You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - Hier en Erna
 
DE TOESTAND VAN DE MENS IN DE DOOD   (9)

 

Uit het getuigenis van de Schriften aangaande de dood van Adam blijkt dat de dood die tot 'alle mensen' komt, hen in een toestand van dadeloosheid en bewusteloosheid in het stof der aarde doet terugkeren. Deze conclusie aangaande de toe­stand van de gestorven mens wordt alom ondersteund en onder­bouwd door de vele getuigenissen waarin de Bijbel voorziet. De Bijbel beschrijft duidelijk de rustplaats van de do­den. Het woord dat in het Oude Testament voor graf wordt ge­bruikt is 'sheol', en het overeenkomstige woord in het Nieuwe Testament is 'hades'. Zij duiden op een stille plaats, ver­borgenheid, slaap, rust, duisternis, verderf en wormen.

Het zijn namen voor de gebruikelijke vergaarplaatsen van de do­den, beiden de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. De rechtvaardige doden zijn daar; want bij de opstanding laten zij de overwinningskreet horen: "Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?" 1 Kor. 15:55. En de goddelozen zijn daar; want bij de opstanding ter verdoemenis, wordt ge­zegd dat de dood en de hel (Grieks, hades) hun doden geven. Openb. 20:13.

Dat het 'hades' van het Nieuwe Testament het 'sheol' van het Oude Testament is blijkt uit een vergelij­king van Psalm 16 met Handelingen 2:27. Aldus zegt Psalm 16: 10: "Want u zult mijn ziel in de hel niet verlaten;" en het Nieuwe Testament haalt dit aan in Handelingen 2:27 en ge­bruikt in plaats van 'sheol' het woord 'hades.'

 

1. Allen gaan in sheol - Aldus zei Jacob, "Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf (sheol) neerdalen." Gen. 37:35- Korach en zijn gezelschap daalden neer in sheol. Numeri 16:30,33. Alle mensen gaan daarheen. Psalm 84:49.

 

2. Wat gaat in sheol?  - Sheol ontvangt het gehele lichaam na de dood. Jacob verwachtte met zijn grijze haren neer te dalen in sheol. De ziel van de Verlosser verliet sheol bij Zijn opstanding. Ps. 16:10, Hand. 2:27,31. Korach, Dathan en Abiram daalden in levende lijve neer in sheol. Num. 16:31,32. David getuigde toen hij van een gevaarlijke ziekte hersteld was, dat zijn ziel bewaard bleef voor het gaan in sheol. Psalm 30:3,4.

 

3. De duur van het verblijf  - Degenen die in sheol gaan moe­ten daar blijven tot hun opstanding. Bij de tweede komst van Christus worden alle rechtvaardigen uit sheol bevrijd. Alle goddelozen die bij Christus' wederkomst leven; gaan dan in sheol en worden daar gedurende duizend jaren ge­vangen gehouden. Daarna worden zij vrijgelaten en wordt het oordeel over hen uitgesproken.

 

4. Plaats van sheol  - Die duidt op het inwendige van de aar­de als het gebied van de doden en de plaats van het graf. Ezech. 32:18-32. Er wordt altijd over gesproken als bene­den, in het binnenste der aarde, of in de onderste delen van de aarde (Zie Num. 16:30,33; Jes. 5:14;  14:9-20; Ezech. 31:15-18; 32:18-32). Verwijzend naar de vuren die zich in het binnenste van de aarde bevinden, en die de aarde tenslotte door een geweldige hitte zullen laten smelten, zegt de Here door Mozes: "Want een vuur is aan­ gestoken in Mijn toorn en zal branden tot in de onderste hel, en zal het land met zijn inkomsten verteren, en de gronden der bergen in vlam zetten." Deut. 32:22. Toen Jona in de diepte der wateren verdween, daalde hij af in sheol waar niemand dan alleen dode mensen ooit waren geweest. Jona 2:2.

