Onderzoek van teksten waarvan
verondersteld wordt dat zij een eeuwige bewuste ellende aantonen.
1. Tot versmading en
eeuwig afgrijzen
Daniël 12:2. "En velen van
die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig
leven en genen tot versmading; en tot eeuwig afgrijzen." Degenen die geloven
in het eeuwig bewust lijden van de verlorenen, verbinden de versmading
waarover in deze tekst gesproken wordt met het afgrijzen, en beweren dat dit
eveneens eeuwig zal zijn. Gezien versmading, dat een gevoel is dat door de
mensen zelf ervaren wordt, eeuwig zal zijn, wordt gesteld dat zij zullen
worden opgewekt tot een eeuwig leven en bewustzijn.
In antwoord daarop kan worden
gezegd dat het feit, dat zij worden opgewekt tot “versmading”, inderdaad
bewijst dat zij een werkelijke opstanding ten leven en bewustzijn meemaken,
en dat dit geen zinnebeeldige gezegde is dat op hen van toepassing is. Maar
de lezer zal hebben opgemerkt dat aangaande de versmading niet gezegd is,
gelijk het afgrijzen, dat die eeuwig zal zijn. Versmading is geen gevoel dat
zij ondergaan, zij worden niet opgewekt om zichzelf te versmaden; maar het
is een gevoel dat anderen jegens hen koesteren. De Oudsyrische ondersteunt
deze gedachte. Daarin staat: "Sommigen tot versmaadheden en eeuwig
afgrijzen van hun metgezellen." En zo zal het zijn. Schaamte over hun
boosaardigheid en verdorvenheid zal in hun ziel branden zo lang zij leven.
En als zij gestorven zijn, verteerd door hun eigen ongerechtigheid, wekken
hun verdorven karakters en hun misdaden afkeer op bij de rechtvaardigen. De
tekst voorziet derhalve niet in een bewijs van eeuwig lijden voor de
goddelozen.
2. Eeuwig brandend vuur
Matthëus 25:41: "Gaat weg van
Mij, gij vervloekten, in het eeuwig vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen
bereid is." Waarvan wordt gezegd dat het eeuwig is? Verdorven mensen? -
Nee. De duivel? - Nee. - Zijn engelen? - Nee. Maar alleen van het vuur. En
hoe kan de toepassing van deze uitdrukking op het vuur, de
onverwoestbaarheid en het eeuwig leven bewijzen van degenen die daarin
geworpen worden? Geantwoord zou kunnen worden: "Welke reden zou er kunnen
zijn om het vuur eeuwig te laten branden, als de slachtoffers daarvan iet de
eeuwige prooi van zijn macht zijn?
Wij antwoorden:
Dit woord is soms gebruikt om
alleen de 'gevolgen' en niet de duur van het 'proces' aan te duiden. Eeuwig
vuur behoeft geen vuur te zijn dat eeuwig brandt, maar vuur dat gevolgen met
zich brengt die van eeuwige duur zijn. De slachtoffers die daarin worden
geworpen verteren; en omdat zij uit de vernietiging daarvan nooit bevrijd
zullen worden, is het voor hen een 'eeuwig vuur.' Dit wordt duidelijk als
wij gaan spreken over het 'eeuwig vuur' waardoor Gods wraak werd uitgestort
over de verdorven steden Sodom en Gemorra.
Er zijn verschillende
gedeelten in de Schrift waarin hetzelfde woord 'aionios', ongetwijfeld is
gebruikt in deze zin van gevolgen, niet van een voortdurende activiteit.
In Hebr. 5:9 is sprake van
'eeuwige zaligmaking;' dat is, een zaligmaking die eeuwig van duur is of
eeuwige gevolgen met zich brengt, geen die altijd voortduurt en nooit
voltooid wordt.
In Hebr. 6:2 spreekt Paulus
van 'het eeuwig oordeel;' geen oordeel dat eeuwig duurt, maar een dat, als
het uitgesproken is over alle mensen (Hand. 17:31), onherroepelijk in zijn
besluiten en van eeuwige duur is in zijn gevolgen.
