You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - De mens geboren...
 
"De mens geboren om koning te zijn" 
 
Door R.D.Brinsmead

 

Inleiding

 

Meer dan 3000 jaar geleden, bevrijdde God een geheel volk uit de Egyptische slavernij. Hij openbaarde deze Hebreeën het gehele doel en de bestemming des levens. Als middel om hen te beleren, gaf Hij Mozes de opdracht een heiligdom te bouwen, naar een bepaald voorbeeld, dat Hij hem toonde (Zie Exodus 25-31).

 

Het heiligdom (ook tabernakel of tempel genaamd) was een constructie van kostbaar en duur materiaal en van zeer kundig vakwerk. Het was zo gebouwd, dat het steeds uit elkaar genomen en vervoerd kon worden, overal daar heen waar de kinderen Israëls gingen. Hoewel het eigen­lijke bouwwerk slechts ongeveer 18x6 m. groot was, was het toch een prachtig bouwwerk.

Het hout dat voor de bouw en de voorwerpen er in gebruikt werd, was Acaciahout. De schotten die voor de wanden gebruikt werden, werden niet gespijkerd, maar in voetstukken en door regels met elkander verbonden, en het geheel door zuilen gesteund. Elke plank werd met goud overtrokken. Het dak bestond uit vier bedekkingen van stof, die voor een maximale be­scherming zorgden. Het binnenste dak bestond uit fijn getwijnd linnen, met in blauw, rode en scharlakenkleurige geborduurde engelfiguren. Hierover bevonden zich drie bedekkingen van - geitenhaar, rode ramsvellen en tachas-vellen.

 

De tabernakel werd door een voorhangsel of gordijn, ondersteund door vier zuilen van acaciahout, in twee af­delingen of ruimten verdeeld. De binnenste of tweede af­deling heette het heilige der heilige, terwijl de eerste ruimte het heilige of de tent der samenkomst werd ge­noemd. De eerste afdeling was tweemaal zo groot als de tweede. De enige ingang tot de tabernakel, was een voor­hangsel aan de voorkant van de eerste afdeling. Dit gor­dijn werd door vijf zuilen van acaciahout ondersteund. Beide voorhangsels waren van hetzelfde materiaal als het binnenste dak.

 

Het gehele heiligdom werd omgeven door de voorhof, die ongeveer 53 x 26 m. groot was, en die bestond uit een omheining van fijn wit linnen, opgehangen tussen 60 kope­ren pilaren, die ongeveer 3 meter hoog waren. Aan de oostzijde van de omheining was een ingang van ongeveer 12 meter breed, bestaande uiteen voorhangsel in de kleuren blauw, scharlaken en purper.

 

Het heiligdom was eenvoudig doch op zichzelf een prach­tig kunstwerk.   In het  heilige der heilige bevond zich het belangrijkste voorwerp van de gehele tempel - de tien ge­boden - geschreven  met de  vinger Gods op twee stenen tafelen. Deze werden bewaard in een houten kist, de ark des verbonds, die van buiten met goud overtrokken was en waar­van de deksel door een prachtige gouden kroonrand omgeven was. Deze deksel heette het verzoendeksel, of zoals Luther het vertaalde - de genadetroon. Op het deksel bevonden zich tegenover elkaar twee uit zuiver goud gevormde cherubs. Boven het verzoendeksel,  tussen de cherubs,   openbaarde zich  de  zichtbare  tegenwoordigheid van God door wolk wolk van heerlijkheid, die Schechina genoemd werd.

 

Er bevonden zich drie verschillende voorwerpen in het heilige. Voor het tweede  voorhangsel stond het gouden reukofferaltaar, versierd met een gouden kroonrand, en een gouden hoorn  aan  elke hoek.  Aan de noordzijde van deze ruimte lagen  12  ongezuurde  broden  op de tafel der toonbroden. Deze tafel was ook geheel met goud overtrokken en versierd  met  een  gouden kroonrand.   Tegenover de tafel wierpeen zevenarmige kandelaar zijn licht in het heiligdom. Deze was gemaakt uit één massief stuk goud, zeer kunstig gedreven met schalen, knoppen en bloemen.