 

5. De dood vergeleken met slapen  - Er moet dus een gelijk­heid bestaan tussen de toestand van de slapenden en de toestand van de doden. Als wij slapen, is onze toestand anders als wanneer wij wakker zijn en die bestaat daarin dat als wij een gezonde slaap hebben, wij volkomen bewus­teloos zijn. In dit opzicht is de dood gelijk slapen; dat wil zeggen, de doden zijn bewusteloos. Dit beeld wordt vaak gebruikt om de toestand van de doden uit te beelden.
"Velen die in het stof der aarde slapen zullen ontwaken." Dan. 12:2. "Vele lichamen van de heiligen die ontslapen waren, werden opgewekt." Matth. 27:52. Nadat Stefanus, Jezus ter rechterhand Gods had gezien en vervolgens ge­stenigd werd, zegt het bericht 'ontsliep hij.' Hand. 7:60. In 1 Kor. 15:20 wordt Christus de Eersteling genoemd van hen die ontslapen zijn; en in vers 51 zegt Paulus, "wij zullen niet allen ontslapen."

 

Aan de Thessalonicensen schreef Paulus dat hij niet wilde dat zij onwetend zouden zijn aangaande degenen die ont­slapen waren. (1 Thess. 4:13,14). In vers 14 spreekt hij over hen als 'ontslapen zijn in Jezus' en verklaart in vers 16 wat hij bedoelde door hen gestorven in Christus te noemen. Degenen die verkondigen dat de doden in een bewuste staat leven kunnen deze woorden niet opzij zetten door te zeggen dat alleen hun lichamen sliepen; zij aan­vaarden niet dat het 'bewustzijn' dat wij gedurende ons leven bezitten en in de dood verliezen, uitsluitend deel uitmaakt van het lichaam.

Job verklaart duidelijk dat zij niet eerder zullen ontwaken dan bij de opstanding: "Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft de geest; waar is hij dan? De wateren verlopen uit in een meer, en een rivier droogt op en verdort; Alzo ligt de mens neer, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet meer ontwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden." Job 14:10.

Zulke verklaringen als deze zijn doorslaggevend inzake de toestand van de mens in de dood.

 

6. De doden verkeren in een toestand alsof zij nooit geweest waren  - Dit getuigt Job; want hij getuigt dat als hij tijdens zijn geboorte gestorven was, hij niet bestaan zou hebben; en in dit opzicht verklaart hij dat hij gelijk zou zijn aan de koningen, raadsheren en prinsen van de aarde, die kostbare graven bouwden waarin hun lichamen zouden worden opgebaard na hun dood. Op die toestand past hij vaak de geciteerde uitdrukking toe: "Daar houden de bozen op met woelen, en daar rusten de vermoeiden." Job 3:11-18. En Obadja (vers 16) spreekt over de doden als zijnde in een toestand alsof zij nooit geweest waren.

 

7. De doden weten niet met al  -  Sprekende over de dode mens zegt Job, hoofdstuk 14:21 "Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen." Ongetwijfeld zou - als de 'werkelijke mens' bewust en intelligent is in de dood - hij de geschiedenis van zijn  zonen met grote belangstelling volgen. Omdat dit gedeelte verklaart dat hij dit niet doet, betekent dit dat hij bewusteloos is.

Verder, toen de Here op het punt stond oordelen over Jeruzalem te brengen, zei Hij tot koning Josia dat de koning in vrede in zijn graf zou gaan, dat zijn ogen al het kwaad niet zouden zien. 2 Kon. 22:20. Maar hij zou dit zeer zeker wel hebben gezien als hij in de dood bij bewustzijn zou zijn geweest. Psalm 146:4. "Zijn adem gaat uit, hij keert terug tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn gedachten." David verwijst hier naar de zwakheid en onmacht van de mensen hun vrienden van dienst te zijn, als zij aan de dood onderworpen zijn. Zij verliezen de adem des levens, en hun lichamen worden tot stof.

Dan, zegt David, vergaan hun gedachten. Het woord 'gedachten' dat hier gebruikt wordt duidt niet alleen op iemands plannen en voornemens in het leven; het duidt op de handelingen van de geest in het proces van denken en redenering. Op de dag van het overlijden van de mens ver­dwijnt die macht ofwel vergaat. Hoe kan er dan een onsterfelijke ziel zijn die de dood overleeft? - Er kan geen zijn. Als bewijs dat dit de bedoeling is van dit Schrift­gedeelte, luister naar de woorden van Salomo, Davids zoon, in Prediker 9:5,6: "Want de levenden weten dat zij zullen sterven, maar de doden weten niet met al….. Ook is reeds hun liefde, ook hun haat, ook hun nijdigheid vergaan; en zij hebben geen deel meer in alles, wat onder de zon ge­schiedt." Vers 10: "Er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap noch wijsheid in het graf, daar u heen­ gaat." Een dergelijk bewijs kan niet verkeerd worden op­gevat noch terzijde worden geschoven.

