Wij hebben gezien hoe de
verheven leer van de toekomstige opstanding van de doden door haar geweldige
kracht het ragfijne weefsel van de onsterfelijkheid van de ziel
vernietigt. Er is een andere leer die even schriftuurlijk en even
belangrijk is als die van de opstanding, die deze onschriftuurlijke fabel
teniet doet - de leer van het toekomstig algemeen oordeel.
Deze leer van het toekomstig
oordeel en het denkbeeld van een bewuste toestand van de doden kunnen niet
samengaan. Er bestaat een onverenigbaar groot verschil tussen die twee. Als
elk mens bij het sterven geoordeeld wordt - hetgeen inderdaad het geval zou
zijn als een onsterfelijke ziel het vergaan van het lichaam overleeft - en
onmiddellijk de eeuwige toestand van geluk of ellende binnentreedt, al naar
gelang het karakter goed of slecht is geweest, is er geen ruimte meer voor
een algemeen toekomstig oordeel. Maar, als blijkt dat zulk een toekomstig
oordeel zal plaatsvinden, is dat een positief bewijs dat de andere leer niet
juist is. Eén van beiden moet dan als zijnde een onschriftuurlijke leer
verworpen worden.
Welnu, de Schrift leert
duidelijk dat er een algemeen oordeel zal plaatsvinden, en dat een ieder
overeenkomstig het verslag van zijn daden beloond zal worden.
Eén Schriftgedeelte in
Hebreeën schijnt echter voor sommigen een bewijs te vormen dat het oordeel
direct na de dood plaatsvindt en om die reden zullen wij daaraan aandacht
besteden. "En gelijk het de mens gezet is, eenmaal te sterven, en daarna
het oordeel." Hebr. 9:27. Deze tekst bevestigt niets aangaande de tijd die
ligt tussen de dood en het oordeel. Zij stelt niet dat de mensen 'direct'
na de dood worden geoordeeld.
Wij keren terug tot de
stelling dat een toekomstig algemeen oordeel is bepaald. Paulus sprak tot
Felix over een komend oordeel. Hand. 24:25. Maar omdat gezegd zou kunnen
worden dat dit bij Felix' dood zou plaatsvinden, brengen wij een andere
tekst naar voren die over dit oordeel niet alleen als zijnde toekomstig
spreekt, maar tevens aantoont dat dit het vooruitzicht is voor het gehele
menselijke gezin. Hand. 17:31. "Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op
welke Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen, door een Man, die Hij
daartoe verordineerd heeft; verzekering doende aan allen, omdat Hij Hem uit
de doden opgewekt heeft."
Hier wordt in duidelijke
bewoordingen verkondigd dat het oordeel van deze wereld toekomstig is, dat
dit op een vastgestelde tijd zal plaatsvinden en dat een dag, of tijd, voor
dit doel afgezonderd is.
Petrus verwijst naar dezelfde
dag en zegt dat de engelen die gezondigd hebben, en de onrechtvaardigen van
ons eigen geslacht, daartoe bewaard worden. 2 Petr. 2:4,9. Verder zegt hij
dat de huidige aarde als een schat wordt weggelegd en voor het vuur bewaard
wordt tot de dag van het oordeel en vernietiging van de goddelozen. 2 Petr.
3:7-12. Judas zegt dat de engelen die hun beginsel niet hebben bewaard, met
eeuwige banden onder de duisternis bewaard worden tot op de dag des
oordeels. Judas 6. Dit is de dag waarop Christus wordt uitgebeeld als
scheidende het goede van het kwade, zoals een herder de schapen scheidt van
de bokken. (Matth. 25: 31-34); en de dag waarnaar Johannes uitzag toen hij
zei dat hij de doden, klein en groot voor God zag staan en de boeken werden
geopend en zij werden geoordeeld naar hetgeen in die boeken geschreven
staat. - Openb. 20:12.
Dit oordeel wordt in vele
profetieën niet geschetst als een zaak die vanaf het begin wordt doorgevoerd
en waarin een oordeel over ieder persoon wordt uitgesproken zodra hij de
adem des levens uitblaast, maar als de grote gebeurtenis waarmee de
proeftijd van het menselijk ras wordt afgesloten. Het is onnodig meer
bewijzen aan te halen. Het kan niet ontkend worden dat er een dag komt
waarop het oordeel wordt uitgesproken over allen die in deze wereld geleefd
hebben - een oordeel dat beslist hoe hun toestand zal zijn in de eeuw die
daarna komt.