In Hebr. 9:12 spreekt de
apostel op dezelfde wijze over 'eeuwige verlossing, geen verlossing waarin
wij eeuwig streven een verloste staat te verkrijgen die wij nooit bereiken,
maar een verlossing die ons voor altijd verlost van de macht van de zonde en
dood. Men kan even goed spreken over de heiligen als altijd verlossend, maar
nooit verlost, als te spreken over de zondaar die altijd brandt, maar nooit
verbrandt, of als altijd stervende, maar nooit sterft. Dit vuur is bereid
voor de duivel en zijn engelen, en voor allen van het menselijk ras die
verkozen de duivel te volgen in zijn opstand tegen de regering in de hemel.
Voor hen zal het een eeuwig vuur zijn; want als zij daar eenmaal ingeworpen
zijn, is er daarna geen leven meer voor hen.
3. Een eeuwigdurende
bestraffing
Matthëus 24:46: "En deze
zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige
leven." Dit is een tekst die ogenschijnlijk grote kracht bezit ten gunste
van de leer van een eeuwige bewuste ellende. Maar het geheim van deze
ogenschijnlijke kracht ligt in het feit dat ten aanzien van de uitdrukking
'pijn' vrijwel altijd verondersteld wordt dat die verbonden is met 'bewust
lijden', en dat als een pijniging niet meer voelbaar is, ze ophoudt een
bestraffing te zijn. Als wij nu op goede gronden, kunnen aantonen dat de
bestraffing niet zo zeer door pijn maar' door gemis wordt, bepaald, dan
verdwijnt dit denkbeeld onmiddelijk.
Er bestaat, geen
meningsverschil aangaande de duur van de straf' die in deze tekst wordt
genoemd. De straf zal voor' eeuwig zijn; maar van welke aard? De
'orthodoxen' beweren, dat de goddelozen in alle eeuwigheid gepijnigd zullen
worden in de hel. De Bijbel leert ons op verschillende plaatsen dat het een
eeuwige dood zal zijn,
Is de dood een straf? Zo ja,
dan is de eeuwige dood (de tweede dood) ook een eeuwige straf. Gods woord
leert ons dat de gelovigen zullen worden opgewekt om voor eeuwig op een
vernieuwde aarde te wonen. De goddelozen zullen eveneens worden opgewekt om
overeenkomstig hun daden gestraft te worden, daarna ondergaan zij een tweede
dood.
Waarom wordt de doodstraf in
onze gerechtshoven bezien als de grootste en strengste straf? Dat is niet
omdat de pijn die daarmee gepaard gaat groot is; want foltering en vele
andere soorten van bestraffing kunnen meer' pijn veroorzaken. Maar ze wordt
als de strengste bezien omdat ze van eeuwige duur is. Zij berooft het
slachtoffer' onmiddellijk van alle zegeningen van het leven. God biedt de
mensen een eeuwig leven aan en baseert dit op het karakter dat wij hier
onder de leiding van Zijn geest willen vormen. Zijn geboden leren ons wat
Hij van ons vraagt en vormen de basis voor de vorming van een karakter dat
voor God aanvaardbaar is.
Alleen degenen die onder de
leiding van de Heilige Geest gewillig zijn hun verkeerde eigenschappen te
overwinnen, zullen deel uitmaken van Gods koninkrijk waarin geen dood
ellende, bedrog enz. gevonden worden. In dit vormingsproces is sprake van
een 'vallen en opstaan' en strijden tegen neigingen die een scheiding kunnen
veroorzaken tussen God en de mens. Christus is voor onze overtredingen
gestorven en als wij die belijden en onder de leiding van de Heilige Geest
er naar streven om te overwinnen, zullen wij als overwinnaars uit de strijd
tevoorschijn komen. Wij kunnen uit dit leven niets meenemen, behalve het
karakter dat wij hier met behulp van Christus en de Heilige Geest kunnen
vormen als wij ons voor Hun invloed openstellen. Gods woord leert ons wat en
Wie onze hemelse Vader, Zijn Zoon en de Heilige Geest zijn, namelijk drie
persoonlijkheden die samenwerken om de mens te redden.
