You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - Hier en erna
 
Historisch overzicht van de leer der onsterfelijkheid   (15)

 

Eén van de meest interessante vragen die met dit onder­werp verbonden zijn, is de vraag welke plaats de leer van de onsterfelijkheid van de ziel onder de volkeren heeft ingeno­men in de wereldse literatuur. Men kan niet verwachten dat deze vraag, waarvan de beantwoording een boekdeel in beslag zou kunnen nemen, in dit boekje breedvoerig behandeld zal worden. Maar de lezer wordt uitgenodigd enkele historische feiten te onderzoeken die een algemeen inzicht geven aangaan­de dit onderwerp.

 

De leer van de onsterfelijkheid van de ziel werd het eerst in het paradijs naar voren gebracht door Satan, de oude slang. De bewering: "U zult de dood niet sterven," was een aangename misleiding waarvoor onze eerste ouders hun trouw aan God prijsgaven. Nadat ze dienstknechten van de misleider waren geworden (Rom. 6:16), kon worden verwacht dat zijn leer algemeen door de volkeren aanvaard zou worden; maar om­dat die zeer duidelijk in strijd is met Gods woord, heeft het gezonde mensenverstand en de overtuiging van hun eigen inzichten, velen die anders volledig de afgodendienst hadden aanvaard, ertoe geleid die leer op een afstand te houden; waardoor, hoewel ze in vrijwel elke valse godsdienst een plaats heeft veroverd, niet als algemene overtuiging door al­le mensen is aanvaard, zoals soms wordt beweerd.

 

Onder de oudste volkeren, die het eerst in de verslagen van de wereldgeschiedenis worden genoemd, blijkt dat de ge­dachte aan een toekomstig leven niet berustte op de onster­felijkheid van de ziel, maar op de opstanding van het lichaam. Degenen die deze leer geloofden waren de oude Egyptenaren, Perziërs, Arabieren en Joden. In latere tijden kunnen wij noemen de Moslims, de oude Perivianen, Chibchas, Afri­kanen, Hawaiïanen, Australiërs, eerste Britten en vroegere Mexicanen, terwijl in de Grieks Katholieke, Rooms Katholieke en Protestanse gemeenten de leer van de onsterfelijkheid van de ziel een fundamenteel geloof is geweest.

 

Velen van de oude filosofen geloofden niet in de onsterfe­lijkheid van de ziel. Onder hen bevonden zich aanhangers van Aristoteles, de Epicuristen, de Academisten, Stoïcijnen enz. Virgilus, Horatius en Seneca geloofden dit niet, en Cicero twijfelde.

 

In de verslagen van de niet kerkelijke geschiedenis, verscheen de leer het eerst in Egypte, vandaar werd ze door de Griekse filosofen overgebracht naar Europa. In verband daar­mee noemen wij de namen Pythagoras, Anaxgoras, Socrates en Plato.

In 154 v. C. werd ze door de Griekse filosofen geïn­troduceerd in Rome. Door de Alexandrijnse leer der filosofie, de Eclectische of Nieuw Platonische genaamd, werden heidense begrippen en leerstellingen in de christelijke gemeente gebracht die het evangelie begonnen de verderven. Deze ontwik­keling ondervond een krachtige tegenstand van degenen die vasthielden aan de zuivere leer van de eerste gemeente, tot­dat Rome alle tegenstanders van die leer brandmerkte als ketters en alle tegenstand het zwijgen oplegde.

 

Het getuigenis van de zo genoemde apostolische Kerkvaders zwijgt aangaande de onsterfelijkheid van de ziel. Deze zoge­noemde Vaders zijn Barnabas, Clement, Hermes Ignatius en Polycarp. Hoewel de geschriften die aan deze personen worden toegeschreven, geen bewijs bevatten van enige leer die niet door de Bijbel ondersteund kan worden, zijn ze niettemin be­langrijk om aan te tonen welke opvattingen overheersten in de tijd dat ze geschreven werden. Tevens kan worden gezegd dat Justinus de Martelaar, Tatian, Athenagoras, Theophilus, Iranaeus en Polycrates de bewuste toestand van de doden en een eeuwige ellende van de goddelozen loochenden. En aan­gaande diverse sekten lezen wij dat de Lucianisten, de Hermogenianen en de Arabieren in de jaren 224-249 na Christus dezelfde meningen verkondigden.

 

Maar ongeveer aan het einde van de derde eeuw, was de af­val zo ver gevorderd, dat de leer van de onsterfelijkheid van de ziel algemeen door de christenen aanvaard werd en dit bleef zo tot de grote reformatie van de zestiende eeuw.

