You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - Hier en erna
 
GODS OMGAAN MET DE MENS   (14)

 

"Zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?" Gen. 18:25. Als alles voorbij is zullen de verlosten die alle handelingen van God jegens de mens overzien, in vurige be­woordingen uitroepen: "Groot en wonderlijk zijn uw werken, Here, gij almachtige God! rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, gij Koning der heiligen." - Openbaring 15:3.

 

Gesteld is dat wij geen vragen moeten opwerpen aangaande de juistheid van het oordeel dat God uitspreekt over een deel van ons ras, ook al zou het een eeuwige bewuste ellende zijn, omdat wij niet in staat zijn Zijn wegen te beoordelen. Aangaande dingen, die wij niet precies kennen, of die ons verstand te boven gaan, is dit ongetwijfeld juist, maar aan­gaande onze relatie met God, het licht waarin Hij de zonde beziet, en de maatregelen die Hij dienaangaande treft, zegt Hij: "Komt laat ons samen rechten." Jes. 1:18.

 

Wij worden er niet toe beroepen een mening of besluit te vormen over iets dat wij niet kunnen beoordelen; maar wij worden ertoe beroe­pen God te eerbiedigen als een God van liefde, wijsheid, ge­rechtigheid en barmhartigheid. Wij moeten derhalve in staat zijn, Zijn karakter, Zijn barmhartigheid, liefde, wijsheid en gerechtigheid te beoordelen. Worden deze eigenschappen openbaar in Zijn toekomstige handelingen jegens de goddelozen, overeenkomstig de opvatting die algemeen door de heden­daagse kerkgenootschappen wordt verkondigd?

De vraag die be­paald moet worden is deze: Is een eeuwige kwelling die zo intens is dat de hevigste pijn die iemand op aarde kan lij­den, slechts een afschaduwing is van de foltering in de hel - een rechtvaardige bestraffing voor de zonden die de bru­taalste zondaar binnen de weinige jaren van zijn leven kan bedrijven? Hoe is ons huidig leven? Iets, waarom wij niet hebben gevraagd, iets dat ons gegeven werd zonder dat wij het wisten of daarmee instemden; en in de krachtige taal van een ander; "Kan enig misbruik van deze ongevraagde gift de vergelding rechtvaardigen van een bestaan in oneindige kwel­ling?" Zijn wij niet zonder eigen wil of toedoen op de levensbaan geplaatst? En kan het misbruiken van deze gift alleen rechtvaardig worden bestraft door een eeuwige pijn in de hel?

Het verschil tussen de zonden in dit kortstondig leven bedreven, en de eindeloze foltering in de hel, is zo enorm groot dat velen tot het besluit komen dat de toekomstige straf niet uitsluitend berust op de misdaden of zonden ge­pleegd in dit leven. Zij trachten Gods oordeel in deze zaak te verdedigen, of op z 'n minst Zijn handelwijze te veront­schuldigen door te zeggen, dat de zondaren onophoudelijk doorgaan met het bedrijven van zonden, en daarom moeten zij voortdurend worden bestraft. Voor de zonden op aarde bedre­ven hebben zij spoedig genoeg geboet. Maar daarna moeten zij eeuwig gefolterd worden voor de zonden, die zij in de hel bedrijven. En in het helse vuur stapelen zij de ene zonde op de andere.

 

Wordt er ergens in de Schrift iets van dien aard geleerd? Wordt niet telkens herhaald, dat de toekomstige straf een bezoldiging is voor de daden in dit leven verricht? Zegt de Bijbel niet uitdrukkelijk dat de zondaar sterven zal voor het onrecht dat hij vóór de dood heeft bedreven, omdat hij in zijn zonde gestorven is? Ezech. 18:26. De werken waarvoor wij voor het gericht worden gesteld (en voor geen andere kunnen wij worden bestraft) zijn de werken in dit huidige leven. Pred. 12:14. En Paulus getuigt: "Want wij allen moe­ten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam ge­schiedt." 2 Kor. 5:10.