Tevergeefs beweren de immaterialisten ter ondersteuning van hun theorie aan­
gaande de menselijke ziel, dat dit van toepassing is op het lichaam, want zij geloven niet dat de gedachten, waar­ van David zegt dat die met de dood vergaan, tot het li­chaam behoren maar tot de ziel. Volgens Salomo is de ken­nis die de mens tijdens zijn leven bezit, niet meer aan­wezig als hij dood is. Dit getuigenis kan de immaterialist niet opzij zetten of hij moet loochenen dat Salomo de waar­heid sprak.

 

8. De doden bevinden zich in het stof der aarde  - Job. 17:13. "Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen." In hoofdstuk 14:14 zegt hij: "Ik zou al de dagen van de toebedeelde tijd hopen, totdat mijn verandering komen zou." De verandering waarnaar verwezen wordt moet daarom de opstanding zijn, en hij beschrijft zijn toestand tot op de tijd in de volgende bewoording: "In de duisternis zal ik mijn bed spreiden. Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader.'
Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster! en als er rust te zamen in het stof wezen zal." Job. 17:13-16.

De doden bevinden zich daarom niet in de hemel of in de hel, maar in het stof. Jes. 26:19. "Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt en juicht, gij die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als de dauw van moeskruiden en het land zal de overlevenden uit­ werpen. "

 

Is het mogelijk dat de woorden van deze tekst verkeerd begrepen kunnen worden? Hij spreekt van nieuw leven van de dode mens, van een opstanding van dode lichamen en van de aarde die haar doden uitwerpt. En het bevel aan hen luidt: "Waakt op en juicht!" Wie juicht? U die nog leeft die zich koestert in de zegen van de hemel, en zingt ter ere van God? - Nee, maar 'gij die in het stof slaapt, u die in het graf rust.' Als de doden bij bewustzijn zijn dan sprak Jesaja onzin. Als wij zijn getuigenis geloven moeten wij onze doden in het graf zoeken.

 

9. Want in de dood is geen gedachtenis  - Psalm 6:6: "Want in de dood is Uwer geen gedachtenis: wie zal u loven in het graf? Psalm 115:17: De doden zullen de Here niet prijzen, noch die in stilte neergedaald zijn." Deze teksten zeggen niet dat alleen de goddelozen zich niets  herinneren en de Here niet prijzen, maar passen dit toe op allen die 'gestorven' zijn. Maar wie kan veronderstellen dat de rechtvaardigen, als ze levend zijn in de dood, zich God niet zouden herinneren en Hem danken?

De goede koning Hizkia gaf, toen hij de Here prees voor het verlengen van zijn leven met 15 jaar, dit als reden waarom hij zo vreug­devol was: "Want het graf kan U niet loven, de dood kan U niet prijzen; die in de hel neerdalen kunnen op U niet hopen. De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal de kinderen Uw waarheid bekend maken." (Jes. 38:18,19). Een grotere tegenstelling tussen leven en dood dan deze kan niet geschetst worden. Moderne godgeleerden stellen dat Hizkia in de hemel is en God prijst. Maar Hizkia verklaarde dat als hij dood is, hij dit niet kon doen. Wiens getuigenis is geloofwaardiger, dat van de geïnspireerde koning van Israël of van de ongeïnspireerde theologen die verstrikt zijn in de netten van een valse theologie en zich in een labyrint van dwa­ling en verwarring bevinden? Als wij Hiskia kunnen gelo­ven - en wij menen dat wij dat kunnen - dan prijzen de rechtvaardigen God niet zo lang zij in het graf liggen.
Zij zijn volkomen bewusteloos.

 

10. De gestorvenen zijn niet direct naar de hemel gegaan  - Pe­trus getuigt aangaande de patriarch David (Hand. 2:29,34,35): "Mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit te spreken van de patriarch David, dat hij gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag……..  Want David is niet opgevaren in de hemel; maar hij zegt: De Here heeft gesproken tot mijn Here: Zit aan mijn rech­terhand, totdat Ik uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten." Wij vestigen de aandacht van de lezer in het bijzonder op het volledige argument dat Pe­trus naar voren brengt, beginnende met vers 4. Petrus be­wijst uit de profetie, opgetekend in de Psalmen, de op­standing van Christus. Hij zegt (vers 31): "Zo heeft, Hij dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat zijn ziel niet verlaten is in de hel, noch zijn vlees verderving heeft gezien."

