"En Ik zal vijandschap zetten tussen u en
de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en
gij zult het de hiel vermorzelen." Genesis 3:15.
Wij moeten de oorspronkelijke tempel
verlaten, is slecht en verdorven; een verbetering is niet te verwachten.
"Komt ooit een reine uit een onreine - niet één." (Job 14:4)
Door de val van de mens te veroorzaken dacht
Satan, dat hij het goddelijke plan met de schepping van de mens verijdeld
had, maar hij slaagde er alleen in om een nog grotere openbaring van Gods
liefde voor de mens tevoorschijn te roepen. Hij, die van eeuwigheid af de
mens bestemd en aangewezen had tot het zoonschap, om erfgenaam te worden
van alle dingen "tot lof Zijner heerlijkheid", zond Zijn eigen Zoon om hem
te redden van de val.
Het was Christus, de Zoon, die de mens schiep
(Efeze 3:9 Statenvertaling). Het was Christus die in de wereld kwam om hem
te herscheppen. Volledige verlossing betekent herschepping. De zondige
natuur van de mens kan niet verbeterd worden; zij moet vernietigd worden. De
mens moet een nieuwe, zondeloze natuur ontvangen. De mensheid moet opnieuw
geschapen worden "in Christus Jezus".
"Het Woord is vlees geworden en het heeft
onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een
heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en
waarheid." (Johannes 1:14).
Christus kwam om het heerlijke doel te
vervullen waarvan de tabernakel het symbool was. Hij werd de tweede tempel,
de "tweede Adam" om aan mensen en engelen de heerlijkheid van Gods karakter
te openbaren. Wat uiterlijke schoonheid betreft, was deze tweede tempel, wat
Zerubbabels tempel in vergelijking met die van Salomo was - "daarbij
vergeleken als niets" (Haggai 2:4). Evenals het uiterlijk van de tabernakel
in de woestijn, had hij "gestalte noch luister, dat wij Hem zouden hebben
aangezien, noch gedaante, dat wij Hem zouden hebben begeerd." (Jesaja
53:2). En toch, hoewel Christus na vierduizend jaar zonde kwam, was de
heerlijkheid van deze tweede tempel groter …... dan de vorige. (Haggai
2:10).
De Goddelijke — Menselijke Natuur van
Christus
De twee af delingen van het heiligdom zijn
een zinnebeeld van de goddelijk-menselijke natuur van de Zaligmaker. Het
heilige der heilige met de heilige wet en de heerlijkheid van de Schechina
is een zinnebeeld van Zijn goddelijkheid. Jezus, het uitgedrukte beeld van
de zelfstandigheid des Vaders en de afstraling Zijner heerlijkheid, is de
vleesgeworden wet van God. Laten wij Hem in het licht van het heilige der
heilige beschouwen om te zien wie Hij in werkelijkheid is.
"Nadat God eertijds vele malen en op vele
wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het
laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot
erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft. Deze,
de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle
dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der
zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de
majesteit in de hoge, zoveel machtiger geworden dan de engelen als Hij
uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft. Immers tot wie der
engelen heeft Hij ooit gezegd:
Mijn Zoon zijt gij, Ik heb u heden verwekt?
En wederom: Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn"
Hebreeën 1:15.
"Maar van de Zoon: Uw troon, o God, is in
alle eeuwigheid en de scepter der rechtmatigheid is de scepter van zijn
koningschap.
Gerechtigheid hebt Gij liefgehad en
ongerechtigheid hebt Gij gehaat; daarom heeft U, o God, uw God met
vreugdeolie gezalfd boven uw deelgenoten.
En: Gij, Here, hebt in den beginne de aarde
gegrondvest, en de hemelen zijn het werk uwer handen; zullen vergaan, maar
Gij blijft; en zij zullen alle als een kleed verslijten, en als een mantel
zult Gij ze oprollen, als een kleed zullen zij ook verwisseld worden; maar
Gij zijt dezelfde en uw jaren zullen niet ophouden." Hebreeën 1:8-12. NGB.
