"Gezegend zij de God
en Vader van onzen Here Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle
geestelijke zegening in de hemel in Christus."
Efeze 1:3 (St.Vert.)
Het is noodzakelijk dat wij de
diepe betekenis van de woorden "in Christus", die door Paulus zo dikwijls
herhaald worden, goed begrijpen. De Vader der heerlijkheid heeft de
mensheid met ontelbare zegeningen in Christus gezegend. Alles met
betrekking tot de verlossing van de mens is in Hem tot stand gebracht.
Voordat Hij het werk van de
verlossing van de mens in Zichzelf kon voltooien, moest Christus Zich
volkomen vereenzelvigen met het zondige geslacht. Op Hem, die geen zonde
kende, moest de schuld en de bezoedelende begeerte van iedere zoon en
dochter van Adam gelegd worden. Hij moest de schuld van de gevallen mensheid
dragen. Als het Lam zonder enig gebrek moest Hij naar het brandofferaltaar
gaan om te offeren en Zelf het offer te zijn. Hijzelf de Priester, Hijzelf
het Offer!
"Nochtans, onze ziekten heeft
hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden hem voor
een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte.
Maar om onze overtredingen
werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons
de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing
geworden.
Wij allen dwaalden als
schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE heeft ons
aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen.
Hij werd mishandeld, maar hij
liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter
slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders,
zo deed hij zijn mond niet open.
Hij is uit verdrukking en
gericht weggenomen, en wie onder zijn tijdgenoten bedacht, dat hij is
afgesneden uit het land der levenden? Om de overtreding van mijn volk is de
plaag op hem geweest.
En men stelde zijn graf bij de
goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood, omdat hij geen onrecht gedaan
heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest.
Maar het behaagde de HERE hem
te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer
gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en
het voornemen des HEREN zal door zijn hand voortgang hebben.
Om zijn moeitevol lijden zal
hij het zien tot verzadiging toe; door zijn kennis zal mijn knecht, de
rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, en hun ongerechtigheden zal hij
dragen. "Jesaja 53:4-11 NGB.
Toen Christus in de laatste
nacht van Zijn leven de Hof van Gethsémané betrad, scheen Hij het licht
van`s Vaders ondersteunende tegenwoordigheid te verlaten. Hier werd Hij tot
de overtreders gerekend. De afschuwelijkheid van de zonde voelend en met het
vooruitzicht volkomen van des Vaders tegenwoordigheid gescheiden te worden,
riep Hij uit: "Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe!" (Matthéus
26:38). Terwijl Hij Zijn discipelen achterliet, wankelde Hij zelf nog een
paar schreden verder om dan uitgeput ter aarde te vallen, overweldigd door
een bovenmenselijke angst. Als Degene die de plaats van de zondaar innam,
omringde de donkerheid en de wanhoop van de buitenste duisternis zijn ziel.
Overtreders kunnen niet met
God verkeren, En hebben geen enkele straal van licht. Christus kan niet zien
des Vaders aangezicht, De eeuwige nacht komt Hem verheren.
Tot nu toe had Christus
gewandeld in het licht van de tegenwoordigheid van Zijn Vader. Vanaf de
dagen der eeuwigheid was Jezus Christus één met de Vader. Toen Hij de natuur
van de mens aannam, was Hij nog één met de Vader. Tegenover zijn vijanden
had Hij verklaard: "Ik en de Vader zijn één." (Johannes 10:30). "Hij heeft
Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd wat Hem behaagt" (Johannes
8:29).
Maar nu was Hij alleen. "Hem,
die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij
zouden worden gerechtigheid Gods in Hem. "(2 Corinthe 5:21).
Gerekend als zondaar,
behandeld als de zonde der wereld, was Hij buiten de vreugde en innige
gemeenschap met Zijn Vader gesloten. Toen Hij voelde, dat Zijn verbinding
met de Vader verbroken was en het misnoegen van God over de zonde daarvoor
in de plaats kwam, vielen er grote droppels bloed van Zijn gelaat en klemde
Hij zich vast aan de koude grond. "Zozeer misvormd, niet meer menselijk was
Zijn verschijning, en niet meer als die der mensenkinderen Zijn gestalte" (Jesaja
52:14). Hij zag geen enkele straal van hoop meer. Hij had geen ander
vooruitzicht dan voor eeuwig van God gescheiden te worden.
