You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - Hier en erna
 
DE OPSTANDING VAN DE DODEN  (11)

 

Even duidelijk als menselijke wezens gedurende een erva­ring van zes duizend jaren hebben geleerd dat de dood hun toekomstig lot is, worden wij door het woord van God en door enkele opmerkelijke voorbeelden van goddelijke macht, onder­richt dat allen die in hun graven zijn gedaald daar weer uit tevoorschijn zullen komen om opnieuw te leven.

 

Deze opstanding is een toekomstige gebeurtenis; "Want de ure komt, waarin allen die in de graven zijn, Zijn stem zul­len horen, en zullen uitgaan." Joh. 5:28,29. Paulus zei, toen hij in de tegenwoordigheid van de stadhouder redetwist­te met Tertullus: "Ik hoop op God, welke deze ook zelf ver­wachten, dat er een opstanding van de doden wezen zal, bei­den van de rechtvaardigen en onrechtvaardigen." Hand. 24:15-En in hoofdstuk 26:7 zegt hij dat de twaalf stammen van Gods volk tot deze belofte hopen te komen.

 

Als het dan een nadrukkelijk vastgesteld feit is, dat God blijk zal geven van een grootse openbaring van Zijn macht door het verstrooide stof van degenen die vanaf de eerste dageraad door het graf zijn verslonden te doen herleven, dan moet er een reden voor zulk een daad zijn. Met het oog op deze vraag aangaande de tussentijdse toestand van de doden, is deze gebeurtenis van geweldige betekenis. Alle opvattingen aangaande dit onderwerp moeten met elkaar in overeenstemming zijn. Als een mening naar voren wordt gebracht waarin gesteld wordt dat een opstanding niet noodzakelijk is, dan moet aan­getoond worden dat in het woord van God geen sprake is van een opstanding of men moet toegeven dat de leer die dit te­genspreekt onschriftuurlijk is.

 

1. De leer van de opstanding weerlegt de theorie van de onsterfelijkheid van de ziel 

 

In verband met de populaire opvatting dat de ziel onster­felijk is, komt de belangrijke vraag naar voren; als het werkelijke wezen, het verstandelijke, verantwoordelijke deel van de mens tijdens het sterven zijn bewustzijn niet verliest, maar blijft leven in een onbelemmerde en volmaakte bestaansvorm, waarom moet er dan een opstanding van het li­chaam zijn? Als het lichaam slechts een keurslijf is, een belemmering voor de activiteiten van de ziel, waarom is het dan nodig dat het terugkeert en de verstrooide delen uit het stille graf bijeen vergaart, en zich met dit stoffelijke kleed omhult? William Thyndale, die de leer van Martin Luther dat de doden slapen verdedigde, richtte tot zijn tegenstan­ders de volgende vraag:

 

"En u die hen (de gestorven zielen) in de hemel, hel of vagevuur plaatst, vernietigt het argument waarmee Christus en Paulus de wederopstanding bewezen... Indien de zielen in de hemel zijn, vertel mij dan welk verschil er tussen hen en de engelen bestaat, en wat voor zin dan een opstanding heeft?"

 

Andrew Carmichal zei:

 

"Het kan niet vaak genoeg worden herhaald, als de ziel onsterfelijk is, dan is er geen opstanding, en als er wel een opstanding is, dan is de ziel sterfelijk."

 

Dr. Muller zegt:

 

"Het christelijk geloof in de onsterfelijkheid is on­verbrekelijk verbonden met een belofte van een toe­komstige opstanding van de doden."

 

Wij stellen nu voor dat aangetoond wordt dat de opstanding een belangrijke Bijbelse leer is. Als blijkt dat dit juist is, dan betekent dit dat de leer van de onsterfelijkheid van de ziel niet juist kan zijn. Wij blijven niet stilstaan bij de ondoorgrondelijke en ongegronde theorie die stelt dat de opstanding direct na de dood plaatsvindt, dat de ziel het aardse huis verlaat en intrek neemt in zijn geestelijk huis; - dit om daarin voor eeuwig te wonen, en het andere voor al­tijd te verlaten. In dit geval is er geen opstanding; gezien de ziel blijft leven en niet sterft.

