You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - De mens geboren...
 
Het is volbracht   (4)

 

"Gezegend zij de God en Vader van onzen Here Jezus Christus, die ons gezegend heeft met al­le geestelijke zegening in de hemel in Christus." Efeze 1:3 (St.Vert.)

 

Het is noodzakelijk dat wij de diepe betekenis van de woorden "in Christus", die door Paulus zo dikwijls her­haald worden, goed begrijpen. De Vader der heerlijkheid heeft de mensheid met ontelbare zegeningen in Christus ge­zegend. Alles met betrekking tot de verlossing van de mens is in Hem tot stand gebracht.

 

Voordat Hij het werk van de verlossing van de mens in Zichzelf kon voltooien, moest Christus Zich volkomen ver­eenzelvigen met het zondige geslacht. Op Hem, die geen zonde kende, moest de schuld en de bezoedelende begeerte van iedere zoon en dochter van Adam gelegd worden. Hij moest de schuld van de gevallen mensheid dragen. Als het Lam zonder enig gebrek moest Hij naar het brandofferal­taar gaan om te offeren en Zelf het offer te zijn. Hijzelf de Priester, Hijzelf het Offer!

 

"Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte.

Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden.

Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen.

Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open.

Hij is uit verdrukking en gericht weggenomen, en wie onder zijn tijdgenoten bedacht, dat hij is afgesneden uit het land der levenden? Om de overtreding van mijn volk is de plaag op hem geweest.

En men stelde zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood, omdat hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest.

Maar het behaagde de HERE hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen des HEREN zal door zijn hand voortgang hebben.

Om zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging toe; door zijn kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, en hun ongerechtigheden zal hij dragen. "Jesaja 53:4-11 NGB.

 

Toen Christus in de laatste nacht van Zijn leven de Hof van Gethsémané betrad, scheen Hij het licht van`s Vaders ondersteunende tegenwoordigheid te verlaten. Hier werd Hij tot de overtreders gerekend. De afschuwelijkheid van de zonde voelend en met het vooruitzicht volkomen van des Vaders tegenwoordigheid gescheiden te worden, riep Hij uit: "Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe!" (Matthéus 26:38). Terwijl Hij Zijn discipelen achterliet, wankelde Hij zelf nog een paar schreden verder om dan uitgeput ter aarde te vallen, overweldigd door een bovenmenselijke angst. Als Degene die de plaats van de zondaar innam, omringde de donkerheid en de wanhoop van de buitenste duisternis zijn ziel.

 

Overtreders kunnen niet met God verkeren, En hebben geen enkele straal van licht. Christus kan niet zien des Vaders aangezicht, De eeuwige nacht komt Hem verheren.

 

Tot nu toe had Christus gewandeld in het licht van de tegenwoordigheid van Zijn Vader. Vanaf de dagen der eeuwigheid was Jezus Christus één met de Vader. Toen Hij de natuur van de mens aannam, was Hij nog één met de Va­der. Tegenover zijn vijanden had Hij verklaard: "Ik en de Vader zijn één." (Johannes 10:30). "Hij heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd wat Hem behaagt" (Johannes 8:29).

Maar nu was Hij alleen. "Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem. "(2 Corinthe 5:21).

 

Gerekend als zondaar, behandeld als de zonde der wereld, was Hij buiten de vreugde en innige gemeenschap met Zijn Vader gesloten. Toen Hij voelde, dat Zijn verbinding met de Vader verbroken was en het misnoegen van God over de zonde daarvoor in de plaats kwam, vielen er grote droppels bloed van Zijn gelaat en klemde Hij zich vast aan de koude grond. "Zozeer misvormd, niet meer menselijk was Zijn verschijning, en niet meer als die der mensenkinderen Zijn gestalte" (Jesaja 52:14). Hij zag geen enkele straal van hoop meer. Hij had geen ander vooruitzicht dan voor eeuwig van God gescheiden te worden.