4. Maten van bestraffing
De Bijbel leert ons duidelijk
dat verschillende strafmaten zullen worden toegepast, en gevraagd wordt hoe
dit kan verenigbaar zijn met een toestand van de dood die allen moeten
ondergaan? Laten wij diegenen vragen, die geloven in een eeuwige straf hoe
zij de strafmaten in 'hun' systeem toepassen. Zij vertellen ons dat de
hevigheid van de pijn die een ieder ondergaat aangepast is aan de schuld van
de lijdende. Maar hoe kan dat? Zijn de vlammen in de hel niet overal even
vurig, zullen zij niet alle dezelfde uitwerking hebben op de zielen die
daarin geworpen worden? Maar, wordt gezegd, God kan tussenbeide komen om de
juiste uitwerking te bereiken. Goed dan vragen wij, kan Hij dan ook indien
nodig tussenbeide komen en overeenkomstig onze opvatting de pijn aanpassen
aan de daden van de goddelozen en hen tenslotte laten overgaan in een
toestand van de dood als de climax van Zijn straf? Wij gaan er echter van
uit dat het lichamelijk lijden licht zal zijn vergeleken met de intense
angst die hun zielen verscheurt als zij zien op hun weergaloos verlies, een
ieder overeenkomstig zijn oordeelsvermogen.
De jongere die nauwelijks de
jaren van verantwoordelijkheid en sterven heeft bereikt, maar misschien met
voldoende schuld om hem buiten de hemel te sluiten, zal natuurlijk minder
lijden. De ouderen, die beter konden weten, en daarom een grotere ervaring
in de zonde hebben, zullen zwaarder worden bestraft. De man met een geweldig
verstand en een vrijwel mateloos bevattingsvermogen, die daardoor een groter
aandeel in het kwaad bezat is in staat zijn situatie volledig te overzien,
hij doorgrondt zijn lot en realiseert zich zijn verlies en zal dit scherper
voelen dan alle anderen. In zijn ziel zal het staal inderdaad diep
doordringen. De straf die een ieder ondergaat zal zeer nauwkeurig in
overeenstemming zijn met de mate van zijn schuld.
5. De onsterfelijke worm en het
onuitblusbaar vuur.
Markus 9:43,44. "En indien uw
hand u ergert, houwt ze af: het is u beter verminkt door het leven te gaan,
dan twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, het onuitblusselijk vuur;
waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt."
Dit belangrijke vonnis: "Waar
hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt", wordt tweemaal
door onze Here herhaalt. Zie verzen 46 en 48. Op deze woorden baseert men de
eeuwige pijniging. Als deze woorden voordien nooit door de geïnspireerde
schrijvers van de Schrift waren geuit, voordat ze in het Nieuwe Testament
werden gebezigd, dan zouden ze een bepaalde mate van waarschijnlijkheid
bezitten en als een betekenisvolle beeldspraak van een eeuwige pijniging
kunnen gelden. Maar, zelfs in dat geval kan gezegd worden dat vuur,
voorzover wij daarmee enige ervaring hebben, of de aard daarvan kennen,
altijd verteert inplaats van verduurzaamt, en dat alles wat daaraan ten
prooi valt, daarom een zinnebeeld moet zijn van een volledige vernietiging
en dat de uitdrukking in Markus 9:44 niets anders kan betekenen als een
volledige vertering van degenen die in dat vuur worden geworpen.
Maar, deze uitdrukking was
alom bekend en werd begrepen door degenen tot wie Christus zich richtte.
Jesaja en Jeremia gebruikten vaak het beeld van de onsterfelijke worm en
het onuitblusbare vuur. In de hen bekende Schriften las het volk dagelijks
deze uitdrukkingen. Laten wij eens zien welke gedachte zij daaraan
ontleenden: Wij keren ons tot Jeremia 17:27 en lezen:
"Maar indien u naar Mij niet
wilt horen, om de sabbatdag te heiligen, en om geen last te dragen, als u op
de sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat; zo zal Ik een vuur in
haar poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren en het
zal niet worden uitgeblust."
Uit deze tekst kunnen wij
leren welke betekenis de joden aan de uitdrukking “onuitblusselijk vuur”
hebben toegekend. Het vuur in Jeruzalems poorten zou niet worden uitgeblust.