 

Doch, in deze theorie van een verder leven na de dood is er geen plaats voor een opstanding en daarom is ze in strijd met hetgeen de Bijbel aangaande de opstanding van de doden zegt. Meer nog, het is absoluut onmogelijk die theorie in overeenstemming te brengen met de vele verwijzingen naar een algemene opstanding aan het einde van de wereld.

 

2.  De opstanding een noodzakelijkheid

 

Een ander punt waarop gelet moet worden in het overdenken van het onderwerp opstanding, is dat de opstanding absoluut noodzakelijk is voor het toekomstig bestaan. In alle Schrift­gedeelten die betrekking hebben op de opstanding, komen ar­gumenten naar voren die aantonen dat de toestand van de do­den van dien aard is dat zij geen verdere bestaansmogelijk­heid hebben, tenzij zij uit die toestand verlost worden. Het is absoluut nutteloos te trachten de leer van de onsterfelijkheid van de ziel in overeenstemming te brengen met de opstanding van de doden.

 

3.  Identiteit in de opstanding

 

Maar de tegenwerping is gemaakt dat, bezien vanuit het standpunt van de onbewuste toestand van de doden, een opstan­ding onmogelijk is omdat, als een mens ooit ophoudt te be­staan als een denkend wezen, de reorganisatie van het stof waaruit hij werd gemaakt een nieuwe schepping zou zijn, maar geen wederopstanding. Als antwoord daarop is het voldoende te zeggen, dat voortdurende bewustzijn niet noodzakelijk is om de identiteit van een wezen te behouden. Dit is dagelijks bewezen door vrijwel elk lid van het menselijk gezin. Heeft de lezer ooit de vreugde gesmaakt van een gezonde, onbewuste slaap?

Zo ja, wist hij, toen hij wakker werd dat hij het zelfde wezen was als voordien?

 

Hoe weet iemand na een goede nachtrust, dat hij dezelfde mens is die zich in de afgelopen nacht terugtrok om te rusten? - Eenvoudig omdat zijn orga­nisme hetzelfde is bij het ontwaken als toen hij onbewust sliep, en zijn bewustzijn door zijn verstandelijk vermogen terugkeert. Veronderstel nu dat gedurende deze periode van bewusteloosheid, terwijl de ziel zelf die - naar wordt be­weerd - zich als een afzonderlijk wezen in de mens bevindt, ook bewusteloos is, dan zou het lichaam van een mens in on­telbare stukken kunnen worden gesneden, de beenderen tot poeder vermalen, het vlees opgelost in zuren en het gehele wezen, ziel en alles, zou dan vernietigd worden. Veronder­stel dat na een korte tijd in deze toestand te zijn geweest, alle delen weer teruggebracht kunnen worden in de vorige toestand, in het bijzonder de hersenen, het denkvermogen, alles precies zoals het was; en veronderstel dat dan opnieuw leven wordt toebedeeld en de mens toegestaan wordt tot de ochtend te slapen, zou hij dan, als hij wakker wordt zich be­wust zijn van een onderbreking in zijn bestaan?

Iedereen be­grijpt dat hij zich dit niet kan herinneren. Door opnieuw samengesteld te zijn als voordien, herkrijgt zijn geest het bewustzijn alsof er niets gebeurd is.

 

Zo is het met de ontbinding van de doden. Nadat de periode van bewusteloosheid voorbij is, wordt in de opstanding het stof dat noodzakelijk is voor het nieuwe lichaam, gereorga­niseerd en gerangschikt gelijk het in de mens bestond op het moment van de dood. Dan wordt het lichaam weer tot leven gebracht, de levensdraad wordt weer opgenomen, de gedachtestroom begint daar waar die door de dood ophield, en het doet er niet toe hoeveel duizenden jaren geleden dat plaatsvond. Dit is wat Gods macht kan doen en dit te loochenen is te "dwalen, niet kennende de Schriften, noch de macht van God." Op deze wijze kunnen wij spreken over een ware en juiste op­standing, een "opnieuw leven" van de gehele mens, zoals de Bijbel dit bevestigt.