Omdat dit een vastgesteld feit
is, kan de vraag aangaande een bewuste staat in de dood niet onbeantwoord
blijven. Want als het waar zou zijn dat elk menselijk wezen onmiddellijk na
de dood naar de plaats van zijn beloning of straf gaat, waartoe dient dan
een toekomstig algemeen oordeel? Om een tweede besluit over hen uit te
spreken? Is het mogelijk dat een vergissing werd begaan in het vorige
besluit? Is het mogelijk dat sommigen zich nu in de vlammen van de hel
bevinden, die zich in werkelijkheid zouden mogen koesteren in de zegen van
de hemel, mogelijk dat sommigen zich in het paradijs bevinden die op grond
van hun verdorven karakter en criminele leven zich in de hel zouden moeten
bevinden? En als er bij het uitspreken van het oordeel vergissingen zijn
begaan, kan dit dan niet nog eens gebeuren?
Welke zekerheid hebben wij dan
dat, hoewel wij door berouw de hemel mogen binnengaan, wij niet veroordeeld
kunnen worden om voor eeuwig in de hel te branden? Is het mogelijk dat
zulke gerechtelijke fouten gevonden kunnen worden in het verslag van de
hemelse regering?
Ja, als de theorie van een
bewust leven van de doden waar zou zijn. Wij stellen deze theorie van
aangezicht tot aangezicht tegenover deze ongelooflijke gedachte en vragen
op de uitwerking daarvan te letten. Ze vernietigt Gods alwetendheid. Ze
beschuldigt Hem van onvolmaaktheid. Ze beschuldigt Zijn regering van fouten
die erger zijn dan misdaden! Is een theorie die gebaseerd is op dergelijke
aantijgingen enige aandacht waardig?
Om dergelijke fatale
conclusies te vermijden, wordt gezegd dat het oordeel niet bij het
overlijden wordt uitgesproken, maar dat de doden ergens, tot het oordeel
plaatsvindt, in een staat van onzekerheid worden gelaten, zonder beloond of
bestraft te worden tot het oordeel geveld is. Dan vragen wij hoe dit in
overeenstemming kan worden gebracht met de steevaste argumenten die
immaterialisten ten aanzien van deze kwestie aanvoeren. Want wordt op grond
van Prediker 12:7 niet beweerd dat de geest onmiddellijk na de dood naar God
gaat om het oordeel uit de handen van de Schepper te ontvangen? Wordt op
grond van Lukas 16:23 niet beweerd dat de rijke man onmiddellijk na zijn
dood in de hel ging, om gepijnigd te worden? Wordt op grond van Lukas 23:43
niet gezegd dat de berouwvolle dief op de dag na de kruisiging met Christus
in de heerlijkheid van het paradijs was?
Wij sluiten dit onderwerp af
met een opmerking uit de pen van de rondborstige, spontane en oprechte H.H.
Dobney, doopsgezindt predikant in Engeland. Hij zegt:
"Er is sprake van een
ongerijmdheid, die in de Schrift niet gevonden wordt, als men mensen die
reeds in een toestand van geluk of rampzaligheid hebben verkeerd, terug laat
komen om formeel gevonnist te worden om daarna weer teruggestuurd te worden
naar een plaats die zij al lang kennen. Als men, na eeuwenlang met Christus
in de hemel te zijn geweest, geroepen wordt om voor Zijn rechtbank te
verschijnen en uit genodigd wordt de hemel als een eeuwig tehuis binnen te
gaan alsof ze daar niet reeds geweest waren, is niet in overeenstemming met
de Schriften. Maar dit is niet alles. Er is nog een probleem; namelijk de
gedachte dat een heilige die reeds met Christus in de hemel is, uit de hemel
naar de aarde komt om in een lichaam te glijden dat gelijktijdig uit de
aarde oprijst, terwijl hij reeds een geestelijk lichaam bezit. Dit is
eveneens een uitvinding die door niet één letter in de Bijbel ondersteund
wordt."
Bezoldiging der zonde
In de voorgaande hoofdstukken
hebben wij onderzocht wat de Bijbel ons leert aangaande de schepping van de
mens, zijn leven, dood en de toestand voor de opstanding. Uit dit onderzoek
is gebleken dat de Heilige Schrift getuigt dat onze natuur geen
onsterfelijke eigenschappen bezit, waardoor ons bestaan blijft voortduren.
De enige hoop op een toekomstig leven is de wederopstanding. Wij hebben ook
gezien dat een opstanding tot een tweede leven verordineerd is voor het
gehele menselijke geslacht; en nu komt de belangrijke vraag naar voren wat
de uitkomst van dat bestaan zal zijn.