Maar, let wel! het zou in de poorten worden aangestoken en de paleizen van
de stad verteren. Daarom was het geen figuurlijk, maar een gewoon
letterlijk vuur. Hoe kon een dergelijk vuur eeuwig branden? Die uitdrukking
werd ook niet in die betekenis opgevat; en daarom mogen wij er ook nu geen
andere theologische betekenis aan toekennen.
Maar laat ons eens zien hoe
deze profetie is vervuld. In 2 Kron. 36:19 staat geschreven: "En zij
verbrandden het huis Gods en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de
paleizem daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijk
gerei daarvan." Vers 21 zegt: "Opdat het woord des Heren vervuld werd door
de mond van Jeremia."
Jeruzalem werd dus volgens de
voorspelling van Jeremia door onuitblusselijk vuur verbrand. Maar hoe lang
heeft dit onuitblusselijk vuur gebrand? - Totdat de paleizen en poorten tot
as waren verteerd. Onuitblusselijk vuur is daarom slechts een vuur dat niet
uitgeblust wordt, maar blijft branden totdat de brandstof verteerd is. Dan
dooft het vanzelf uit, want er is niets meer om te verbranden. De
uitdrukking duidt niet op een vuur dat eeuwig moet branden en dat al
hetgeen daarin geworpen wordt om de vlammen te voeden voor altijd wordt
behouden door het verbrande gedeelte direct te vernieuwen.
Voor de goddelozen is het
bedreigende vuur onuitblusbaar, omdat het niet uitgeblust, of tot staan zal
worden gebracht, totdat het alles verteerd heeft.
Psalm 37:20: "Maar de
goddelozen zullen vergaan, en de vijanden van de Here zullen verdwijnen, als
het kostelijkste van de lammeren; met de rook zullen zij verdwijnen."
Maleachi 4:3: "En u zult de
goddelozen vertreden; want zij zullen as worden onder de zolen van uw
voeten, te dien dage, die Ik maken zal, zegt de Here der heirscharen."
Ezechiël spreekt op dezelfde
wijze over onuitblusselijk vuur: "Alzo zegt de Here Here: Zie, Ik zal een
vuur in u aansteken, dat in u alle groene bomen en alle dorre boom
verteren zal; de vlammende vlam zal niet uitgeblust worden. Maar daardoor
zullen verbrand worden alle aangezichten van het zuiden tot het noorden toe.
En alle vlees zal zien, dat Ik, de Here, dat aangestoken heb; het zal niet
uitgeblust worden." - Ezech. 20:47,48.
Jesaja spreekt niet alleen
over een onuitblusselijk vuur, maar verbindt daarmee de worm die niet
sterft. In Jesaja 66: 24 staat aldus geschreven:
"En zij zullen heengaan,
uitgaan, en zij zullen de dode lichamen der zielen zien, die tegen Mij
overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet
uitgeblust worden, en zij zullen voor alle vlees een afgrijzing wezen."
Dat de worm dient tot
zinnebeeld van vertering, en dat lijken aas voor wormen zijn, blijkt verder
uit Jesaja 14:11 en 51:8. Zijn toehoorders waren goed bekend met deze Oud
Testamentische beelden, en daarom hebben zij de woorden van de Zaligmaker
niet opgevat in de zin dat de goddelozen voor eeuwig in het helse vuur
zullen branden of eeuwig door wormen worden gegeten.
6. Eeuwig en altijd
gekweld
De enige overige teksten
waaruit men de eeuwige pijniging van de goddelozen meent te kunnen bewijzen,
vindt men in het boek De Openbaring, hoofdstuk 14:11-15; 20:10,14. De eerste
is Openbaring 14:11: "En de rook van hun pijniging gaat op in alle
eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, en die het beest aanbidden
en zijn beeld, en zo iemand het merkteken van zijn naam draagt."