 

Daarom zegt Jesaja: "Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij, die in het stof woont!" "Allen die in de graven zijn, zullen Zijn stem horen. En zullen uitgaan." Joh. 5:28,29. En de profeet die zonder twijfel verwijst naar de opstanding, geeft de woorden van de Here als volgt weer: "Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aar­de." Jes. 43:6. En in de laatste verzameling tot het oordeel wordt gezegd: "En de zee gaf de doden, die in haar waren." Openb. 20:13.

 

Nu, waarom de doden uit de graven roepen waarin zij be­graven zijn; waarom van het noorden en het zuiden, en in het bijzonder uit de zee, als de lichamen kunnen worden sa­mengesteld uit stoffelijke elementen die in elke passende omgeving gevonden worden? Maar meer nog, waarom worden de lichamen niet alle in de hemel gevormd uit beter materiaal, waardoor de moeite wordt bespaard naar deze aarde te komen om lichamen te vormen uit de schamele aardse elementen, om vervolgens zo'n menigte van lichamen naar de hemel te bren­gen. Een paar engelen zouden voldoende zijn om de nog leven­de heiligen op aarde te verzamelen!

 

Het is de opstanding van het lichaam die in de Bijbel be­schreven wordt. Een andere opstanding is niet bekend. In 1 Kor. 15:35,36 bevestigt Paulus een onmiskenbaar feit dat niets tot leven kan worden gewekt (herleven , of het leven weer op kan wekken uit de dood, of uit een levenloze toe­stand) als het niet eerst gestorven is.

 

En wat zal in de opstanding weer opgewekt worden? Het woord van God zegt: "Dit sterfelijk lichaam." Rom. 8:11,"En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijk lichaam levend maken, door Zijn Geest, die in u woont."

In vers 23 zegt Paulus: "Maar ook wij zelf, zeg, ik, zuchten in onszelf, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam." En in 1 Kor. 15 is Paulus zeer duidelijk aangaande dit onderwerp. Vers 44:"Een natuurlijk lichaam wordt er ge­zaaid, en een geestelijk lichaam wordt opgewekt."

 

Wat bedoelt hij met een natuurlijk lichaam en het zaaien daarvan? - Hij doelt op de begrafenis van onze huidige li­chamen in het graf. Zo zegt hij in de verzen 42,43: "Alzo zal ook de opstanding van de doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid. Het wordt gezaaid in oneer; het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht."

 

Wat is gezaaid? Het natuurlijke lichaam. Wat wordt opge­wekt? - Hetzelfde lichaam. HET is gezaaid; HET is opgewekt -in onverderfelijkheid, in heerlijkheid, in kracht, een gees­telijk lichaam. Op deze wijze opgewekt wordt het natuurlijk lichaam een geestelijk lichaam. Waarom?

- Omdat de Geest van Hem die Christus opwekte, levend maakt, weer tot leven brengt of opnieuw levend maakt, gelijk Paulus aan de Romeinen mede­deelde. Kan dan gezegd worden dat er tegelijkertijd een na­tuurlijk en een geestelijk lichaam bestaat? Wij antwoorden dat dit volgens Paulus niet zo is. Hij zegt (vers 46): "Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke." In vers 49 zegt hij dat gelijk wij het beeld van het aardse gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld van het hemelse dragen; en dit zal zijn als dit ster­felijke en verderfelijke, dat is het sterfelijk lichaam, on­verderfelijk wordt opgewekt (verzen 52,53) ofwel bekleed zal zijn met het "huis uit de hemel." - 2 Kor.15.

 

Paulus getuigde aangaande dit punt tot de Filippensen: "Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Here Jezus Christus, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam." Fil. 3:20,21. Deze taal is duidelijk. Een verandering zal plaatsvinden in het huidige waardeloze, sterfelijke of verderfelijke lichaam, er wordt daaruit geen geestelijk lichaam bevrijd dat nooit sterft en geen verandering behoeft. De verandering die is beloofd is de verandering van dit huidige lichaam, genomen zoals het nu is, zal het gevormd of veranderd worden naar de gelijkenis van Christus' glorieus, onsterfelijk lichaam.