Christus verafschuwde met
alles wat in Hem was de zonde en de scheiding van God. Tot driemaal toe
deinsde Zijn menselijke natuur terug voor deze strijd. De wil var de Vader
scheen Hem te bitter toe. Hij voelde een overweldigend verlangen om de
drinkbeker voorbij te laten gaan. Nog was het hiervoor niet te laat. Maar
doordat Hij zich realiseerde dat er geen andere weg was om de mensheid te
verlossen, en Hij zich de hopeloosheid en de ellende van eer onverzoende
mensheid voorstelde, nam Hij het besluit de mensheid te redden, welk offer
het Hem ook kosten mocht.
Evenals Hij bij iedere
beslissing tijdens Zijn leven deed, onderwierp Hij Zich ook nu aan God:
"Niet Mijn wil maar Uw wil geschiede.” Niets anders dan de volheid van de
goddelijke liefde die Zijn hart vervulde, bewoog Christus ertoe deze
beslissing te nemen. Toen Hij het resolute besluit genomen had - een
beslissing vanaf alle eeuwigheid - viel Hij als dood ter aarde. Een engel
kwam om Hem te versterken voor een nog langduriger lijden van
gevangenneming, bespotting, foltering, belediging, verraad,
schande, bespuwing, onterende behandeling, geseling, kruisiging
en voor het langdurige gevoel van hopeloosheid en wanhoop var de buitenste
duisternis, zonder dat één enkele straal var licht Hem omgaf. Toch was in
dit alles het lijden en het offer van de Vader niet minder dan het lijden
van de Zoon. "God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende” (2
Corinthe 5:19).
"En toen zij aan de plaats
gekomen waren, die Schedel genoemd wordt, kruisigden zij Hem daar en ook de
misdadigers, de ene aan de rechterzijde en de andere aan Zijn linkerzijde.
En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En
zij wierpen het lot om Zijn klederen te verdelen. En het volk stond er bij
en zag toe. Ook de oversten hoonden en zeiden: Anderen heeft Hij gered,
Laat Hij nu zichzelf redden indien Hij de Christus Gods is, de
uitverkorene! Ook: de soldaten kwamen naderbij om Hem te bespotten en
brachten Hem zure wijn en zeiden: Indien Gij de Koning der Joden zijt, red
dan Uzelf!" "En het was ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over
het gehele land tot het negende uur, want de zon werd verduisterd." Lucas
23:33-37, 44,45.
"Omstreeks het negende uur
riep Jezus met luider stem……….. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij
verlaten?" Matthéus 27:46.
"Toen Jezus dan de zure wijn
genomen had, zeide Hij: Het is volbracht!" "En Jezus riep met luider stem:
Vader in Uw handen beveel Ik mijn geest. En toen Hij dat gezegd had gaf Hij
den geest." "En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot
beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden."
(Johannes 19:30; Lucas 23:46; Matthéus 27:51).
De Verlossing van de Mensheid
in Christus Volbracht
Wij willen nu de betekenis van
de overwinningskreet van Christus: "Het is volbracht!" overdenken. In de
heilige tempel van deze goddelijk -menselijke ziel was het voorhangsel -
het vlees van Christus - gescheurd. De twee afdelingen van de tabernakel
werden één. In Christus werden Godenmens één tot in alle eeuwigheid. In Adam
vervreemde de menselijke natuur van God. In Christus werd de mens met God
verzoend. Paulus zegt: "Wij zijn met God verzoend door de dood Zijns Zoons"
(Romeinen 5:10). De verbinding is tot stand gekomen.
In Adam werd de menselijke
natuur zondig en geraakte in vijandschap met God, maar Christus heeft "de
vijandschap in Zijn vlees teniet gemaakt" (Efeze 2:15). In Hem "is onze
oude mens gekruisigd". In Christus is de vernietiging van de zondige natuur
volbracht.
In Adam werd de mensheid
verontreinigd met de schuld der zonde. Christus droeg deze zonden in Zijn
eigen lichaam aan het hout (l Petrus 2:24); "om door Zijn offer de zonde weg
te doen" (Hebreeën 9:26). Nadat Hij de reiniging der zonde tot stand
gebracht had, heeft Hij Zich gezet aan de rechterhand van de Majesteit in de
hoge (Hebreeën 1:3). In Christus is de reiniging van de zonde der mensheid
volbracht.