Dit gedeelte spreekt niet over
alle goddelozen, maar alleen over een bepaalde groep - de aanbidders van het
beest en zijn beeld. Het beest is, overeenkomstig het bewijs dat geen
protestant geneigd is te ontkennen, de pauselijke macht (Openb. 13:1-10); en
het beeld wordt gevormd door degenen die sympathiseren en samenwerken met
deze macht. Openb. 13: 14-18. Derhalve omvat de tekst slechts een naar
verhouding kleine groep van het verdorven menselijk ras. De oude wereld met
haar vele miljoenen, en de huidige heidense wereld, die deze macht niet
kennen, worden niet betrokken in de dreigende straf die hier naar voren
wordt gebracht. Deze tekst zou daarom opzij gezet kunnen worden als niet
doorslaggevend omdat, zelfs als toegegeven zou worden dat die eeuwige straf
bedoeld is voor sommigen, ze niet voor allen geldt.
Maar omdat gesteld is dat geen
enkele tekst bevestigt dat er sprake is van een eeuwige straf voor enig
bewust wezen in het gehele universum, zal getracht worden aan te tonen dat
dit gedeelte zelfs niets bewijst ten aanzien van de kleine groep die naar
voren wordt gebracht. De uitdrukking, "De rook van hun pijniging gaat op in
alle eeuwigheid," is die waarop in dit geval de leer van een eeuwig lijden
wordt gebaseerd. Maar hetzelfde van deze uitdrukking zou gezegd kunnen
worden aangaande “de onsterfelijke worm en het onuitblusbare vuur.”
In Johannes dagen was dit niet
nieuw, want het werd ontleend aan het Oude Testament en werd in die tijd
begrepen.
In Jesaja 34:9,10 zegt de
profeet, sprekende over het land Edom: "En hun beken zullen in pek veranderd
worden, en hun stof in zwavel, ja hun aarde zal brandend pek worden. Het zal
'des nachts of des daags' niet uitgeblust worden; tot in der eeuwigheid zal
zijn rook opgaan; van geslacht tot geslacht zal het woest zijn, tot in
eeuwigheid der eeuwigheden zal niemand daar doorgaan."
Maar
deze tekst kan slechts op twee manieren worden uitgelegd. De profetie doelt
óf op het land van de Edomieten ten oosten en ten zuiden van Judea, of het
is een zinnebeeldige voorstelling van de gehele aarde op de dag van haar
uiteindelijk verbranding. Het is om het even welke uitlegging men kiest. Als
die op het land Edom wordt toegepast, en de woorden betrekking hebben op de
verwoestingen waardoor het getroffen werd, dan is er zeker geen eeuwig vuur
vervat in de verklaring dat de rook daarvan eeuwig zal opgaan. Want alle
voorspellingen aangaande het land Edom zijn reeds lang vervuld, en de
oordelen zijn opgehouden. Als het verwijst naar
de vuren van de laatste dagen, als de elementen door de hevige hitte zullen
smelten, is ook daarin geen sprake van eeuwige duur, want de aarde zal niet
voor eeuwig worden vernietigd door de reinigende vuren van de laatste dag.
Ze zal uit haar as opstaan en een
nieuwe aarde komt tevoorschijn gereinigd van alle smetten van de zonde, en
bevrijdt van de misvorming van de vloek, om een eeuwig verblijf te zijn voor
de rechtvaardigen.
Hier is een voorbeeld waarin
het woord 'eeuwig' duidt op oen beperkte duur. Deze aarde zal gereinigd
worden en er zal een nieuwe aarde geschapen worden. Nadat de zonde en haar
werken verdelgd zijn, zal deze aarde tot een woonplaats van Gods volk
dienen. Zie Openb. 5:9,10; Psalm 37:11; Jes. 65:17 enz.
Wij hebben nu de meest
belangrijke teksten onderzocht die naar voren werden gebracht als bewijs van
een eeuwige pijniging van de verlorenen. Hoewel door sommigen nog andere
teksten naar voren worden gebracht om die leer te bewijzen, kunnen wij
veilig het standpunt innemen, dat het niet de moeite waard is bij al die
beweringen stil te staan; want als men zijn betoog niet kan staven met de
sterkste teksten, dan kunnen gevolgtrekkingen en indirecte bewijzen geen
kracht verlenen. En als men zou trachten elke tekst aan te voeren waarvan
gedacht wordt dat die een bewijs bevat voor de onsterfelijkheid van de
verlorenen, dan zou de verbazing alleen groter worden. (Uriah Smith)