 

Aangetoond hebbende dat de toekomstige opstanding abso­luut noodzakelijk is, omdat zonder een opstanding er geen toekomstig bestaan voor het menselijk ras is (een feit dat met één slag de leer van de onsterfelijkheid van de ziel vol­ledig omver werpt), stellen wij nu voor de belangrijkheid van de opstandingsleer in de Heilige Schrift aan te tonen in enkele van de duidelijke verklaringen dat er zeer zeker een opstanding zal plaatsvinden.

 

1. De opstanding is de grote gebeurtenis waar de heilige schrijvers naar hebben uitgezien als de reden van hun hoop. In de verre oudheid zagen zij dat er een dag zou komen waar­in de doden uit de graven zullen opstaan en voor God zullen staan; en dat zij vóór het aanbreken van die dag, geen eeu­wig leven konden verwachten.

 

Job getuigde: "Want ik weet, dat mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; en als de wormen na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen." Job 19:25,26. David dacht aan de­zelfde aangename hoop; "Maar ik zal Uw aangezicht in gerech­tigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken." - Psalm 17:15.

 

Jesaja bezong deze gebeurtenis in de volgende bewoording: "Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij, die in het stof woont, want uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden, en het land zal de overige doden uitwerpen." Jes. 26:19.

 

Het was de hoop van Paulus, de voortreffelijke apostel, gedurende al zijn lijden en zware arbeid. Omwille van deze hoop kon hij al het tijdelijke opofferen, en het kruis met blijdschap dragen. Hij verzekert ons dat hij zijn pijniging, de problemen die hem omringden, zijn verbijsteringen, ver­volgingen, geselingen, gevangenschap en gevaren, slechts lichte beproevingen achtte, hij kon ze volledig opzij zetten, en hij vertelt ons waarom hij dit kon doen: het was met het oog op "de heerlijkheid die ons geopenbaard zal worden." "Wetende ," zegt hij, "dat Hij, die de Here Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken, en met ulieden daar zal stellen." 2 Kor. 4:14.

De zekerheid dat hij op de laatste dag opgewekt zou worden en samen zou zijn met de overige heiligen, als de Here Zijn Vader de gemeente zonder spot of rimpel of iets dergelijks zal voorstellen (Efeze 5:27), die schonk hem kracht om zijn lasten te dragen. De opstanding was de staf van zijn hoop. Opnieuw zegt hij, dat hij alle dingen verlies acht, als hij de opstanding uit de doden zou verkrijgen. - Fil. 3:8-11.

 

Een ander gedeelte drukt, zo duidelijk als woorden kun­nen, de hoop uit van de apostel 2 Kor. 1:8,9: "Want wij wil­len niet, broeders, dat u onwetende zijt van onze verdruk­king die ons in Azië overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven onze macht, alzo dat wij zeer in twijfel waren, ook van het leven. Ja, wij hadden al zelf in ons het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelf vertrou­wen zouden, maar op God, Die de doden opwekt."

 

Paulus kon niet op zichzelf vertrouwen, omdat hij sterfe­lijk was, hij moest daarom zijn vertrouwen op God stellen, en hij vertelt ons waarom hij dit doet, omdat God hem niet als een ziel zonder lichaam gelukzaligheid beloofde, maar omdat Hij in staat en bereidwillig is, 'hem uit de doden op te wekken.' Paulus heeft niets 'achtergehouden van hetgeen nuttig was', evenmin is hij nalatig geweest, dat hij 'niet zou verkondigd hebben al de raad Gods.'

Evenwel heeft hij nooit getracht zijn broeders te vertroosten door te zinspe­len op een lichaam bevrijd van het stoffelijk omhulsel, en hij heeft niet één keer zichzelf of zijn broeders vertroost door enige zinspeling op een bestaan zonder lichaam, hij vestigde zijn gehele hoop op de opstanding. Als het gaan naar de hemel of hel bij het sterven, een evangelieboodschap was, waarom heeft hij daar dan nooit over gesproken?