Men zegt dat Tertullianus (200-220 na Chr.) de eerste christen is geweest die nadrukkelijk de eindeloze kwelling van de verdoemden verkondigde. Hij drukte dit uit in de vol­gende bewoordingen:

 

"Hoe groot zal mijn vreugde zijn, hoe zal ik lachen, mij verheugen en verblijden als ik de vele trotse vor­sten, die menen goden te zijn, zal horen jammeren in de diepste diepten van de hel, zo vele magistraten die de naam des Heren vervolgd hebben, zie omkomen in vu­riger vlammen die zij ooit voor de christenen hebben ontstoken; zovele wijze filosofen, met hun misleide leerlingen rood worden van de hete vlammen."

 

Gibbon gaat, nadat hij dit geciteerd heeft, verder met de volgende treffende opmerking: "De menselijkheid van de lezer zal mij toestaan over de rest van deze verschrikkelijke beschrijving te zwijgen." (Decline and Fall, hoofdstuk 15.

 

Tertullianus was de eerste die de titel "Dag des Heren" toepaste op de zondag.

Toen het licht van de grote reformatie de duisternis be­gon te doordringen, die zo lang het christendom bedekt had, kwamen velen naar voren die de leer van de onsterfelijkheid van de ziel niet wilden aanvaarden. Luther noemde de leer een 'monsterlijke opvatting' en verwees die naar 'de Roomse mesthoop van pauselijke uitspraken.'

 

Maar meer nog, de reformatie leidde menigten ertoe de waarheid aangaande dit punt te omarmen, zodat Calvijn genood­zaakt was te belijden dat duizenden deze 'onzinnigheid' om­helsden.

William Tyndale, de grote Engelse reformer en vertaler van de Bijbel, geloofde in de doodslaap van de gelovi­gen. Calvijn en de Engelse kerk keerden zich tegen hem. Maar een bepaalde groep Baptisten die, naar Mosheim zei, in de zestiende eeuw in Engeland floreerde, geloofde dat tussen de dood en de opstanding, de ziel geen vreugde en pijn onder­vindt, maar in een "staat van bewusteloosheid" verkeert.

 

De Socinianen, (volgelingen van Socinus) een andere grote sekte van vroegere reformers, ontkenden de onsterfelijkheid van de ziel. In de laatste helft van de zeventiende eeuw ver­wierf de grote christelijke filosoof Johan Locke grote bekendheid. Hij keerde zich stoutmoedig tegen onsterfelijkheid en onstoffelijkheid van de ziel. John Milton, de wereldbe­roemde schrijver van "Het verloren paradijs", liet een korte maar overtuigende verhandeling na over de Toestand van de Doden, en nam dezelfde stelling in die in dit boekje wordt verkondigd dat de doden tot de komst van Christus en de op­standing bewusteloos zullen zijn.

 

De lezer ziet dus, dat deze leer vele en bekwame verdedi­gers heeft. De reden waarom die leer geen grotere bijval vindt, ligt in een sterk vooroordeel, bijgelovigheid en een verknocht zijn aan belijdenissen van de kerk. Eén van de sterkste voorstanders van het geloof, dat de doden rusten in het graf totdat zij door Jezus worden opgewekt schreef:

 

"Als ik geloof in de onveranderlijke lotsbestemming van de zonde, en de onvergankelijke luister van een volmaakt ko­ninkrijk, dan ben ik genoodzaakt te geloven in de verdelging van de goddelozen. De Bijbel gebruikt het vuur als een zin­nebeeld van verdelging en pijniging. Het kaf, het onkruid en de onvruchtbare bomen worden niet gepijnigd maar verbrand. Het helse vuur waarover het Nieuwe Testament spreekt, is het vuur van 'Gehhena' , dat buiten Jeruzalem brandde om het vuil­nis van de stad te verbranden. Hier was de worm, die niet stierf, en het vuur dat niet uitgeblust werd. Ik kan in het Nieuwe Testament niets vinden waaruit blijkt, dat God het leven van een deel van Zijn schepselen zal doen voortbestaan opdat zij een zondig en rampzalig bestaan zullen hebben. Het eeuwige leven is een genadegift van God door Jezus Christus onze Heer. Dit lichaam is sterfelijk en moet onsterfelijk­heid aandoen. En alleen hij of zij kan de onsterfelijkheid aandoen, die haar erfelijk ontvangt door Hem, "die alleen onsterfelijkheid bezit." 1 Tim. 6:16.

Het eeuwige leven is een leven tot in alle eeuwigheid; en de eeuwige dood is een eeuwige verdelging zonder herstel. Dit is de eenvoudige en natuurlijke betekenis van de woorden van het Nieuwe Testa­ment. (Uriah Smith)