Een onderzoek van de teksten
in de Bijbel waarin het woord 'geest' wordt gebruikt op een wijze die, naar
men meent, aantoont dat de geest in staat is buiten het lichaam in bewuste
staat te bestaan en daarom onsterfelijk is.
De eerste van deze is de vaak
geciteerde verklaring van Salomo:
1. De geest keert terug tot
God.
Prediker 12:7: "En dat het
stof weer tot de aarde terugkeert als het geweest is; en de geest weer tot
God keert, Die hem gegeven heeft." Het is vanzelfsprekend dat de mensen in
de eerste plaats een beroep doen op die bronnen waarvan zij de meeste hulp
verwachten. Daarom verwijzen de verkondigers van de natuurlijke
onsterfelijkheid van de mens, als zij uit de Schrift hun stelling moeten
bewijzen, vrijwel altijd naar bovengenoemde tekst.
Laten wij deze tekst en andere
van gelijke strekking eens onderzoeken en daarbij de vraag voor ogen houden;
bezit de mens een onafhankelijk bestanddeel dat, als het lichaam sterft, in
een bewuste staat buiten het lichaam verder leeft en in een nog hogere mate
al die functies verricht dat het door het lichaam verrichtte en ertoe
bestemd is, onverschillig of het een voorwerp van Gods gunst of van Zijn
dreigende en verdiende wraak is, net zo lang te bestaan als God zelf?
Geeft deze tekst iets van dien
aard te kennen? Bevat hij iets waaraan een dergelijke gevolgtrekking
ontleend kan worden? Wij nodigen de lezer uit ons nauwlettend te volgen
terwijl wij trachten zorgvuldig na te gaan wat de tekst werkelijk leert.
Degenen die leren dat de mens
een geest bezit die buiten het lichaam in een bewuste staat verkeert,
beroepen zich op dit Schriftgedeelte als een getuigenis ten gunste van die
opvatting. Laten wij eens zien in hoeverre wij het met hen eens kunnen zijn:
1. Salomo beschrijft in een
reeks van prachtige gelijkenissen het einde van de mens. Pred. 12:1-7. - Is
juist.
2. Het stof, dat is het
lichaam, en de geest worden als zijnde twee aparte dingen genoemd. - Is
juist.
3. Bij de dood verlaat de
geest het lichaam. - Is juist.
4. Over de geest wordt op een
andere wijze beschikt als over het lichaam. - Is juist.
5. De geest keert terug tot
God. - Is juist.
6. Daarom leeft de geest na
het sterven van het lichaam.
Daar kunnen wij niet mee
instemmen. Waar vinden wij daarvan een bewijs? Want, wordt gevraagd, hoe
kan een geest tot God terugkeren als hij niet leeft? Antwoord: Op de wijze
die Job beschrijft. "Indien Hij Zijn hart tegen hem keert, zijn adem en
geest tot Zich terugnam, dan zou al wat leeft tegelijk de geest geven, en de
mens zou wederkeren tot stof." Job 34:14,15.
Dit Schriftgedeelte zegt ons
dat God de 'adem' van de mens terugneemt - iets waarvan niemand
veronderstelt dat het een apart, bewust bestaan kan leiden. Bovendien noemt
God beide, de geest en de adem, die gedurende een tijd aan de mensen werden
gegeven, Zijn eigendom. Als die de mensen weer ontnomen worden, noemt Hij
dit 'terugnemen tot Zich.' Deze woorden zijn even sterk als de uitdrukking
"de geest zal terugkeren tot God, Die hem gegeven heeft."
7. De volgende bewering is dat
om die reden deze geest voor altijd zal blijven bestaan.
Van deze conclusie moeten wij
eveneens afstand nemen. Dit is nergens bekend gemaakt en schijnt ook nergens
uit afgeleid te kunnen worden. Daarom
zijn deze twee stellingen, die voor de opvatting van onze vrienden van zulk
een groot belang zijn, slechts veronderstellingen.