 

2.  De opstanding is de tijd waarnaar de profeten en apos­telen uitzagen als de dag van hun beloning. Als iemand zich de moeite wil getroosten zorgvuldig de Schrift te onderzoe­ken om de tijd vast te stellen die bestemd is als de tijd van de beloning van de rechtvaardigen, en de bestraffing van de goddelozen, dan ziet hij dat dit niet bij het sterven is, maar bij de opstanding. Onze Verlosser heeft dit feit duide­lijk in Luk. 14:13 bekend gemaakt. "Maar wanneer u een maaltijd zult houden, zo nodig de armen, verminkten, kreupe­len, blinden uit. En u zult zalig zijn, omdat zij niet heb­ben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen" - niet bij de dood.

 

Let ook op de woorden waarmee de Heer de weeklacht in Rama beteugelde. Toen Herodes alle kinderen in Bethlehem van twee jaar en jonger had laten ombrengen, "Toen is vervuld gewor­den," zegt Matthëus, "hetgeen gesproken is door de profeet Jeremia, zeggende: Een stem is in Rama gehoord, geklaag, geween, en veel gekerm, Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost worden, omdat zij niet zijn." Maar wat zei de Here tot Rachel?

Zie de profetie opgetekend in Jeremia 31:15-17; "Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer  bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te  laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.

Zo zegt de HEERE: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want  er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des  vijands land wederkomen." De bedroefde Rachels van deze eeuw zullen niet op deze wijze door de zogenaamde herders van 's Heren kudde worden getroost. Die zullen tegen hen zeggen: "Wees niet bedroefd, droog uw tranen, want uw lievelingen zijn nu engelen, die lofzangen zingen voor de troon van Christus." Maar de Here wees de bedroefde moeders van Rama op de toekomstige opstanding. En hoewel hun kinderen tot op die tijd als " niet wa­ren" of niet bestonden, en in het "land van de vijand" (het dodenrijk) verkeerden, zo zullen zij tot hun eigen landpalen terugkeren, en Rachels arbeid zal beloond worden. Daarom roept Hij de bedroefde moeders op niet te treuren, hun tra­nen te drogen en met blijdschap uit te zien naar de toekomst.

 

De apostelen beschrijven de dag van Christus' komst en de opstanding als de tijd waarin de heiligen hun kronen der heerlijkheid ontvangen. Petrus getuigt: "En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult u de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid ontvangen." 1 Petr. 5:4.

Paulus zegt dat er voor hem een kroon der rechtvaardigheid is weggelegd; en niet alleen voor hem, maar voor allen, die Christus' ver­schijning hebben liefgehad, en die hem gegeven zal worden op die dag (de dag van Christus' verschijning). De heilige apostelen hebben niet verwacht dat zij hun kronen reeds voor het aanbreken van die dag zouden ontvangen.

 

Deze woorden van Paulus zijn volledig in strijd met de huidige verkondiging van een bewuste tussentijdse staat, en beloningen of straffen bij het sterven, Doch het woord van God zal staande blijven, en de theorieën van mensen moeten voor Zijn autoriteit buigen, en in overeenstemming worden gebracht met Zijn leer.

 

In 1 Kor. 15:32 vertelt Paulus ons tevens wanneer hij ver­wacht de voorrechten of beloning te ontvangen voor alle ge­varen die hij ten behoeve van de waarheid doorstond. "Zo ik, naar de mens, tegen de beesten gevochten heb te Eféze, wat nuttigheid is het mij, indien de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij."

 

Als hij zonder opstanding geen beloning verwachtte is het duidelijk dat hij zijn beloning op die tijd verwachtte, maar niet voor die tijd. Zijn woorden zijn hier bovendien een herhaling van vers 18, dat als er geen opstanding is; "Zij die in Christus slapen omgekomen zijn."

 

Onze Here getuigt dat van allen die de Vader Hem gegeven heeft, Hij niemand verliezen zal, maar dat ze zullen worden opgewekt op de laatste dag. Deze woorden zijn tevens een po­sitieve verklaring dat de opstanding zal plaatsvinden, en dat zonder die gebeurtenis alles verloren is.

 

Hetzelfde wordt gezegd in 1 Kor. 15:52,53; "De bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfe­lijkheid aandoen."

 

Hier is een duidelijke verklaring dat de opstanding zal plaatsvinden; dat de verandering die genoemd wordt op dat moment zal plaatsvinden; en dat die verandering moet plaats­vinden, want anders kunnen wij het koninkrijk niet beërven. Vers 50. Zonder een opstanding zouden allen die in Christus gestorven zijn, nooit Gods koninkrijk zien.