 

En hoe bewijst hij dat David over Christus spreekt, en niet over zichzelf? Hij bewijst dit door het feit dat Davids ziel in hades (het graf) bleef, en dat zijn vlees verderving zag; en zijn graf tot op die dag met hen was. "Want", zegt hij, "David is niet ten hemel gevaren." Nu, als Davids ziel in een bewuste staat verder leefde, als die niet in hades (het graf) gebleven was, maar in de hemel was opgevaren, kan geen mens aantonen dat David, in die psalm, niet over zichzelf inplaats van Christus sprak; en dan zou Petrus' argument voor de opstanding van Christus volledig vernietigd zijn.

Maar Petrus, die in het bijzonder bij die gelegenheid onder de invloed van de Heilige Geest sprak, wist wat hij zeggen moest; en zijn argument vernietigt volledig het dogma van de onsterfelijkheid van de ziel. Bijgevolg kan de leer van een bewuste staat van de doden niet op basis van de Schriften worden aangetoond, maar jaagt direct enkele van de belangrijkste leerstellingen van de Bijbel tegen zich in het harnas. David zal te zijner tijd naar de he­mel gaan; maar dat zal zijn bij de opstanding van de do­den. Hij zelf zegt: "Maar ik zal Uw aangezicht in gerech­tigheid aanschouwen, en zal verzadigd zijn van Uw beeld, als ik zal ontwaken." (uit de doodsslaap) Psalm 17:15.

 

 

11. Zonder een opstanding zijn de doden verloren  - Dit is de conclusie die Paulus trekt in zijn meesterlijk argument in 1 Kor. 15, en dat zelfs toepast op degenen die in Christus ontslapen zijn. " Want indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet  opgewekt. En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt  gij nog in uw zonden. Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn. " Verzen 16-18.

Als wij dit getuigenis lezen, dan vragen wij ons in uiterste verbazing af hoe iemand die in de Bijbel ge­looft, kan vasthouden aan de leer van de onsterfelijkheid van de ziel, en de bewuste toestand van de doden, ter­wijl de Bijbel daarmee in directe tegenspraak is. Als de zielen van de doden blijven leven, zijn die dan verloren? Wat! verloren? en toch in een hogere sfeer leven? Verlo­ren, en zich toch verheugen in de zegeningen van een eeu­wig leven in de hemel? Verloren? en toch aan Gods rech­terhand waar altijd en eeuwig vreugde heerst?

Verloren temidden van de ruïnen van de heidens mythologie waaruit dit voortgekomen is, een theorie die in strijd is met de leringen van Gods woord, en dode mensen aldus verheft? Paulus spreekt over het gehele menselijke wezen. Gelijk wij in Adam sterven, zo zullen wij in Christus tot leven worden gewekt.

 

Na de verklaring dat als er geen opstanding zou zijn, wij omkomen, verzekert hij ons dat Christus is opgestaan, en dat er voor allen een opstanding is. Dan spreekt hij over de opstanding van degenen die in Christus slapen, en vertelt ons wanneer die opstanding zal plaatsvinden. Die zal plaatsvinden, niet door het opstijgen van een ongrijpbaar, onstoffelijk wezen uit dit sterfelijk om­hulsel als wij sterven, maar het zal zijn op de grote dag, als de laatste bazuin deze versleten aarde zal doen beven op haar grondvesten.

 

Het getuigenis aangaande dit onderwerp werd door een predikant als volgt samengevat:

 

"Ik houd mij aan het verslag dat de Schrift geeft aan­gaande de toestand waarin de dood ons brengt. En die zien wij uitgebeeld door de slaap; door het ontbreken van alle leven, gedachten of handelingen; door rust, rustplaats of tehuis, stilte, bewusteloosheid, duister­nis, afbraak of verderf."

 

Deze verklaring wordt overvloedig ondersteund door de teksten waarnaar verwezen is; en door deze teksten is in onuitwisbare letters boven de poorten van de duistere vallei het grote feit beschreven dat ons bestaan niet wordt bestendigd door middel van een onsterfelijke ziel, maar dat, zonder een opstanding van de doden er geen toekomstig leven is. Kunnen wij iets anders doen, lezer, als deze conclusie aanvaarden?