In Adam werd de mensheid
onrechtvaardig. Christus echter nam die menselijke natuur en maakte haar
"de gerechtigheid Gods in Hem" (2 Corinthe 5:21). In Zichzelf herstelde en
verhoogde Hij de menselijke natuur, doordat Hij aan de mensheid de
zondeloosheid van Zijn goddelijkheid meedeelde. In Christus is het werk van
de rechtvaardiging der mensheid volbracht.
"Dat gij in dien tijd waart
zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van
de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
Maar nu in Christus Jezus zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden
door het bloed van Christus. Want Hij is onze vrede, die deze beide één
gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende, heeft
Hij de vijandschap in Zijn vlees teniet gemaakt, namelijk de wet der
geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die beiden met God in één
lichaam zou verzoenen, door het kruis, de vijandschap aan hetzelve
vernietigd hebbende" (Efeze 2:12-16 St.Vert.)
Hoewel dit Schrift gedeelte
betrekking heeft op het verenigen van Jood en Heiden door Zijn dood, heeft
het nog een diepere betekenis. De vijandschap tussen Jood en Heiden vond
zijn oorsprong in de vijandschap van de mens tegenover God. De tussenmuur,
die de Joden opgericht hadden tussen hen en de Heidenen was het gevolg van
hun scheiding van God. Christus' voornaamste werk bestond niet uit het
verzoenen van mens met mens; Zijn werk was om de mens met God te verzoenen.
Dit bracht Hij in Zichzelf tot stand. Hij nam die van God vervreemde natuur
aan, kruisigde haar, en bracht deze gereinigd en herschapen tot God. Hij
vernietigde de vijandschap, wierp de middelmuur des afscheidsels neer en
bracht de menselijke natuur weer in vrede met God. Van deze twee, God en
mens maakte Hij één. Dit alles was vervuld in Hem toen Hij uitriep: "Het is
volbracht'."
Toen ging Hij het huis van de
sterke binnen, de gevangenis van Satan - het graf - en vernietigde de macht
van de dood. Als overwinnaar kwam Hij uit het graf tevoorschijn en opende
het Paradijs voor het gehele menselijke geslacht. Door het evangelie bracht
Hij leven en onsterfelijkheid aan het licht. Hij vermorzelde de kop van de
slang.
In Christus is Satan een
overwonnen vijand. Na de overheden en de machten ontwapend te hebben (Colossenzen
2:16), keerde Hij terug naar de Vader. In Zijn persoon stelde Hij God een
heilige en verloste mensheid voor. Hij is binnengegaan in het heiligdom,
nadat Hij een eeuwige verlossing voor ons verwierf (Hebreeën 9:12). Christus
opende niet slechts de weg tot de mogelijkheid om verlost te worden, maar in
Christus is de mensheid verlost. De legerscharen engelen verenigden zich in
het blijde hemelvaartslied:
"Heft poorten, uw hoofden
omhoog, en verheft u gij aloude ingangen,
opdat de Koning der ere inga.
Wie toch is de Koning der ere
? De Here, sterk en geweldig,
De Here, geweldig in de
strijd".
Psalm 24:7-8
Het gebed van Jezus in
Johannes 17 is een voorstelling van Zijn bemiddeling in de tegenwoordigheid
des Vaders. "Vader, de ure is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U
verheerlijke...…. Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te
voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt. En nu, verheerlijk Gij Mij,
Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was."
Dit gebed had betrekking op
de heerlijkheid die Hij bezat toen Hij één was met de Vader. Vanaf alle
eeuwigheid was Christus één met de Vader. Maar Hij had de menselijkheid
aangenomen en Zich vereenzelvigd met zondaren, en was gescheiden geweest
van Zijn Vader. Doordat Hij de zonde der mensheid aan het kruis gereinigd
had en deze gereinigde menselijke natuur voor eeuwig met Zichzelf verbond,
bracht Hij een geheiligde mensheid bij Zijn Vader terug.
Zou Hij nu, als de mens Jezus
Christus deel kunnen hebben aan dezelfde heerlijkheid van één te zijn met
God, zoals Hij die bezat vanaf de dagen der eeuwigheid? Kon de menselijke
natuur die door de zonde verontreinigd en bevlekt was geweest, (want
Christus werd toen Hij aan het kruis hing tot de zondaars gerekend) één
zijn met de eeuwige Majesteit des hemels op de troon van het universum?