Tengevolge van Adams zonde
moeten allen de natuurlijke dood sterven. De oprechte heilige valt even
onvermijdelijk onder zijn macht als de meest roekeloze zondaar. Dit kan niet
het einde van ons bestaan zijn: want het zou in strijd met Gods
rechtvaardigheid zijn ons toekomstig lot te beslissen op grond van een zonde
die door Adam bedreven werd. Wij kunnen daarvoor niet aansprakelijk worden
gesteld, een ieder moet door zijn eigen gedrag zijn toekomstig lot bepalen.
Om ons daartoe de mogelijkheid te bieden treedt de verlossing door Christus
tussenbeide. Door Hem als onze Verlosser te aanvaarden en te leven naar Zijn
geboden kunnen wij het eeuwige leven deelachtig worden.
Gods Woord leert ons dat een
ieder naar zijn werken geoordeeld zal worden. De profeet Daniël zegt: "Het
gericht zette zich, en de boeken werden geopend." Dan. 7:10. Johannes
beschrijft hetzelfde oordeel, en voegt er aan toe: "En ik zag de doden,
klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend, dat des
levens is: en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven
was, naar hun werken." Openb. 20:12. In het boek des levens staan de namen
van allen die God hebben gediend. Jezus zei tot Zijn discipelen: "Verheugt
u, dat uw namen staan opgetekend in de hemelen." Luk. 10:20. Paulus spreekt
over zijn trouwe medearbeiders, "wier namen staan in het boek des levens."
Fil. 4:3.
Daniël, die de eeuwen overzag
en "een tijd van grote benauwdheid, zoals er niet geweest is sinds er volken
bestaan" voorzegde, zegt dat Gods volk zal ontkomen "al wie in het boek
geschreven wordt bevonden".
Johannes zegt in de Openbaring
dat "alleen zij, die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam", de
stad Gods zullen mogen betreden. - Openb. 21:2.
De straf van de goddelozen en
de beloning van de rechtvaardigen zijn beide van eeuwige duur. De mensen
wordt het aanbod voorgehouden te kiezen tussen het leven en de dood.
Waarin bestaat de eeuwige
straf voor de goddelozen? Alvorens wij bewijzen aanhalen tot staving van
onze stelling, dat het een letterlijke dood zal zijn, zullen wij enkele
teksten bespreken waaraan men het denkbeeld van een eeuwige straf meent te
kunnen ontlenen.
1. Dan. 12:2 "En velen van
die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwige
leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing." De
tegenstander verbindt het denkbeeld smaad met de uitdrukking "eeuwige
afgrijzing." Hij gaat van de gedachte uit dat indien de schaamte (die de
goddelozen voelen) eeuwig is, dan moet ook hun bestaan eeuwig zijn.
2. Matth. 25:41: "Gaat weg
van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk de duivel en zijn
engelen bereid is." Wat wordt hier door het woord 'eeuwig' omschreven? De
goddelozen? - Neen. De duivel? - Neen. Zijn engelen? Neen. Het vuur wordt
eeuwig genoemd. Hoe kan men hieruit de onsterfelijkheid van de goddelozen
bewijzen?
De tegenstanders vragen welk
nut een eeuwig brandend vuur heeft als degenen die daar in geworpen worden
niet eeuwig daarin gefolterd worden. Wij antwoorden: Dit woord dient, in
vele teksten, om uitdrukking te geven aan volkomenheid, en niet van tijd.
Een eeuwig vuur is niet noodzakelijk een vuur dat eeuwig brandt, maar een
vuur dat eeuwige gevolgen heeft. De boosdoeners die daarin worden geworpen,
worden verteerd; en als zij daarna nooit meer opstaan, dan is dit een vuur
dat eeuwige gevolgen met zich brengt. Dit vuur is voor de duivel en zijn
engelen bereid ; en allen die hem volgen in hun opstand tegen Gods
heerschappij, zullen zijn straf delen. Dit vuur zal voor hen eeuwig zijn;
want nadat zij in deze poel geworpen zijn, is de kans op een toekomstig
leven voor eeuwig afgesneden.
Zo spreekt Paulus in Hebr. 6:2
ook over een 'eeuwig oordeel.' Daarmee wil hij ons niet te kennen geven,
dat het gericht tot in de eeuwigheid der eeuwigheden zitting zal hebben,
maar dat de beslissing van het gericht voor altijd van kracht zal zijn. Een
ander voorbeeld vindt men in Hebr.9: 12. In die tekst is sprake van een
"eeuwige verlossing." Niemand gelooft op grond van deze uitdrukking; dat de
verlossing tot in alle toekomstige eeuwen zal doorgaan. (Uriah Smith)