewish Encyclopedia, Vol.  II,  New Edition (Funk and Wagnalls Company,  New York).

 

**  Negen  dagen van voorbereiding;  de  tiende  dag  was  de  grote verzoendag.