You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - Hier en erna
 
TEGENWERPINGEN BEANTWOORD    (13)

 

Onderzoek van teksten waarvan verondersteld wordt dat zij een eeuwige bewuste ellende aantonen.

 

1.  Tot versmading en eeuwig afgrijzen

 

Daniël 12:2. "En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading; en tot eeuwig afgrijzen." Degenen die geloven in het eeuwig bewust lijden van de verlorenen, verbinden de versmading waarover in deze tekst gesproken wordt met het afgrijzen, en beweren dat dit eveneens eeuwig zal zijn. Ge­zien versmading, dat een gevoel is dat door de mensen zelf ervaren wordt, eeuwig zal zijn, wordt gesteld dat zij zullen worden opgewekt tot een eeuwig leven en bewustzijn.

 

In antwoord daarop kan worden gezegd dat het feit, dat zij worden opgewekt tot “versmading”, inderdaad bewijst dat zij een werkelijke opstanding ten leven en bewustzijn meema­ken, en dat dit geen zinnebeeldige gezegde is dat op hen van toepassing is. Maar de lezer zal hebben opgemerkt dat aan­gaande de versmading niet gezegd is, gelijk het afgrijzen, dat die eeuwig zal zijn. Versmading is geen gevoel dat zij ondergaan, zij worden niet opgewekt om zichzelf te versmaden; maar het is een gevoel dat anderen jegens hen koesteren. De Oudsyrische ondersteunt deze gedachte. Daarin staat: "Sommi­gen tot versmaadheden en eeuwig afgrijzen van hun metgezel­len." En zo zal het zijn. Schaamte over hun boosaardigheid en verdorvenheid zal in hun ziel branden zo lang zij leven. En als zij gestorven zijn, verteerd door hun eigen ongerech­tigheid, wekken hun verdorven karakters en hun misdaden af­keer op bij de rechtvaardigen. De tekst voorziet derhalve niet in een bewijs van eeuwig lijden voor de goddelozen.

 

2.  Eeuwig brandend vuur

 

Matthëus 25:41: "Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwig vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is." Waarvan wordt gezegd dat het eeuwig is? Verdorven men­sen? - Nee. De duivel? - Nee. - Zijn engelen? - Nee. Maar al­leen van het vuur. En hoe kan de toepassing van deze uitdruk­king op het vuur, de onverwoestbaarheid en het eeuwig leven bewijzen van degenen die daarin geworpen worden? Geantwoord zou kunnen worden: "Welke reden zou er kunnen zijn om het vuur eeuwig te laten branden, als de slachtoffers daarvan iet de eeuwige prooi van zijn macht zijn?
Wij antwoorden:

 

Dit woord is soms gebruikt om alleen de 'gevolgen' en niet de duur van het 'proces' aan te duiden. Eeuwig vuur behoeft geen vuur te zijn dat eeuwig brandt, maar vuur dat gevolgen met zich brengt die van eeuwige duur zijn. De slachtoffers die daarin worden geworpen verteren; en omdat zij uit de vernietiging daarvan nooit bevrijd zullen worden, is het voor hen een 'eeuwig vuur.' Dit wordt duidelijk als wij gaan spreken over het 'eeuwig vuur' waardoor Gods wraak werd uitgestort over de verdorven steden Sodom en Gemorra.

Er zijn verschillende gedeelten in de Schrift waarin het­zelfde woord 'aionios', ongetwijfeld is gebruikt in deze zin van gevolgen, niet van een voortdurende activiteit.

In Hebr. 5:9 is sprake van 'eeuwige zaligmaking;' dat is, een zalig­making die eeuwig van duur is of eeuwige gevolgen met zich brengt, geen die altijd voortduurt en nooit voltooid wordt.

In Hebr. 6:2 spreekt Paulus van 'het eeuwig oordeel;' geen oordeel dat eeuwig duurt, maar een dat, als het uitgesproken is over alle mensen (Hand. 17:31), onherroepelijk in zijn besluiten en van eeuwige duur is in zijn gevolgen.