Nadat dit verzoek ingewilligd
werd, bemiddelde Christus voor degenen die in Hem geloven zouden: "En de
heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één
zijn, gelijk wij één zijn; Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn
tot één;…… Vader hetgeen Gij Mij gegeven hebt - Ik wil, dat, waar Ik ben,
ook zij bij Mij zijn …… opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in
hen zij en Ik in hen" (Johannes 17:22-24, 26).
Christus was toen Hij naar de
hemel terugkeerde niet tevreden om alleen voor Zichzelf die heerlijkheid van
het één -zijn met de Vader te bezitten.
Met het aannemen van de
menselijke natuur en deze tot in de hemel te verhogen, beoogde Hij de
verering en verheerlijking van de gemeente. Door dit verzoek in te willigen
openbaarde de Vader dat de mensheid in Christus hoog verheven is.
Christus had de menselijke natuur aangenomen en plaatste deze op de troon
der heerlijkheid. Hierdoor heeft iedere zondaar de zekerheid dat hij in
Gods oog kostbaar is. Wat zijn verleden ook mag zijn, de Vader heeft hem
geroepen om koning en priester te zijn, om "de troon der ere te beërven"
en bemind en behandeld te worden als Zijn eigen Zoon, Ja, meer dan dit,
iedere zondaar mag weten, dat in Christus dit alles reeds voor hem gedaan
is. Het is volbracht!
De Geestelijke Rijkdommen
van Gods Genade
Wat heeft God in Christus voor
de mensheid gedaan? Hij heeft "ons gezegend met alle geestelijke zegening in
de hemel in Christus" (Efeze 1:3 St.Vert.). In Christus heeft Hij ons een
verloste en herstelde mensheid gegeven. Hij heeft ons in Christus een
gereinigde en vervolmaakte mensheid geschonken. Ja, veel meer nog, in
Christus heeft Hij deze mensheid opgewekt en tot erfgenaam gemaakt van alle
dingen.
De mens is geroepen om de
voorrechten en de aanspraken te leren kennen die Christus voor hem
verworven heeft. In Christus is de mensheid verheven "boven alle overheid en
macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt" (Efeze
1:21). " God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde,
waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de
overtredingen mede levend gemaakt met Christus, (door genade zijt gij en
heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse
gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende
rijkdom zijner genade te tonen naar zijn goedertierenheid over ons in
Christus Jezus.
Want door genade zijt gij
behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God;
niet uit werken, opdat niemand roeme.
Want zijn maaksel zijn wij,
in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren
bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen." (Efeze 2:4-10 NGB).
Satan had beweerd dat God
zelfzuchtig was, dat Hij alles eiste en niets gaf. Maar de gave - Christus
-toont aan, dat God zelfverloochenend is; dat Hij de mensheid de volheid
der liefde van de eeuwigheid geschonken heeft. Niets werd achtergehouden. Is
er iets in het gehele universum, dat Hij achtergehouden heeft? Neen! God gaf
alles. Hij offerde alles op. De mensheid is zo dierbaar voor Hem, dat de
gehele wereld in het niet zinkt in vergelijking met de waarde van één ziel.
Het zal de gehele eeuwigheid
duren totdat de Vader de onmetelijke rijkdom van Zijn genade voor ons
ontvouwd heeft, die Hij geopenbaard heeft in de gave van Zijn Zoon. Toch
kunnen wij het hier reeds door het geloof aanvaarden als een volmaakt werk
een volmaakte verlossing die ons in Hem gegeven is. Slechts door het geloof
aan dit volbrachte werk in Christus, kunnen wij rust vinden voor onze zielen
en de betekenis van de rust op de zevende dag als Sabbat waarderen.
Laten wij toch altijd bedenken
dat de mensen niet gerechtvaardigd worden door enig werk van hun kant. De
mensheid is rechtvaardig in Christus. Gerechtigheid ontvangen wij door Hem
te ontvangen. In de mens Christus Jezus heeft God in een weg der verlossing
voorzien, die volledig en volmaakt is. Hij, die door het geloof Christus
aangenomen heeft, heeft in Hem de onnaspeurlijke rijkdom van Gods genade
aanvaard. Hij heeft "wijsheid, en gerechtigheid en heiligmaking, en
verlossing" in Hem (zie l Corinthe 1:30). Gods Woord zegt:"En gij zijt in
Hem volmaakt". (Colossenzen 2:10 St.Vert.)