 

Christus verafschuwde met alles wat in Hem was de zonde en de scheiding van God. Tot driemaal toe deinsde Zijn menselijke natuur terug voor deze strijd. De wil var de Vader scheen Hem te bitter toe. Hij voelde een overwel­digend verlangen om de drinkbeker voorbij te laten gaan.  Nog was het hiervoor niet te laat.  Maar doordat Hij zich realiseerde dat er geen andere weg was om de mensheid te verlossen, en Hij zich de hopeloosheid en de ellende van eer onverzoende mensheid voorstelde,  nam Hij het besluit de mensheid te redden, welk offer het Hem ook kosten mocht.

Evenals Hij bij iedere beslissing tijdens Zijn leven deed, onderwierp Hij Zich ook nu aan God:  "Niet Mijn wil maar Uw wil geschiede.” Niets anders dan de volheid van de goddelijke liefde die Zijn hart vervulde, bewoog Christus ertoe deze beslissing te nemen. Toen Hij het resolute besluit genomen had - een beslissing vanaf alle eeuwigheid - viel Hij als dood ter aarde. Een engel kwam om Hem te versterken voor een nog langduriger lijden van gevangenneming,  bespotting,   foltering,   belediging,   verraad,     schande,    bespuwing,   onterende behandeling,  geseling,   kruisiging    en voor het langdurige gevoel van hopeloosheid en wanhoop var de buitenste duisternis,  zonder dat één enkele straal var licht Hem omgaf. Toch was in dit alles het lijden en het offer van de Vader niet minder dan het lijden van de Zoon. "God was in Christus de wereld met Zichzelf  verzoenende”  (2 Corinthe 5:19).

 

"En toen zij aan de plaats gekomen waren, die Schedel genoemd wordt, kruisigden zij Hem daar en ook de misdadigers, de ene aan de rechterzijde en de andere aan Zijn linkerzijde. En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En zij wierpen  het lot om Zijn klederen te verdelen. En het volk stond er bij en zag toe. Ook de oversten hoonden en zeiden: Anderen heeft Hij gered,  Laat Hij nu zichzelf redden indien Hij de Christus Gods is,  de uitverkorene!  Ook: de soldaten kwamen naderbij om Hem te bespotten en brachten Hem zure wijn en zeiden: Indien Gij de Koning der Joden zijt, red dan Uzelf!" "En het was ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over het gehele land tot het negende uur, want de zon werd verduisterd." Lucas 23:33-37, 44,45.

 

"Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem……….. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verla­ten?" Matthéus 27:46.

 

"Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zeide Hij: Het is volbracht!" "En Jezus riep met luider stem: Vader in Uw handen beveel Ik mijn geest. En toen Hij dat gezegd had gaf Hij den geest." "En zie, het voor­hangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden." (Johannes 19:30; Lucas 23:46; Matthéus 27:51).

 

De Verlossing van de Mensheid in Christus Volbracht

 

Wij willen nu de betekenis van de overwinningskreet van Christus: "Het is volbracht!"  overdenken. In de heilige tempel van deze goddelijk -menselijke ziel was het voorhangsel  - het vlees van Christus - gescheurd. De twee afdelingen van de tabernakel werden één. In Christus werden Godenmens één tot in alle eeuwigheid. In Adam ver­vreemde de menselijke natuur van God.  In Christus werd de mens met God verzoend. Paulus zegt: "Wij zijn met God verzoend door de dood Zijns Zoons" (Romeinen 5:10). De verbinding is tot stand gekomen.

 

In Adam werd de menselijke natuur zondig en geraakte in vijandschap met God,  maar Christus heeft "de vijand­schap in Zijn vlees teniet gemaakt" (Efeze 2:15). In Hem "is onze oude mens gekruisigd". In Christus is de vernie­tiging van de zondige natuur volbracht.

 

In Adam werd de mensheid verontreinigd met de schuld der zonde. Christus droeg deze zonden in Zijn eigen lichaam aan het hout (l Petrus 2:24); "om door Zijn offer de zonde weg te doen" (Hebreeën 9:26). Nadat Hij de reiniging der zonde tot stand gebracht had, heeft Hij Zich gezet aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge (Hebreeën 1:3). In  Christus is de reiniging van de zonde der mensheid volbracht.