 

In Hebr. 9:12 spreekt de apostel op dezelfde wijze over 'eeuwige ver­lossing, geen verlossing waarin wij eeuwig streven een ver­loste staat te verkrijgen die wij nooit bereiken, maar een verlossing die ons voor altijd verlost van de macht van de zonde en dood. Men kan even goed spreken over de heiligen als altijd verlossend, maar nooit verlost, als te spreken over de zondaar die altijd brandt, maar nooit verbrandt, of als altijd stervende, maar nooit sterft. Dit vuur is bereid voor de duivel en zijn engelen, en voor allen van het menselijk ras die verkozen de duivel te volgen in zijn opstand tegen de regering in de hemel. Voor hen zal het een eeuwig vuur zijn; want als zij daar eenmaal ingeworpen zijn, is er daar­na geen leven meer voor hen.

 

3.  Een eeuwigdurende bestraffing

 

Matthëus 24:46: "En deze zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven." Dit is een tekst die ogenschijnlijk grote kracht bezit ten gunste van de leer van een eeuwige bewuste ellende. Maar het geheim van deze ogenschijnlijke kracht ligt in het feit dat ten aanzien van de uitdrukking 'pijn' vrijwel altijd verondersteld wordt dat die verbonden is met 'bewust lijden', en dat als een pijni­ging niet meer voelbaar is, ze ophoudt een bestraffing te zijn. Als wij nu op goede gronden, kunnen aantonen dat de bestraffing niet zo zeer door pijn maar' door gemis wordt, be­paald, dan verdwijnt dit denkbeeld onmiddelijk.

 

Er bestaat, geen meningsverschil aangaande de duur van de straf' die in deze tekst wordt genoemd. De straf zal voor' eeu­wig zijn; maar van welke aard? De 'orthodoxen' beweren, dat de goddelozen in alle eeuwigheid gepijnigd zullen worden in de hel. De Bijbel leert ons op verschillende plaatsen dat het een eeuwige dood zal zijn,

 

Is de dood een straf? Zo ja, dan is de eeuwige dood (de tweede dood) ook een eeuwige straf. Gods woord leert ons dat de gelovigen zullen worden opgewekt om voor eeuwig op een vernieuwde aarde te wonen. De goddelozen zullen eveneens wor­den opgewekt om overeenkomstig hun daden gestraft te worden, daarna ondergaan zij een tweede dood.

 

Waarom wordt de doodstraf in onze gerechtshoven bezien als de grootste en strengste straf? Dat is niet omdat de pijn die daarmee gepaard gaat groot is; want foltering en vele andere soorten van bestraffing kunnen meer' pijn veroorzaken. Maar ze wordt als de strengste bezien omdat ze van eeuwige duur is. Zij berooft het slachtoffer' onmiddellijk van alle zegeningen van het leven. God biedt de mensen een eeuwig le­ven aan en baseert dit op het karakter dat wij hier onder de leiding van Zijn geest willen vormen. Zijn geboden leren ons wat Hij van ons vraagt en vormen de basis voor de vorming van een karakter dat voor God aanvaardbaar is.

Alleen dege­nen die onder de leiding van de Heilige Geest gewillig zijn hun verkeerde eigenschappen te overwinnen, zullen deel uit­maken van Gods koninkrijk waarin geen dood ellende, bedrog enz. gevonden worden. In dit vormingsproces is sprake van een 'vallen en opstaan' en strijden tegen neigingen die een scheiding kunnen veroorzaken tussen God en de mens. Christus is voor onze overtredingen gestorven en als wij die belijden en onder de leiding van de Heilige Geest er naar streven om te overwinnen, zullen wij als overwinnaars uit de strijd te­voorschijn komen. Wij kunnen uit dit leven niets meenemen, behalve het karakter dat wij hier met behulp van Christus en de Heilige Geest kunnen vormen als wij ons voor Hun invloed openstellen. Gods woord leert ons wat en Wie onze hemelse Vader, Zijn Zoon en de Heilige Geest zijn, namelijk drie persoonlijkheden die samenwerken om de mens te redden.