 

3. De opstanding vormt de basis van vele vertroostende be­loften in de Schrift. 1 Thess. 4:16,17: "Want de Here zelf zal met een geroep, met de stem van de aartsengel, en met de bazuin Gods neerdalen van de hemel, en die in Christus ge­storven zijn, zullen eerst opstaan. Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Here tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met de Here wezen." Hoewel reeds naar dit gedeel­te verwezen is, citeren wij het nog eens, om aan te tonen dat God wil dat wij tijdens onze bezoekingen - het uur van de dood - ons zelf en anderen zullen vertroosten. Want de apostel voegt er onmiddellijk aan toe: "Daarom vertroost el­kander met deze woorden."

 

Op feiten als deze - de tweede komst van Christus en de opstanding van de doden - doet de hedendaagse theologie een beroep om het verdriet te verzachten dat het menselijk hart voelt bij het sterven van de geliefden. Indien Paulus hier of elders reden had, het denkbeeld van een blijven bestaan van de ziel in zijn geschriften op te nemen, dan werd hem daartoe de gelegenheid geboden toen hij over de gestorvenen sprak en tot de Thessalonicensen woorden van vertroosting kon spreken. Maar Paulus was kennelijk tegen zulk een leer, en ontzegt die een plaats op de bladzijden van Gods woord, en gaat direct over naar de opstanding als basis van de troost voor de bedroefden.

 

Gezien de opstanding onverbrekelijk verbonden is met de tweede komst van Christus, zijn de woorden van Christus ten aanzien van deze kwestie in Johannes 14:1-3 gelijkluidend. Toen Hij op het punt stond zijn bedroefde discipelen te ver­laten vertelde Hij hen dat Hij ging om hen een plaats te bereiden. Hij sprak tevens met hen over Zijn bedoeling dat zij uiteindelijk met Hem samen zouden zijn.

 

Maar hoe kon dit tot stand gebracht worden? Was het door de dood, waardoor een onvergankelijke geest bevrijd zou wor­den om weg te vliegen teneinde zijn Verlosser te ontmoeten? - "Nee," zegt Hij, "Ik zal wederkeren en u tot Mij nemen, opdat u zult zijn waar Ik ben."

 

Als iemand zegt dat de komst van de Verlosser plaatsvindt bij het sterven, antwoorden wij dat de discipelen van onze Here dit niet zo hebben opgevat. (Zie Johannes 21:22,23). Jezus zei incidenteel aangaande een van Zijn volgelingen; "Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kome, wat gaat u dat aan? Volgt gij Mij," en dit gezegde ging overal rond on­der de discipelen dat op grond van deze woorden, die dis­cipel niet sterven zou.

 

De opstanding is eenvoudig een kwestie van Gods belofte en macht. Hoe dit alles zal worden teweeggebracht mag voor ons onbegrijpelijk zijn, de wijze waarop mag voor ons onver­klaarbaar zijn; maar Zijn macht aan de onze te meten is geen kenmerk van een gezond verstand en evenmin van een diep geloof.

 

Verder, ten aanzien van de aard van het stof van ons on­sterfelijk lichaam na de opstanding, zijn onze begrippen uitermate onvolmaakt en vaag. "Het lichaam wordt opgewekt," zegt Paulus, "in heerlijkheid."

 

Het wordt opgewekt als een geestelijk lichaam. Verandert in een moment, in een oogwenk. "Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onster­felijkheid aandoen. Opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam." 1 Kor. 15:43,44, 51,53; Fil. 3:21. Aangaande deze verandering kunnen wij ons geen begrip vor­men. Ook weten wij niets aangaande de samenstelling van onze lichamen noch van de bestanddelen waaruit zij geformeerd zul­len worden. Wij hebben alleen de volgende uitdrukkingen om ons te leiden: "in heerlijkheid, in kracht, in onverderfelijkheid." En indien iemand wil beweren dat deze verandering zo radicaal en volledig is, dat er niets oorspronkelijks te­ruggevonden wordt, hoe kan dan bewezen worden dat dit niet zo is?