 

In Adam werd de mensheid onrechtvaardig. Christus  echter nam die menselijke natuur en maakte haar "de gerechtigheid  Gods in Hem" (2 Corinthe 5:21).  In Zichzelf herstelde en verhoogde Hij de menselijke natuur, doordat Hij aan de mensheid de zondeloosheid van Zijn goddelijkheid meedeelde.  In Christus is het werk van de rechtvaardiging der mensheid volbracht.

 

"Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zon­der God in de wereld. Maar nu in Christus Jezus zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus. Want Hij is onze vrede, die deze beide één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende, heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees teniet gemaakt, namelijk de wet der ge­boden in inzettingen bestaande; opdat Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen, door het kruis, de vijandschap aan hetzelve vernietigd hebbende" (Efeze 2:12-16 St.Vert.)

 

Hoewel dit Schrift gedeelte betrekking heeft op het verenigen van Jood en Heiden door Zijn dood, heeft het nog een diepe­re betekenis. De vijandschap tussen Jood en Heiden vond zijn oorsprong in de vijandschap van de mens tegenover God. De tussenmuur, die de Joden opgericht hadden tussen hen en de Heidenen was het gevolg van hun scheiding van God. Christus' voornaamste werk bestond niet uit het ver­zoenen van mens met mens; Zijn werk was om de mens met God te verzoenen. Dit bracht Hij in Zichzelf tot stand. Hij nam die van God vervreemde natuur aan, kruisigde haar, en bracht deze gereinigd en herschapen tot God. Hij ver­nietigde de vijandschap, wierp de middelmuur des afscheidsels neer en bracht de menselijke natuur weer in vrede met God. Van deze twee, God en mens maakte Hij één. Dit alles was vervuld in Hem toen Hij uitriep: "Het is volbracht'."

 

Toen ging Hij het huis van de sterke binnen, de ge­vangenis van Satan - het graf - en vernietigde de macht van de dood. Als overwinnaar kwam Hij uit het graf tevoor­schijn en opende het Paradijs voor het gehele menselijke geslacht. Door het evangelie bracht Hij leven en onsterfe­lijkheid aan het licht. Hij vermorzelde de kop van de slang.

In Christus is Satan een overwonnen vijand. Na de overheden en de machten ontwapend te hebben (Colossenzen 2:16), keerde Hij terug naar de Vader. In Zijn persoon stelde Hij God een heilige en verloste mensheid voor. Hij is binnenge­gaan in het heiligdom, nadat Hij een eeuwige verlossing voor ons verwierf (Hebreeën 9:12). Christus opende niet slechts de weg tot de mogelijkheid om verlost te worden, maar in Christus is de mensheid verlost. De legerscharen engelen verenigden zich in het blijde hemelvaartslied:

 

"Heft poorten, uw hoofden omhoog, en verheft u gij aloude ingangen,

opdat de Koning der ere inga.

 

Wie toch is de Koning der ere ? De Here, sterk en geweldig,

De Here, geweldig in de strijd".

Psalm 24:7-8

 

Het gebed van Jezus in Johannes 17 is een voorstelling van Zijn bemiddeling in de tegenwoordigheid des Vaders. "Vader, de ure is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke...…. Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt. En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was."

 

Dit ge­bed had betrekking op de heerlijkheid die Hij bezat toen Hij één was met de Vader. Vanaf alle eeuwigheid was Christus één met de Vader. Maar Hij had de menselijkheid aangeno­men en Zich vereenzelvigd met zondaren, en was gescheiden geweest van Zijn Vader. Doordat Hij de zonde der mensheid aan het kruis gereinigd had en deze gereinigde menselijke natuur voor eeuwig met Zichzelf verbond, bracht Hij een geheiligde mensheid bij Zijn Vader terug.

Zou Hij nu, als de mens Jezus Christus deel kunnen hebben aan dezelfde heerlijkheid van één te zijn met God, zoals Hij die bezat vanaf de dagen der eeuwigheid? Kon de menselijke natuur die door de zonde verontreinigd en bevlekt was geweest, (want Christus werd toen Hij aan het kruis hing tot de zondaars   gerekend)  één  zijn met de eeuwige  Majesteit  des hemels op de troon van het universum?