In de voorhof stond het wasvat - een koperen wasbekken - en het brandofferaltaar.

 

Voor troonen en heerschappijen  (1)

 

"Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt of des mensen zoon dat gij naar hem omziet. Gij hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld. Met heerlijkheid en eer hebt gij hem gekroond, alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen." Hebreeën 2: 6-8.

 

Op deze aarde, waar het bloed van de mens dikwijls ver­goten wordt alsof het water is, wordt geen grote waarde ge­hecht aan een mensenleven. Maar voor Hem, die in de hemel regeert, is de mens van onschatbare waarde.

 

"Hoe kostelijk zijn mij uw gedachten, o God, hoe overweldigend is haar getal. Wilde ik ze tellen, zij zijn talrijker dan het zand; als ik ontwaak, dan ben ik nog bij U."   Psalm 139: 17 -18.

 

God zegt van de mens: "Want gij zijt de tempel des leven­den Gods; gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen" (2 Corinthe 6:16. St.Vert.). Dat prachtige bouwwerk met zijn wanden van glinsterend goud en smetteloze reinheid, met de heerlijkheid van de Schechina en het welriekende reukwerk, was een aanschouwe­lijke les van de hoge bestemming voor iedere ziel. De mens was geschapen om een tempel te zijn als woonplaats voor de Schepper. God maakte geen woning van hout, steen, goud of parels, maar een levende woning als geschikte verblijfplaats voor de Koning der koningen.

 

De eerste verklaring, die wij in de Bijbel vinden met betrekking tot de mens luidt als volgt: "God zeide: Laat Ons mensen  maken  naar  ons  beeld,…….En God  schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij hen".

"Toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen." (Ge­nesis 1:26, 27; 2:7).

God nam de levenloze klei en vormde een gelijkenis van Zichzelf. Na het menselijke organisme met zijn lichamelijke, geestelijke en zedelijke vermogens gevormd te hebben, blies God "de levensadem in zijn neus; en alzo werd de mens tot een levend wezen". Ofschoon uit stof gevormd was Adam "de zoon van God" (Lucas 3:38), een beeld en gelijkenis van Jehova.

 

In zijn uiterlijke verschijning droeg de mens het beeld van zijn Maker. Een ieder die hem zag, zou er toe geleid worden aan God te denken. Hij stond rechtop en was "gans wonderbaar toebereid" (Psalm 139:14). De tabernakel, die Mozes bouwde werd geconstrueerd door werklieden, die daar­voor bijzondere bekwaamheid ontvingen, maar de mens echter werd gemaakt door de bekwaamheid van de Almachtige. "Of weet gij niet dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest?" (1. Corinthe 6:19).

Hij, die zich deze dingen reali­seert, zal zijn lichaam met respect en eerbied behandelen. "Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden" (l Corinthe 3:17). Het gebod, "Gij zult niet doodslaan" ver­biedt alles wat het "huis Gods" (Hebreeën 3:6) op enigerleiwijze bevlekt, verminkt, bezoedelt, verzwakt of vernietigt.

 

Evenals met de tabernakel, bestond de heerlijkheid van de mens in de innerlijke versiering. De Heilige Geest adem­de in de mens het geestelijk leven. Zijn geest was naar de gelijkenis van de goddelijke geest. In het binnenste van het hart schreef God Zijn eigen wet der liefde. "God is liefde", - Zijn wezen, Zijn wet is liefde. Door de Heilige Geest was de mens een deelhebber van Gods zondeloze natuur.