Hier wordt Christus duidelijk voorgesteld als
de eeuwige Majesteit des hemels, de Schepper en Onderhouder van het
universum, de in Zichzelf bestaande die deel heeft aan de ontoegankelijke
heerlijkheid des Vaders, Niemand kon de heerlijkheid van het heilige der
heiligen van de tabernakel aanschouwen en daarbij leven. Voor de ark en de
Sehechina hing het voorhangsel. Zo heeft Christus de heerlijkheid van Zijn
goddelijkheid ook bedekt met Zijn vlees (Herbreeën 10:20), om óns te
benaderen en ons bekend te maken met Zijn goddelijk karakter en leven. Het
heilige, de andere afdeling van de tabernakel was een symbool van de
menselijkheid van Christus - "het heilige" dat geboren werd uit de maagd
Maria (Lucas 1:35).
“Maar wij zien Jezus, die voor een korte tijd
beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door
de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer
gekroond.
Want het voegde Hem, om wie en door wie alle
dingen bestaan, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de
Leidsman hunner behoudenis door lijden heen zou volmaken.
Want Hij, die heiligt, en zij, die geheiligd
worden, zijn allen uit een; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te
noemen.”
“Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel
hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen, opdat Hij door
zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen, en
allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood
tot slavernij gedoemd waren.
Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet,
maar Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham. Daarom moest Hij in
alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en
getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te
verzoenen.
Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden
heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen.” (Hebreeën 2:9-11,
14-18 NGB).
Hij, die werkelijk God was werd werkelijk
mens. God werd vlees. Vlees is stof. Het is letterlijk waar, dat God
Zichzelf vernederde vanuit de heerlijkheid tot in het stof, teneinde dat
stof te verheffen en de stoel der ere te doen beerven. (1. Samuel 2:8 St.
Vert.).
Satan had in zijn hart gezegd: "Ik wil de
Allerhoogste gelijk worden". Als hij opzag naar de troon, begeerde hij die
plaats zelf in te nemen. Maar Jezus Christus, hoewel "in de gestalte Gods
zijnde, (heeft), het Gode gelijk zijn niet als roof geacht, maar Zichzelf
ontledigd, en de gestalte van een dienstknecht aangenomen, en is aan de
mensen gelijk geworden. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft
Hij zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood des
kruises" (Filippenzen 2:5-8).
Christus begeerde de hemel met al haar eer en
heerlijkheid niet, terwijl degenen, die Hij geschapen en lief had, zonder
God en zonder hoop in deze wereld waren. Hij overhandigde de scepter aan de
Vader, verliet de troon, en nam de menselijke natuur aan, opdat Hij deze in
Zichzelf zou kunnen herscheppen en verzoenen met God.
De Zondige,
Menselijke Natuur Gekruisigd
De Mensheid Opnieuw Geschapen in Christus
Bedenk wel, dat Christus die natuur aannam,
welke Hij wilde verlossen. Hij was "het zaad van de vrouw", "uit het
geslacht van David naar het vlees" (Romeinen 1:3). De maagd was niet
onbevlekt, maar van nature een zondares, evenals de anderen.*
Christus ontving, en kon zelfs geen zondeloze natuur ontvangen van Maria.
Zij had geen zondeloze natuur te geven. Maar Hij nam de zondige natuur van
de mensheid aan, om in Zichzelf de vijandschap te vernietigen en de
mensheid te herscheppen en met God te verzoenen.
Het was niet Adams zondeloze natuur die
vernieuwd en verenigd moest worden met de Godheid. Christus kwam om de
natuur van Adam, de overtreder, met Zijn eigen goddelijke natuur te
verenigen. Het was de geschonden natuur van de mens waarvan Hij bezit nam.
Hoe kon de gevallen, lijdende mensheid anders tot God teruggebracht worden?
Al wie diende te worden verlost, diens natuur werd met God verenigd in
Christus.
Wij beweren echter niet, dat de menselijke
natuur van Christus zondig was. Zij was inderdaad zondeloos. Hij is "in alle
dingen op gelijke wijze als wij verzocht geweest, doch zonder te zondigen"
(Hebreeën 4:15). Hij was "heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de
zondaren" (Hebreeën 7:26). Christus getuigde van Zichzelf "de overste der
wereld komt en heeft aan Mij niets" (Johannes 14:30). De verzoeking, die van
buitenaf tot Hem kwam, werd van binnenuit, vanuit Zijn hart, niet
beantwoord. Geen ogenblik was er in Zijn hart een neiging tot het verkeerde
of tot ongehoorzaamheid.