 

4.  Maten van bestraffing

 

De Bijbel leert ons duidelijk dat verschillende strafma­ten zullen worden toegepast, en gevraagd wordt hoe dit kan verenigbaar zijn met een toestand van de dood die allen moe­ten ondergaan? Laten wij diegenen vragen, die geloven in een eeuwige straf hoe zij de strafmaten in 'hun' systeem toepas­sen. Zij vertellen ons dat de hevigheid van de pijn die een ieder ondergaat aangepast is aan de schuld van de lijdende. Maar hoe kan dat? Zijn de vlammen in de hel niet overal even vurig, zullen zij niet alle dezelfde uitwerking hebben op de zielen die daarin geworpen worden? Maar, wordt gezegd, God kan tussenbeide komen om de juiste uitwerking te berei­ken. Goed dan vragen wij, kan Hij dan ook indien nodig tus­senbeide komen en overeenkomstig onze opvatting de pijn aan­passen aan de daden van de goddelozen en hen tenslotte laten overgaan in een toestand van de dood als de climax van Zijn straf? Wij gaan er echter van uit dat het lichamelijk lijden licht zal zijn vergeleken met de intense angst die hun zie­len verscheurt als zij zien op hun weergaloos verlies, een ieder overeenkomstig zijn oordeelsvermogen.

De jongere die nauwelijks de jaren van verantwoordelijkheid en sterven heeft bereikt, maar misschien met voldoende schuld om hem buiten de hemel te sluiten, zal natuurlijk minder lijden. De oude­ren, die beter konden weten, en daarom een grotere ervaring in de zonde hebben, zullen zwaarder worden bestraft. De man met een geweldig verstand en een vrijwel mateloos bevattingsvermogen, die daardoor een groter aandeel in het kwaad bezat is in staat zijn situatie volledig te overzien, hij door­grondt zijn lot en realiseert zich zijn verlies en zal dit scherper voelen dan alle anderen. In zijn ziel zal het staal inderdaad diep doordringen. De straf die een ieder ondergaat zal zeer nauwkeurig in overeenstemming zijn met de mate van zijn schuld.

 

5.  De onsterfelijke worm en het onuitblusbaar vuur.

 

Markus 9:43,44. "En indien uw hand u ergert, houwt ze af: het is u beter verminkt door het leven te gaan, dan twee han­den hebbende, heen te gaan in de hel, het onuitblusselijk vuur; waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt."

 

Dit belangrijke vonnis: "Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt", wordt tweemaal door onze Here herhaalt. Zie verzen 46 en 48. Op deze woorden baseert men de eeuwige pijniging. Als deze woorden voordien nooit door de geïnspireerde schrijvers van de Schrift waren geuit, voordat ze in het Nieuwe Testament werden gebezigd, dan zouden ze een bepaalde mate van waarschijnlijkheid bezitten en als een betekenisvolle beeldspraak van een eeuwige pijniging kunnen gelden. Maar, zelfs in dat geval kan gezegd worden dat vuur, voorzover wij daarmee enige ervaring hebben, of de aard daarvan kennen, altijd verteert inplaats van verduurzaamt, en dat alles wat daaraan ten prooi valt, daarom een zinne­beeld moet zijn van een volledige vernietiging en dat de uit­drukking in Markus 9:44 niets anders kan betekenen als een volledige vertering van degenen die in dat vuur worden ge­worpen.

 

Maar, deze uitdrukking was alom bekend en werd begrepen door degenen tot wie Christus zich richtte. Jesaja en Jere­mia gebruikten vaak het beeld van de onsterfelijke worm en het onuitblusbare vuur. In de hen bekende Schriften las het volk dagelijks deze uitdrukkingen. Laten wij eens zien welke gedachte zij daaraan ontleenden: Wij keren ons tot Jeremia 17:27 en lezen:

"Maar indien u naar Mij niet wilt horen, om de sabbatdag te heiligen, en om geen last te dragen, als u op de sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat; zo zal Ik een vuur in haar poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren en het zal niet worden uitgeblust."