Het is voor de zonde begaan door men­selijke wezens in het lichaam, het huidige leven, niet voor hetgeen zij volgens de populaire opvatting doen als verloren geesten in de hel, dat zij zich moeten verantwoorden voor de rechterstoel van Christus, en daarvoor ontvangen zij een ge­rechte straf. En als gedacht wordt dat eeuwige straf daar­voor te hoog is, zijn wij niet gerechtigd daaraan zonden toe te voegen die naar men aanneemt na de dood bedreven zouden zijn. Als eeuwige bestraffing niet verdedigd kan worden als een straf voor de zonden in dit huidige leven, kan ze hele­maal niet verdedigd worden.

 

Een voorbeeld: Veronderstel dat in een aardse rechtszit­ting de rechter een oordeel uitspreekt over een misdadiger dat veel te zwaar is voor de misdaad die hij heeft begaan, en dan tracht zijn handelwijze te rechtvaardigen door te zeg­gen dat hij dit oordeel uitsprak omdat hij wist dat de mis­dadiger die straf verdient voor de overtredingen die hij zou begaan nadat hij in de gevangenis ging! Hoe lang zou zo'n rechter worden gehandhaafd? Maar dit is precies wat de godgeleerden toedichten aan de Rechter van hemel en aarde, Die verklaarde dat Hij rechtvaardig zal oordelen.

 

Vraag een onbevooroordeeld persoon of het rechtvaardig is iemand voor eeuwig te folteren in de vlammen van de hel voor de zonden die hij in dit leven bedreven heeft. Wij twijfelen er niet aan dat allen, wier oordeel niet verblind is door theologische zienswijzen, deze vraag met een beslist Neen beantwoorden. De ontwerpers van de verschillende godsdien­stige stelsels hebben dit gevoeld, en het schijnt dat zij naarstig hebben gezocht naar een weg ter ontkoming aan de vreselijke onjuistheid van deze verschrikkelijke theorie.

Zo heeft Plato zijn Scheron-meer (in de onderwereld), waaruit op z 'n minst sommige van de beklagenswaardige lijders in Tartarus zich na een strafproces naar hogere regionen zou­den kunnen begeven. Augustinus die Plato volgt in zijn opvat­ting van een onophoudelijke pijn voor sommigen, had ook zijn tijdelijke kwelling (vagevuur) waaruit enkelen hun weg naar de hemel zouden kunnen vinden. Rome heeft alleen het vage­vuur, de vuren voor een bepaalde periode voor de miljoenen binnen haar gemeenschap. Origenes vormde het denkbeeld van een vagevuur waaruit tenslotte allen tevoorschijn komen om de gunst van God deelachtig te worden.

 

De kerken van de reformatie hebben algemeen de hel van Augustinus aanvaard, maar verwierpen zijn vagevuur. Daarom vinden wij in de protestantse gemeenschappen deze leer in zijn meest angstaanjagende aspecten. En het is niet verwon­derlijk dat velen die zich door hun geloofsbelijdenis genood­zaakt voelden dit te aanvaarden, terugschrokken voor de ver­dediging daarvan en stilzwijgend, indien niet openlijk, be­leden dat zij van harte wensten dat dit niet waar is.

 

Maar de meerderheid reageert daarop zeer verschillend. Elk beter gevoel van hun aard komt tegen dit idee in opstand en zij willen dat niet aanvaarden. Zij kunnen niet geloven in een God die zo wreed, tiranniek, wraakzuchtig en meedogen­loos is, in het kort, een verpersoonlijking van alles wat laag en gemeen is. En omdat zij de mening zijn toegedaan dat dit een schriftuurlijke leer is, wordt de gehele Bijbel over­boord geworpen. Wij behoeven over dit punt niet verder uit te wijden. Menigeen die deze regels leest zal personen ken­nen die twijfelaars zijn geworden door deze gruwelijke leer van een eeuwige pijniging.