Dit Zaad van de vrouw was één onbegrijpelijk
mysterie voor Satan. Tot nu toe had hij in ieder ander die uit een vrouw
geboren was, iets in diens natuur kunnen vinden wat aan zijn verzoekingen
beantwoordde. Had hij de menselijke natuur niet verdorven met de wet van
zijn eigen koninkrijk, met het beginsel der zelfzucht? Hij wist dat Christus
uit een vrouw geboren was en als zodanig het echte Zaad van de vrouw was.
Maar toch kon hij deze zondige natuur in Christus niet vinden. Dit is het
grote en het bovennatuurlijke mysterie van de vleeswording. "De
verborgenheid Gods" is, dat toen Christus de zondige natuur van de mens
verenigde met Zijn goddelijke natuur, er slechts een zondeloze menselijke
natuur in Hem gevonden werd.
"God is geopenbaard in het vlees, is
gerechtvaardigd in den Geest." 1 Timotheus 3:16. St.Vert.
Dit Zaad der vrouw werd geboren uit de
Heilige Geest. Wij hebben gezien dat het gescheiden zijn van de Heilige
Geest de mens tot zondaar maakte. Het motiverende beginsel, dat na de
scheiding van de geest der liefde zijn leven bepaalde, kwam van Satan en uit
hemzelf. Maar in Christus was de natuur van de gevallen mens met de Heilige
Geest verenigd. De oneindige kracht van de Heilige Geest verdreef het
inherente beginsel der zelfzucht uit de menselijke natuur en schiep deze
opnieuw in Christus Jezus.
In de geopenbaarde feiten van Christus'
menselijke natuur zijn twee grote waarheden die zich schijnbaar
tegenspreken. Hij nam de zondige natuur van de mens aan, en toch was Zijn
menselijke natuur zondeloos. Wij moeten hardnekkig vasthouden aan deze twee
waarheden, want hierin ligt de hoop voor het gevallen mensdom verankerd.
Sommigen zeggen, dat Hij, omdat Zijn menselijke natuur zondeloos was, deze
op de een of andere wijze van Maria moet hebben ontvangen. Zij leggen de
nadruk op het feit, dat uit een zondige natuur geen zondeloos leven kan
voortkomen. Dezen erkennen echter niet het doel, waarom Christus de zondige
natuur van de mens aangenomen heeft. Hij nam deze niet aan om er een
zondeloos leven uit voort te brengen, maar Hij deed het, opdat Hij door de
kracht van de Heilige Geest die in Hem werkte, deze zondige natuur kon
kruisigen en vernietigen.
Paulus zegt uitdrukkelijk dat Hij "de
vijandschap in zijn vlees te niet gemaakt" heeft nl., die zondige natuur
welke de mens ertoe leidt te trachten zichzelf te redden door de werken der
wet. Jezus bracht dit in Zichzelf tot stand, zodat iedere gelovige zich in
Hem mag verheugen, dat zijn "oude mens medegekruisigd is" (Romeinen 6:6).
Want een gelovige kan alleen datgene door het geloof ontvangen, wat reeds
gewrocht is in Christus. Alles aangaande de verlossing van de mens
moest in Hem tot stand gebracht worden. Iedere leer die loochent, dat
Christus de zondige natuur van Maria in werkelijkheid aannam is anti -
christelijk, (1 Johannes 4:3).
Twee illustraties kunnen ons helpen om dit te
begrijpen. Caustische soda is een vergif. Maar als u caustische soda in een
chemisch gelijkwaardige hoeveelheid zoutzuur doet, dan wordt het keukenzout,
en is geen vergif meer. Zo was ook het zaad der vrouw van zichzelf giftig
door de erfelijke zondige natuur. Maar verenigd met het brandende zuur van
de Heilige Geest werd het zaad "de rechtvaardige mensheid" van Christus, nl.
het zout der aarde.
Toen de melaatse tot Christus kwam, geheel
melaats, legde Christus Zijn hand op hem en reinigde hem. Gewoonlijk werd
iemand die een melaatse aanraakte zelf onrein, echter Christus werd niet
verontreinigd. Integendeel, de melaatse werd genezen. Precies zo is de
menselijke natuur vol van de melaatsheid der zonde. Toch werd Jezus niet
verontreinigd, door deze zondige natuur met Zijn goddelijke natuur te
verbinden. De menselijke natuur verontreinigde Hem niet. Integendeel, de
Geest van Zijn goddelijkheid reinigde en heiligde deze menselijke natuur.
Daarom kunnen wij ons verheugen in de volkomen zondeloosheid van de
menselijke natuur van Christus.