 

Uit deze tekst kunnen wij leren welke betekenis de joden aan de uitdrukking “onuitblusselijk vuur” hebben toegekend. Het vuur in Jeruzalems poorten zou niet worden uitgeblust. Maar, let wel! het zou in de poorten worden aangestoken en de paleizen van de stad verteren. Daarom was het geen figuur­lijk, maar een gewoon letterlijk vuur. Hoe kon een dergelijk vuur eeuwig branden? Die uitdrukking werd ook niet in die betekenis opgevat; en daarom mogen wij er ook nu geen andere theologische betekenis aan toekennen.

 

Maar laat ons eens zien hoe deze profetie is vervuld. In 2 Kron. 36:19 staat geschreven: "En zij verbrandden het huis Gods en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de paleizem daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijk gerei daarvan." Vers 21 zegt: "Opdat het woord des Heren vervuld werd door de mond van Jeremia."

 

Jeruzalem werd dus volgens de voorspelling van Jeremia door onuitblusselijk vuur verbrand. Maar hoe lang heeft dit onuitblusselijk vuur gebrand? - Totdat de paleizen en poor­ten tot as waren verteerd. Onuitblusselijk vuur is daarom slechts een vuur dat niet uitgeblust wordt, maar blijft bran­den totdat de brandstof verteerd is. Dan dooft het vanzelf uit, want er is niets meer om te verbranden. De uitdrukking duidt niet op een vuur dat eeuwig moet branden en dat al het­geen daarin geworpen wordt om de vlammen te voeden voor altijd wordt behouden door het verbrande gedeelte direct te vernieuwen.

 

Voor de goddelozen is het bedreigende vuur onuitblusbaar, omdat het niet uitgeblust, of tot staan zal worden gebracht, totdat het alles verteerd heeft.

Psalm 37:20: "Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden van de Here zullen verdwijnen, als het kostelijkste van de lammeren; met de rook zullen zij verdwijnen."

 

Maleachi 4:3: "En u zult de goddelozen vertreden; want zij zullen as worden onder de zolen van uw voeten, te dien dage, die Ik maken zal, zegt de Here der heirscharen."

 

Ezechiël spreekt op dezelfde wijze over onuitblusselijk vuur: "Alzo zegt de Here Here: Zie, Ik zal een vuur in u aan­steken, dat in u alle groene bomen en alle dorre boom verte­ren zal; de vlammende vlam zal niet uitgeblust worden. Maar daardoor zullen verbrand worden alle aangezichten van het zuiden tot het noorden toe. En alle vlees zal zien, dat Ik, de Here, dat aangestoken heb; het zal niet uitgeblust wor­den." - Ezech. 20:47,48.

 

Jesaja spreekt niet alleen over een onuitblusselijk vuur, maar verbindt daarmee de worm die niet sterft. In Jesaja 66: 24 staat aldus geschreven:

 

"En zij zullen heengaan, uitgaan, en zij zullen de dode lichamen der zielen zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitge­blust worden, en zij zullen voor alle vlees een afgrijzing wezen."

Dat de worm dient tot zinnebeeld van vertering, en dat lijken aas voor wormen zijn, blijkt verder uit Jesaja 14:11 en 51:8. Zijn toehoorders waren goed bekend met deze Oud Testamentische beelden, en daarom hebben zij de woorden van de Zaligmaker niet opgevat in de zin dat de goddelozen voor eeuwig in het helse vuur zullen branden of eeuwig door wor­men worden gegeten.

 

6.  Eeuwig en altijd gekweld

 

De enige overige teksten waaruit men de eeuwige pijniging van de goddelozen meent te kunnen bewijzen, vindt men in het boek De Openbaring, hoofdstuk 14:11-15; 20:10,14. De eerste is Openbaring 14:11: "En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, en die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merk­teken van zijn naam draagt."