Maar wat is de uitwerking als mensen ertoe worden geleid zelf de Bijbel te onderzoeken. - De ondervinding dienaan­gaande legt goede getuigenissen af. Wij kennen personen die voor de eerste keer in hun leven Gods woord als waarheid er­kenden toen zij de goddelijke harmonie zagen van Gods rege­ringssysteem zoals dat in Zijn woord naar voren wordt ge­bracht , en de rechtvaardige en verstandige maatregel zagen die, naar de Bijbel verklaart, Hij zal treffen ten aanzien van allen die in hun opstand tegen Hem blijven volharden, een maatregel waarin gerechtigheid en barmhartigheid zich zo schitterend vermengen, dat zij voor de eerste keer in hun Leven konden geloven dat dit het boek van God is. En dit ge­lovende, zijn zij ertoe geleid hun voeten te richten naar zijn getuigenissen, en er naar te streven door gehoorzaam­heid aan Zijn duidelijke eisen, te ontkomen aan een onder­gang waarvan zij zagen dat die terecht is, en daarom wisten dat die zeker was. Dit is de ervaring geweest van velen. Laat dan niet langer de indruk bestaan, en de bewering niet meer worden gehoord, dat deze inzichten neigen tot anti-godsdienstigheid en ontrouw. Hun vruchten tonen het tegendeel.

 

Kan het dan verwonderlijk zijn dat wij verlangend zijn de mensen dienaangaande in te lichten? Moeten wij niet ijveren voor de Here en onze pogingen onvermoeid voortzetten om de Lasteringen weg te nemen die deze leer op Gods woord en ka­rakter werpt? God stelt zichzelf aan Zijn schepselen voor met de vertederende naam Liefde. Hij verklaart dat Hij zeer mededogend en teder en barmhartig is, lankmoedig en niet haastig om een oordeel uit te voeren jegens een boosaardig werk, en zich op geen enkele wijze verheugt over de dood van de goddelozen, niet willende dat iemand omkomt. Hij verklaart dat Hij behagen schept in barmhartigheid, en dat Hij niet voor altijd zal twisten, noch altijd vertoornd zijn. En kan het dan zijn dat, terwijl Hij zichzelf aldus aan de bewoners van de aarde voorstelt, Hij vurige kwellingen ontketende over menigten van beklagenswaardige wezens in de droevige gebie­den van de hel, de vlammen aanwakkert met razende kracht, hen in leven houdt en kwelt met een oneindige verbolgenheid, en al zijn goddelijke kracht aanwendt om hen zo ongelukkig mogelijk te maken naarmate hun kracht dit toelaat en dit tot in alle eeuwigheid door te voeren? Als dit niet zo is, welk oen reusachtige dwaling moet dit dan zijn! In welk een vreselijk verkeerd daglicht wordt Zijn karakter gesteld! Welk oen schaamteloze en vermetele laster is er uitgesproken tegen Zijn heilige naam!

 

De wortel en de stam van dit alles is de 'als vanzelfspre­kend' aanvaarde opvatting dat de ziel onsterfelijk is. Maar onderzoek uw Bijbel en zie of u dit vinden kunt. Zie of u niet veeleer instemt met de voortreffelijke commentatoren die verklaren dat: "de leer van de onsterfelijkheid van de ziel, en die uitdrukking, in de gehele Bijbel niet te vinden zijn." Zoek of u kunt vinden dat de doden nooit sterven en zoek naar een nooit-stervende-ziel. Als u die niet vindt, vragen wij u deze gedachte direct opzij te zetten als een zeer gevaarlijke en verwoestende dwaling. Het zuurdesem werkt door in de menselijke geest. De mensen worden wantrouwig aan­gaande de waarheid van een verklaring die het eerst uitge­sproken werd door een niet betrouwbaar wezen in het paradijs, de duivel, zich daarna voortplantte onder de heidenen en zich tenslotte verspreidde in alle aderen van de orthodoxie. Maar de waarheid zal boven komen, hoe diep die zich ook mag be­vinden onder de afval die over haar uitgestort is. Door de stralende opkomst van haar licht, zullen alle verouderde bijgelovigheden en traditionele dogma's geopenbaard worden in hun natuurlijke mismaaktheid.