Toch schiep de Geest van God in Christus geen
nieuw menselijk lichaam. Zijn menselijke vermogens werden niet veranderd.
Zijn lichaam was "ons vernederd lichaam" (Filippenzen 3:21). Gedurende
vierduizend jaar waren de vermogens van het menselijke organisme door de
zonde verzwakt. Door de bevrediging van eetlust waren de lagere driften van
de mens naar verhouding sterker ontwikkeld dan zijn geestelijke en zedelijke
vermogens. Christus nam de zwakheden van deze gedegenereerde mensheid op
Zich.
De Menselijke
Natuur in Christus Overwinnaar
De menselijkheid van Christus was een levende
voorstelling van de Tien Geboden - die wet van de eeuwige zelfverloochende
liefde. Zijn gehoorzaamheid was die van een waarachtig menselijk wezen. Hij
gebruikte geen kracht, die de mens niet tot zijn beschikking heeft. De zonde
bestaat daarin, dat de mens zich van God afscheidt en zonder de verbinding
met de Geest der goddelijke liefde probeert te bestaan. Op deze wijze werd
hij "een uitgeledigde wijnstok" die vrucht voortbrengt "voor zichzelf" (Hosea
10:1 St. Vert.).
Elke vrucht, die niet de vrucht van de
Heilige Geest is, is zondig, daar ze een voortbrengsel is van zelfzucht.
Christus gaf het voorbeeld hoe de mens rechtvaardig kon zijn. Ik doe "niets
uit Mijzelf" zei Hij, "Ik zoek niet mijn eer"; "Mijn spijze is de wil te
doen desgenen, die Mij gezonden heeft" (Johannes 6:57; 8:28; 8:50; 4:34).
Hij was zo onzelfzuchtig, dat Hij geen
plannen voor Zichzelf maakte, Hij deed niets om de aandacht op Zichzelf te
vestigen. Hij maakte van Zijn aanbidding geen uiterlijk vertoon. Zijn gehele
leven was slechts de eenvoudige uitwerking van de wil Zijns Vaders. De Vader
alleen verscheen in Zijn leven, want Hij zei tot de discipelen, "Wie Mij
gezien heeft, heeft de Vader gezien; …..de Vader, die in Mij blijft, doet
Zijn werken" (Johannes 14:9, 10).
"Niet Mijn wil maar Uw wil geschiede" was het
nooit falende beginsel dat Zijn leven regeerde. Hij leefde van "alle woord,
dat uit de mond Gods uitgaat" (Mattheus 4:4). Al Zijn werken werden door God
gewrocht. Indien Hij slechts iets gedaan zou hebben zonder de zalving van de
Heilige Geest, dan zou Hij als ons Voorbeeld gefaald hebben. Maar Christus
was rechtvaardig door het geloof. Hij bewees, dat er geen andere
gerechtigheid is dan die, welke komt op grond van het geloof in God.
Dit was het slagveld tussen Christus en
Satan. Kon de duivel Christus er toe bewegen om iets zonder de Vader te
doen? Wat laat ons de strijd in de woestijn zien? Jezus had veertig dagen
niet gegeten. Hij was zwak en uitgeteerd van honger. De manier waarop Satan
Hem benaderde was in beginsel dezelfde, waarop hij Eva benaderde. Alleen de
omstandigheden waarin Christus zich bevond betekenden een veel grotere
beproeving. Satan zei: "Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan dat deze stenen
broden worden" (Mattheus 4:3). Dit was een insinuatie, dat God Zijn Zoon
verlaten had om Hem in de woestijn te laten omkomen.
Daar Jezus Zich dus niet op de Vader kon
verlaten, dat Deze voor Hem zou zorgen, moest Hij de teugels maar in eigen
hand nemen en voor Zichzelf zorgen. Toen deze verzoeking faalde, werd de
Heiland gedwongen Zijn geloof te demonstreren. Tenslotte werd Hem aangeboden
om het koninkrijk waarvoor Hij gekomen was, te verkrijgen zonder het lijden
en de zelfverloochening van het kruis. Elke verzoeking was een appèl aan de
liefde voor Zichzelf, maar de Zaligmaker beantwoordde hieraan niet het
minst.