 

Nadat dit verzoek ingewilligd werd, bemiddelde Chris­tus voor degenen die in Hem geloven zouden: "En de heer­lijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, op­dat zij één zijn, gelijk wij één zijn; Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één;……  Vader hetgeen Gij Mij gegeven hebt - Ik wil, dat,  waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn …… opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij en Ik in hen" (Johannes 17:22-24, 26).

Christus was toen Hij naar de hemel terugkeerde niet tevreden om alleen voor Zichzelf die heerlijkheid van het één -zijn met de Vader te bezitten.

Met het aannemen van de menselijke natuur en deze tot in de hemel te verhogen, beoogde Hij de verering en verheerlijking van de gemeente. Door dit ver­zoek in te willigen openbaarde de Vader dat de mensheid in Christus hoog verheven is.   Christus had de mense­lijke natuur aangenomen en plaatste deze op de troon der heerlijkheid.  Hierdoor heeft iedere zondaar de zekerheid dat hij in Gods oog kostbaar is. Wat zijn verleden ook mag zijn, de Vader heeft hem geroepen om koning en priester te zijn, om  "de  troon der ere te beërven" en bemind en behandeld te worden als Zijn eigen Zoon, Ja, meer dan dit, iedere zondaar mag weten,  dat in Christus dit alles reeds voor hem gedaan is. Het is volbracht!

 

De Geestelijke Rijkdommen van Gods Genade

 

Wat heeft God in Christus voor de mensheid gedaan? Hij heeft "ons gezegend met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus" (Efeze 1:3 St.Vert.). In Christus heeft Hij ons een verloste en herstelde mensheid gegeven. Hij heeft ons in Christus een gereinigde en vervolmaakte mens­heid geschonken. Ja, veel meer nog, in Christus heeft Hij deze mensheid opgewekt en tot erfgenaam gemaakt van alle dingen.

De mens is geroepen om de voorrechten en de aan­spraken te leren kennen die Christus voor hem verworven heeft. In Christus is de mensheid verheven "boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt" (Efeze 1:21). " God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, (door genade zijt gij en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus.

Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme.

Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen." (Efeze 2:4-10 NGB).

 

Satan had beweerd dat God zelfzuchtig was, dat Hij alles eiste en niets gaf. Maar de gave - Christus -toont aan, dat God zelfverloochenend is; dat Hij de mensheid de vol­heid der liefde van de eeuwigheid geschonken heeft. Niets werd achtergehouden. Is er iets in het gehele universum, dat Hij achtergehouden heeft? Neen! God gaf alles. Hij of­ferde alles op. De mensheid is zo dierbaar voor Hem, dat de gehele wereld in het niet zinkt in vergelijking met de waarde van één ziel.

Het zal de gehele eeuwigheid duren totdat de Vader de onmetelijke rijkdom van Zijn genade voor ons ontvouwd heeft, die Hij geopenbaard heeft in de gave van Zijn Zoon. Toch kunnen wij het hier reeds door het geloof aanvaarden als een volmaakt werk een volmaakte ver­lossing die ons in Hem gegeven is. Slechts door het geloof aan dit volbrachte werk in Christus, kunnen wij rust vinden voor onze zielen en de betekenis van de rust op de zevende dag als Sabbat waarderen.

 

Laten wij toch altijd bedenken dat de mensen niet ge­rechtvaardigd worden door enig werk van hun kant. De mensheid is rechtvaardig in Christus. Gerechtigheid ont­vangen wij door Hem te ontvangen. In de mens Christus Jezus heeft God in een weg der verlossing voorzien, die volledig en volmaakt is. Hij, die door het geloof Christus aangenomen heeft, heeft in Hem de onnaspeurlijke rijkdom van Gods genade aanvaard. Hij heeft "wijsheid, en gerech­tigheid en heiligmaking, en verlossing" in Hem (zie l Corinthe 1:30). Gods Woord zegt:"En gij zijt in Hem vol­maakt". (Colossenzen 2:10 St.Vert.)