 

Scheikundigen vertellen ons dat steenkool en diamanten uit dezelfde stof bestaan - zuiver koolstof. Maar hoe ver­schillend is hun uiterlijk en hun substantie en eigenschappen.

 

Gezien de algemene en uitvoerige verklaringen van de Schriften aangaande de opstanding, is het onmogelijk een on­derscheid te maken tussen de twee groepen, de rechtvaardigen en de goddelozen, en te stellen dat terwijl de ene groep, de rechtvaardigen, opgewekt wordt de andere, de goddelozen, nooit uit het graf zal opstaan, zoals sommigen beweren. De­ze opvatting behoeven wij hier niet tot in detail te behandelen. Wij zullen de argumenten afzonderlijk beantwoorden aan hand van de teksten die bevestigen dat 'allen' die sterven weer opgewekt zullen worden (1 Kor. 15:22); dat allen die in hun grafen liggen Zijn stem zullen horen tevoorschijn zullen komen; zij die het goede hebben gedaan, tot de opstanding des levens, en die het kwade hebben gedaan, tot de opstanding der verdoemenis, (Joh. 5:28,29); dat er een opstanding zal zijn uit de doden, beiden de rechtvaardigen en onrechtvaar-digen (Hand. 24:15), en dat na de eerste opstanding die alle rechtvaardige doden omvat (Openb. 20:6) de 'overige doden' dat zijn alle goddelozen, niet eerder zullen worden opgewekt dan tot de duizend jaar geëindigd zijn (vers 5) dan zullen zij weer opnieuw leven. Het is voldoende hier alleen te spreken over het grondbeginsel van Gods handelingen jegens de mensen­kinderen, dat voor altijd de vraag over de opstanding van de doden beantwoordt.

In het licht van dit beginsel, zijn een paar woorden voldoende om aan te tonen, dat duidelijk blijkt dat alle goddelozen weer uit de dood opstaan om geoordeeld te worden naar hun persoonlijke daden en daarvoor bestraft te worden, en dat het einde van dit huidige leven, onverschillig onder welke omstandigheden, onmogelijk kan gelden als de ' straf' voor de zonden in dit leven, die de mensen voor al­tijd bevrijdt van alle verantwoordelijkheid jegens God.

 

Door allen zal worden erkend dat Adam op de proef werd gesteld en dat de doodstraf, absoluut en onherroepelijk was verbonden met de overtreding van het bevel waarin hem gezegd werd dat hij niet mocht eten van de verboden boom. Er was geen voorziening getroffen voor vermindering of kwijtschel­ding van deze straf. Terwijl hij nog geen nakomelingen had, nam hij van de verboden vrucht, en het oordeel werd over hem uitgesproken; "Tot stof zult gij wederkeren;" tot die tijd zou hij zijn brood eten in het zweet zijns aanschijns.

 

Welke uitwerking had dit op degenen die daarna zouden ko­men? - Adam kon zijn nakomelingen geen hogere aard geven dan hij zelf bezat - een aard die na zijn overtreding, niet al­leen onderworpen maar onherroepelijk veroordeeld was tot de dood. De enige erfenis voor zijn kinderen was dezelfde bestaansvorm - een erfenis van moeizame arbeid gedurende hun leven en daarna de dood.

 

De apostel geeft een duidelijke verklaring aangaande dit feit. Hij zegt: (Rom. 5:12) "Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke alle gezondigd hebben."

Wanneer ging de dood over op alle mensen? - toen de natuurlijke vader van alle mensen zich door zonde aan de dood onderwierp. Vanaf dat moment was het een vast­staand feit dat elk menselijk wezen dat op deze wereld zou verschijnen, onderworpen zou zijn aan de dood. De apostel zegt: (1 Kor. 15:22); "dat zij allen in Adam sterven."

 

Adams zonde, rechtszaak en oordeel kenmerkten het einde van zijn proeftijd. Maar onmiddellijk na Adams falen, ont­stond het verlossingsplan door Jezus Christus. Voordat de eerste straf volledig uitgevoerd werd, kreeg Adam een andere proeftijd, en door de bemiddeling van Christus, werd hem die mogelijkheid aangeboden. Er werd een 'zaad van de vrouw' be­loofd dat de kop van de slang zou verbrijzelen. In het be­loofde zaad, de Verlosser, werd hem een nieuwe hoop geschon­ken, en hem werd geleerd hoe hij zijn geloof in die Verlosser kon tonen door zinnebeeldige diensten, offers en offer­anden die heenwezen op de dood van de Verlosser.