Dit gedeelte spreekt niet over alle goddelozen, maar alleen over een bepaalde groep - de aanbidders van het beest en zijn beeld. Het beest is, overeenkomstig het bewijs dat geen protestant geneigd is te ontkennen, de pauselijke macht (Openb. 13:1-10); en het beeld wordt gevormd door degenen die sympathiseren en samenwerken met deze macht. Openb. 13: 14-18. Derhalve omvat de tekst slechts een naar verhouding kleine groep van het verdorven menselijk ras. De oude wereld met haar vele miljoenen, en de huidige heidense wereld, die deze macht niet kennen, worden niet betrokken in de dreigen­de straf die hier naar voren wordt gebracht. Deze tekst zou daarom opzij gezet kunnen worden als niet doorslaggevend om­dat, zelfs als toegegeven zou worden dat die eeuwige straf bedoeld is voor sommigen, ze niet voor allen geldt.

 

Maar omdat gesteld is dat geen enkele tekst bevestigt dat er sprake is van een eeuwige straf voor enig bewust wezen in het gehele universum, zal getracht worden aan te tonen dat dit gedeelte zelfs niets bewijst ten aanzien van de kleine groep die naar voren wordt gebracht. De uitdrukking, "De rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid," is die waarop in dit geval de leer van een eeuwig lijden wordt gebaseerd. Maar hetzelfde van deze uitdrukking zou gezegd kunnen worden aangaande “de onsterfelijke worm en het onuitblusbare vuur.”

In Johannes dagen was dit niet nieuw, want het werd ont­leend aan het Oude Testament en werd in die tijd begrepen.

 

In Jesaja 34:9,10 zegt de profeet, sprekende over het land Edom: "En hun beken zullen in pek veranderd worden, en hun stof in zwavel, ja hun aarde zal brandend pek worden. Het zal 'des nachts of des daags' niet uitgeblust worden; tot in der eeuwigheid zal zijn rook opgaan; van geslacht tot geslacht zal het woest zijn, tot in eeuwigheid der eeuwigheden zal niemand daar doorgaan."

 

Maar deze tekst kan slechts op twee manieren worden uit­gelegd. De profetie doelt óf op het land van de Edomieten ten oosten en ten zuiden van Judea, of het is een zinnebeel­dige voorstelling van de gehele aarde op de dag van haar uiteindelijk verbranding. Het is om het even welke uitlegging men kiest. Als die op het land Edom wordt toegepast, en de woorden betrekking hebben op de verwoestingen waardoor het getroffen werd, dan is er zeker geen eeuwig vuur vervat in de verklaring dat de rook daarvan eeuwig zal opgaan. Want alle voorspellingen aangaande het land Edom zijn reeds lang vervuld, en de oordelen zijn opgehouden. Als het verwijst naar de vuren van de laatste dagen, als de elementen door de hevige hitte zullen smelten, is ook daarin geen sprake van eeuwige duur, want de aarde zal niet voor eeuwig worden vernietigd door de reinigende vuren van de laatste dag. Ze zal uit haar as opstaan en een nieuwe aarde komt tevoorschijn gereinigd van alle smetten van de zonde, en bevrijdt van de misvorming van de vloek, om een eeuwig verblijf te zijn voor de rechtvaardigen.

 

Hier is een voorbeeld waarin het woord 'eeuwig' duidt op oen beperkte duur. Deze aarde zal gereinigd worden en er zal een nieuwe aarde geschapen worden. Nadat de zonde en haar werken verdelgd zijn, zal deze aarde tot een woonplaats van Gods volk dienen. Zie Openb. 5:9,10; Psalm 37:11; Jes. 65:17 enz.

 

Wij hebben nu de meest belangrijke teksten onderzocht die naar voren werden gebracht als bewijs van een eeuwige pijni­ging van de verlorenen. Hoewel door sommigen nog andere teksten naar voren worden gebracht om die leer te bewijzen, kunnen wij veilig het standpunt innemen, dat het niet de moeite waard is bij al die beweringen stil te staan; want als men zijn betoog niet kan staven met de sterkste teksten, dan kunnen gevolgtrekkingen en indirecte bewijzen geen kracht verlenen. En als men zou trachten elke tekst aan te voeren waarvan gedacht wordt dat die een bewijs bevat voor de on­sterfelijkheid van de verlorenen, dan zou de verbazing alleen groter worden.  (Uriah Smith)