Belangstellende onderzoekers
hebben zich aangaande de schepping van de mens afgevraagd wat hem bij die
schepping werd verleend ten aanzien van leven en onsterfelijkheid. Vastgesteld
is dat in verband met de schepping niets gezegd is waaruit blijkt dat hij
begiftigd werd met een onsterfelijke natuur en dat de Bijbel nergens
bevestigt dat hij onsterfelijk is of onsterfelijkheid bezit. Geen enkele
tekst geeft in verband met de mens de woorden 'ziel' en 'geest' op zulk een
wijze weer dat daaruit blijkt dat hij iets bezit dat onstoffelijk en
onsterfelijk is. Wel wordt precies het tegenovergestelde aangetoond. Als
volgende stap in deze studie is het daarom juist een onderzoek in te stellen
aangaande de dood van de mens, dat is in welke toestand hij door de dood
gebracht wordt. Laat ons eens zien wat wij daaruit kunnen leren.
De onderzoeker van de aard van
de mens en diens toestand in de dood, moet zich in de eerste plaats met diepe
belangstelling wenden tot het verslag dat aangaande de vader van ons geslacht
gegeven werd. In de eerste hoofdstukken van Genesis vinden wij een verslag
van de oorsprong van het menselijk gezin, dat zo eenvoudig en tegelijkertijd
zo rechtlijnig is dat de spotternijen van twijfelaars alle kracht verliezen
en zij zich alleen maar belachelijk maken als zij zouden trachten op een
wetenschappelijke basis daarvoor iets anders in de plaats te stellen. Uit het
oordeel dat over Adam, de eerste mens, werd uitgesproken nadat hij zich door
overtreding schuldig had gemaakt, blijkt in welke toestand alle andere mensen
door de dood worden gebracht. In de schepping en dood van Adam, vinden wij
een levendig verslag van de opbouw en afbraak van het menselijk wezen, en dit
voorbeeld dat het eerste en meest luisterrijke is, moet voorzien in een
voorbeeld en regel voor alle andere leden van het menselijk gezin.
Aangaande de schepping van Adam
en de elementen waaruit hij werd samengesteld is naar wij aannemen, reeds
voldoende gezegd. Het verslag toont aan dat de mens volledig uit het stof der
aarde geformeerd werd. "En de Here God had de mens geformeerd uit het stof der
aarde." Gen. 2:7. Dit lichaam werd begiftigd met een verheven en indrukwekkend
organisme dat door de adem des levens die God in zijn neusgaten blies tot
leven werd gewekt. Het lichaam had voordat het levend werd gemaakt geen kracht
om te handelen, de adem had voordat het in de neusgaten werd geblazen, geen
macht uit eigen beweging te handelen, maar toen deze twee elementen werden
samengevoegd, toen de adem in het lichaam werd geblazen, kwam het lichaam tot
leven. Door dit vitale beginsel werd de menselijke machinerie in werking
gesteld en alle verschijnselen van lichamelijke - en geestelijke activiteit
vloeiden daaruit voort.
De Ontwerper van dit
scheppingswerk heeft uiteraard, als Heerser over het heelal, de schepselen die
Hij geschapen had gevraagd Hem te gehoorzamen. Maar Hij wilde hen niet dwingen
dit te doen, want alleen een spontane liefde en een vrijwillige en
bereidwillige gehoorzaamheid kan een trouwe dienst uitmaken. Hij stelde de
mens die Hij geformeerd had op de proef om zijn trouw aan zijn Maker te
toetsen. De plaats waar hij beproefd werd was een prachtige tuin waarin alles
aanwezig was wat aangenaam was voor het oog en goed tot spijze. En over alles
in Eden had de mens onbeperkt gezag, op één uitzondering na. En aangaande deze
uitzondering, de voorwaarde waaraan hij zou worden getoetst, werd duidelijk
gezegd: De Here God gebood de mens, zeggende: "Van alle boom in de hof kunt u
vrijelijk eten, maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan
zult u niet eten; want op de dag dat u daarvan eet, zult u de dood sterven."
Adam en Eva konden de eisen van
dit gebod onmogelijk misverstaan, noch de dreigende straf voor de overtreding
daarvan verkeerd opvatten. Voordat Satan, Eva kon verleiden, moest hij haar
doen geloven dat er geen straf dreigde en dat zij niet sterven zou. Nu moest
de vraag worden beslist wie geloofwaardig was, God of Satan, en vreemd genoeg
koos de theologische wereld, met uitzondering van een kleine minderheid, ten
aanzien van de verklaring aangaande de straf, de kant van Satan. Dit blijkt
uit de uitlegging die gewoonlijk van de bestraffing wordt gegeven, die in drie
soorten werd verdeeld:
1. de geestelijke dood als
gevolg van de vervreemding van de ziel van God, liefde voor de zonde, en de
haat jegens heiligheid, wordt 'geestelijk dood' genoemd;
2. de tijdelijke dood doelt op
het scheiden van ziel en lichaam;
3. de eeuwige dood onmiddellijk
na het sterven van de bewuste pijniging van de ziel in de hel die geen einde
heeft.
Bezien wij deze verschillende verdelingen eens in het licht van de dreiging "U
zult de dood sterven," om te zien in hoeverre die met elkaar overeenstemmen.
Door te zondigen haalde Adam die straf over zich, daardoor werd hij een
zondaar. Een zondige toestand is een toestand die ons van God scheidt.
Omdat Adam willens en wetens
zondigde en daardoor zichzelf in een staat van vervreemding van God bracht,
werd het oordeel over hem uitgesproken: "U zult de dood sterven." Betekende
dit dat hij de straf van een eeuwige dood zou ondergaan? Als dit zo was, dan
kan Adam daar nooit van bevrijd worden. Maar hij zal worden bevrijd van de
dood die het gevolg was van overtreding; want de Schrift verzekert ons, dat
allen weer 'tot leven gewekt zullen worden.'
Toen Adam zondigde, moest God
doorvoeren waar Hij hem voor gewaarschuwd had. Adam moest rekenschap afleggen
en het oordeel over zijn daden ontvangen. "En tot Adam zei Hij: Omdat u
geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw, en van die boom hebt gegeten,
waarvan Ik u gebood, zeggende: U zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk
om uwentwil vervloekt, en met smart zult u daarvan eten al de dagen van uw
leven. Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en u zult het kruid des
velds eten. In het zweet uws aanschijns zult u brood eten, totdat u tot de
aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent, want u bent stof, en u zult
tot stof wederkeren." - Genesis 3:17-19.
Met deze woorden heeft God zelf
ons een verklaring gegeven van het vonnis en in deze kwestie is hoger beroep
aantekenen niet mogelijk. Herhalen wij nog eens het laatste gedeelte van het
vonnis: "In het zweet uws aanschijns zult u brood eten, totdat u tot de aarde
terugkeert, omdat u daaruit genomen bent, want u bent stof en tot stof zult u
wederkeren." Het terugkeren tot stof is hier tot een afsluitende gebeurtenis
gemaakt, die voorafgegaan wordt door een periode van zware arbeid. Nadat de
mens tenslotte door de arbeid en de problemen van het leven is uitgeput, zal
hij terugkeren tot het stof waaruit hij genomen werd. Voor Adam begon dit
proces vanaf de dag dat hij zondigde en de verkondigde straf werd, toen hij
negenhonderddertig jaar oud was, voltrokken.