 

Deze regeling reikte ook tot in de toekomst en omvatte alle nakomelingen van Adam, anders hadden wij geen hoop. Nu komt een gepaste vraag op namelijk: "Hoe kon de doodstraf die reeds over het gehele menselijke gezin uitgesproken was, wor­den toegepast zonder prijsgeving van de autoriteit, het be­ginsel of prestige van Gods kant, terwijl een nieuwe zegen van een hoop op leven door Christus binnen hun bereik werd geplaatst? - Dit kon op deze wijze worden gedaan:

Laat men­sen leven en, zonder enige verwijzing naar hun persoonlijke daden, laat hen sterven in Adam, zoals de apostel zegt dat zij doen. Dit vervult de straf van Adam voor de zonde van Adam, onder het verbond met Adam. Laat dan alle mensen, on­geacht hun karakter, weer door Christus worden opgewekt uit deze toestand van Adams dood, die zij zonder eigen toedoen moesten ondergaan, om geoordeeld te worden op grond van hun eigen daden. Allen die Jezus Christus als hun Borg en Mid­delaar hebben aanvaard, ontvangen het eeuwige leven. Joh. 3:16,36; 6:27; 1 Joh. 5:11 enz. Christus gaf Zijn leven aan het kruis om verzoening te doen voor allen die in gehoorzaam­heid aan Gods voorschriften wilden leven. Maar degenen, die Zijn aanbod en voorwaarden niet aanvaarden, zullen de straf van de tweede dood moeten ondergaan. Openbaring 20:12-14; Joh. 3:36; 1 Joh. 5:12.

 

Door het verlossingsplan dat toen geopenbaard werd, schon­ken God en Christus de mens genadevol een andere proeftijd. Adam werd geplaatst onder een 'nieuwe proeftijd' maar dit had niet de geringste invloed op het doodsvonnis dat over hem werd uitgesproken na het falen tijdens zijn 'eerste' proef­tijd. Hij had daarna slechts een vergankelijke, sterfelijke natuur, en hij kon zijn nakomelingen niets beters nalaten dan dit, daarom moeten allen gelijk hij sterven. Maar er was een verschil.

Toen Adam stierf, was het in zijn geval een straf voor zijn persoonlijke zonde tijdens zijn eerste proef­tijd; als zijn nakomelingen sterven, is dit geen straf voor hun persoonlijke zonden, maar een gevolg voor hen van Adams zonde, waardoor hij een sterfelijke natuur kreeg die hij aan ons overdroeg. Toen Adam een nieuwe proeftijd kreeg, ontvin­gen al zijn nakomelingen eveneens zelf een proeftijd; want hij droeg dezelfde voorwaarden aan hen over. In een proef­tijd verkerende, zijn zij vanzelfsprekend onderworpen aan alle voorwaarden van een proef; namelijk, leven en dood wor­den hen voorgehouden, een gericht om hun daden te beoordelen en een oordeel dat uitgesproken en uitgevoerd wordt overeen­komstig hun werken, - dood voor de ongehoorzamen, en leven voor de rechtvaardigen door berouw en geloof.

 

Bij de wederkomst van Jezus zullen alle rechtvaardigen weer worden opgewekt. De goddelozen worden op dat moment niet opgewekt. Gedurende duizend jaar zullen de verlosten samen met Jezus de goddelozen oordelen. Na die duizend jaar worden alle goddelozen opgewekt en wordt het oordeel over hen voltrokken. Allen zullen naar hun daden bestraft worden en daarna voor altijd sterven. Zie Openb. 20:7-10. De tekst Openb. 20:10 betekent dat alle goddelozen uiteindelijk zul­len sterven. De woorden "en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid," duiden niet op een eeuwig bran­den, maar op eeuwige gevolgen. Vuur verteert en dooft uit zodra alles verteerd is. De gevolgen daarvan zijn van eeuwi­ge duur. (Uriah Smith)