Christus wilde zelfs niet in het geringste
voor Zichzelf leven. Hij vernederde Zich niet alleen door mens te worden,
maar als mens vernederde Hij Zich om een dienstknecht te worden. Hij was de
onvermoeibare dienstknecht van hen die Hij kwam redden, Zich altijd weer
opofferend voor het welzijn van anderen. Hij kwam niet om gediend te worden,
maar om anderen te dienen en Zijn leven te geven tot een losprijs voor
velen. "Christus heeft Zichzelf niet behaagd" (Romeinen 15:3). Op deze wijze
leefde Hij de wet van God uit in menselijk vlees.
Hoe vertwijfeld trachtte Satan deze
voortdurende uitdrukking van de wet der goddelijke liefde te doorbreken!
Toen Jezus Zijn discipelen begon te verklaren, hoe Hij vele dingen moest
lijden en overgeleverd zou worden in de handen van de godsdienstige
leiders, richtte Satan doormiddel van Petrus een krachtig appèl tot zelf -
bescherming aan Hem: "U moet niet toelaten dat deze dingen U aangedaan
worden. U bent de Christus, de Zoon van de levende God. Zorg voor Uzelf'. U
behoort met eerbied en waardigheid behandeld te worden die overeenkomt met
Uw verheven positie." Dat de Zoon des mensen, de Zoon van de eeuwige God
was, was voor de discipelen al een grote verborgenheid. Dat de Zoon van God
echter zou toestaan dat Hij beledigd, mishandeld en onderworpen zou worden
aan een schandelijke dood, was eenvoudig onbegrijpelijk!
Toen deze ure kwam, werd de Meester door één
van Zijn discipelen verraden, door een ander werd Hij verloochend en door
de rest werd Hij verlaten. Zelfs God scheen Hem verlaten te hebben. Toen Hij
door God en mens verlaten aan het kruis hing, sprak Satan door de
priesters, de moordenaars en het volk: "Red Uzelf!" Satan dacht zeker, dat
nu de geest van Christus gebroken was, Hij Zijn goddelijke kracht voor
Zichzelf zou gebruiken. Dat er een wezen kon bestaan, dat zo vervuld was
met onzelfzuchtige liefde, was een verborgenheid die Satan ergerde. Hij
geloofde echt, dat er een moment zou komen waarop de Zoon van God zou
weigeren verder te gaan. Zo ging hij door tot het bittere einde, totdat
hij zijn eigen ondergang bezegelde. Want ofschoon de angst van het gevoel
voor eeuwig van God gescheiden te worden het hart van de Zoon Gods brak,
wilde Hij de voorzienigheid van Zijn Vader niet betwijfelen, noch toegeven
aan de gedachte om Zichzelf te redden. Tot Zijn laatste ademtocht zocht
Hij niets voor Zichzelf, maar "heeft mij liefgehad en heeft Zich voor mij
overgegeven" (Galaten 2:20).
Golgotha was voor Jezus slechts het
hoogtepunt van het feit, dat Hij Zijn gehele leven het kruis der
zelfverloochening gedragen had en een openbaring van wat Gods karakter
altijd geweest is. Het werkelijke kruis is een geestelijk beginsel, geen
martelaarsschap van het lichaam. Het is een openbaring van het beginsel der
zelf- opofferende liefde, dat de levenswet is voor het universum. De Zoon
van God "ontledigde Zichzelf" en kwam naar deze aarde om het beginsel van
het kruis in de menselijke natuur te openbaren. De vleeswording was daar een
openbaring van. Elke dag van Zijn leven was daar een openbaring van. En
Golgotha was het hoogtepunt van deze openbaring. Door het kruis "vernietigde
Christus de vijandschap in Zijn vlees". Door het geloof handhaafde Hij deze
overwinning tot het einde toe. Satan kon in Hem de zondige natuur niet
vinden. Zij was in Hem gekruisigd. Golgotha maakte het tot een eeuwig feit,
dat "onze oude mens medegekruisigd is" (Romeinen 6:6).
De menselijke natuur werd rechtvaardig
gemaakt in Christus , door dit geloof van Jezus. De menselijke natuur
werd "gerechtigheid Gods in Hem" (2 Corinthe 5 :21). Zij werd evenals de
eerste afdeling van de tabernakel - verlicht door het heilige vuur der
liefde, doortrokken met de wierook van Zijn verdiensten, gevoed met het
brood van Gods Woord en vervuld met al de volheid van "de zeven Geesten
Gods".
*
(Maria was een goede vrouw, een geheiligd
gelovige, maar dat verandert niets aan het feit, dat zij met de heiligen en
met de profeten de zondigheid van haar Adamitische natuur belijden moest.)