 

Evenals de wet verborgen was in de binnenste afdeling van het heiligdom, zo was de wet van God in het binnenste heiligdom van de ziel in het onderbewustzijn verborgen.* Dit was van grote betekenis, want de mens zou in harmonie met de goddelijke wil leven, zonder bewuste krachtsinspan­ning. Het beginsel der onzelfzuchtige liefde, waardoor de verborgen impulsen en beweeggronden beheerst werden, zou de mens ertoe leiden God te gehoorzamen, niet als een beknotting van zijn vrijheid, maar als een vrije uitdrukking van de innerlijke wensen van zijn ziel. Natuurlijk zou hij ook de reinste vreugde vinden in de bewuste liefde en ge­meenschap met God. Het vuur van de goddelijke Geest der liefde was ontstoken op het altaar van het hart en dit stelde hem in staat om de liefelijke reuk van dankbaarheid en lof op te zenden tot Zijn Maker. Het brood van Gods Woord en het licht van Zijn Geest waren in zijn hart aanwezig. Boven alles troonde de heerlijkheid van Gods tegenwoordigheid daar, waar de wet geschreven stond en vulde het "huis" met glorie, terwijl dit naar buiten uitstralend de gedaante van de mens met een zacht licht van reinheid en onschuld omgaf.

 

Het Doel van de Schepping van de Mens

 

God had een bepaald voornemen met het scheppen van deze tempel. Hij, wiens woord vele soorten van intelligente wezens in het leven geroepen had, zag de noodzaak om een nieuw wezen te vormen naar Zijn eigen beeld, als de kronen­de daad van Zijn scheppende souvereiniteit. "... dien Ik geschapen heb tot mijn eer, dien Ik geformeerd heb, dien Ik ook gemaakt heb." (Jesaja 43:7). In Gods eeuwig plan, zou dit nieuwe en bijzondere wezen bestemd zijn "tot lof zijner heerlijkheid". (Efeze 1:12).

 

Door deze tempel, die het beeld en de gelijkenis van Jehova was, zou het universum een nieuwe openbaring ontvangen van het karakter Gods, een openbaring, waardoor "de veel­kleurige wijsheid Gods bekend zou worden"- "aan de over­heden en de machten in de hemelse gewesten". (Efeze 3:10). Op deze wijze zou God de beschuldiging van Satan en de zonde op effectieve wijze tegemoet t reden, waardoor het universum op een eeuwige basis van zekerheid geplaatst zou worden. De mens moest zulk een openbaring van de liefde, genade en goedertierenheid Gods zijn, dat deze "tempel", Gods bewijs zou zijn tegen rebellie in het universum.

 

Adam was in Eden als koning gekroond. Alle dingen op aarde waren aan zijn heerschappij onderworpen. (Genesis 1:26-28; Hebreeën 2:8). Hij was "voor een korte tijd bene­den de engelen gesteld" (Hebreeën 2:7).

 

In de structuur van zijn wezen bezat de mens niet de schoonheid en de heerlijkheid van de engel Lucifer, die overdekt was met kostbaarheid en heerlijkheid, (zie Ezechiël 28:13).

Aan de uiterlijke vorm van de tabernakel was niets opvallends. Zo was ook de mens gemaakt van de meest gewone substantie - stof, want God wilde bekend maken dat ware heerlijkheid niet bestaat in uiterlijke pracht. Het ver­mogen van de mens was groter dan die van de engelen.

Door gemeenschap met God zou hij tenslotte verheven wor­den om deel te hebben aan Zijn heerlijkheid en met Hem op Zijn troon te zitten. "Hij verheft de geringe uit het stof…….  dat Hij hen den stoel der eere doe beërven." (1 Samuel 2:8). Vanaf alle eeuwigheid was het Gods plan om het universum te delen met de mens, zodat de mens met Hem zou zitten op de troon der eere, de troon der tronen. Gods ideaal voor de mens is hoger dan de hoogste menselijke gedachte reiken kan. Hij was bestemd voor tronen en heerschappijen "naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade". (Efeze 1:5,6). Dit was "naar het eeuwig voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd". (Efeze 3:11).

 

* (De twee afdelingen van het heiligdom vinden hun pendant In het bewustzijn en het onder­bewustzijn. Dat de mens een verborgen, onbewust gemoed heeft is een zaak die men op een eenvoudige wijze kan waarnemen. De Bijbel verwijst dikwijls naar de verborgen inhoud van het menselijk gemoed, dat alleen bij God bekend is. Hoe het heiligdom met zijn twee af­delingen dit illustreert, zal ons in het verloop van dit boekwerkje steeds duidelijker worden.)