Maar, als het woord 'geest'
hier niet de betekenis heeft die men daar in het algemeen aan toekent, wat
is dan de betekenis daarvan? en wat keert dan terug tot God? Het zal
opgevallen zijn dat hetgeen tot God terugkeert, iets is dat God de mens
'gegeven' heeft. En Salomo brengt dit naar voren als een alom bekende zaak,
die reeds vermeldt en bekend was. Hij verwijst kennelijk naar de schepping
van de mens in het begin. Zijn lichaam werd geformeerd uit het stof; en wat
deed God verder voor de mens? of wat gaf Hij hem? - Hij blies in zijn
neusgaten de 'adem des levens.' Dit is de enige geest waarvan duidelijk
gezegd wordt dat die door God aan de mens gegeven werd. Niemand beweert dat
die, gelijk het lichaam uit stof was en dus tot stof wederkeert, maar dit
betekent niet dat dit deel daarom bewust of onsterfelijk is.
Maar, wordt gevraagd: "als
'geest' hier 'adem des levens' betekent, hoe en in welke zin keert die dan
terug tot God?"
Salomo toont de ontbinding van
de mens aan door terug te keren op de schreden die bij zijn formatie werden
gedaan. In het begin werd de adem des levens ingeblazen in Adam waardoor
hij tot een levende ziel werd. Die adem des levens wordt de mens ontnomen en
als gevolg daarvan wordt hij opnieuw een levenloze ziel. Dan keert het
lichaam, beroofd van zijn bezielende kracht, terug naar het stof waaruit
het geformeerd werd.
Dat de 'adem des levens' van
God tot de mens kwam, zal niemand ontkennen. Vraagt men zich af hoe die tot
Hem terugkeert? Vertel ons hoe die tot de mens gekomen is, en wij zullen u
zeggen hoe die terugkeert. Op dezelfde wijze als die adem van God tot de
mens kwam, op die wijze keert hij terug tot God. Het is gemakkelijk met een
luchthartige spotlach een verklaring af te wijzen die, als ze aanvaard
wordt, de door hen gekoesterde zienswijze ten aanzien van de kwestie 'adem
des levens' vernietigt.
Maar er is nog een andere
bedenking tegen de populaire verklaring van deze tekst, waaraan wij niet
zondermeer voorbij kunnen gaan. Die ligt besloten in de vraag: hoe was de
toestand of staat van deze geest, voordat God hem aan de mens gaf? Was hij,
voordat hij in de mens werd gelegd, een bewust en intelligent wezen dat, als
de mens hem niet meer nodig heeft, tot God terugkeert? Salomo stelt
duidelijk dat alle elementen waaruit de mens is samengesteld, terugkeren tot
de oorspronkelijke toestand waarin zij zich bevonden voordat zij werden
samengevoegd om de – mens – te vormen. Ten aanzien van het lichaam wordt
duidelijk gezegd dat het terugkeert tot stof dus, tot zijn oorspronkelijke
toestand. Het feit dat dit niet van de geest wordt gezegd, wil niet zeggen
dat die niet in de oorspronkelijke staat terugkeert. Elk logisch beginsel
vereist dat dit het geval is, tenzij duidelijk het tegendeel wordt
verklaart.
Er is echter nog een ander
punt met die vraag verbonden. De woorden: "En de geest keert terug tot God
die hem gegeven heeft," hebben betrekking op "alle mensen." Zij zijn van
toepassing op zowel de rechtvaardigen als op de goddelozen. Als het zo is
dat de geest de dood van het lichaam overleeft, zullen de geesten van de
rechtvaardigen vanzelfsprekend opstijgen tot God, om in Zijn
tegenwoordigheid de beloofde vreugde te genieten. Ps. 16:11. Maar gaan de
geesten van de goddelozen ook naar God? Als dat zo is, waarom gaan zij dan
naar Hem toe? Gewoonlijk wordt gesteld dat zij onmiddellijk naar de vuurpoel
gaan. Als gezegd wordt dat zij eerst naar God gaan om geoordeeld te worden,
dan rijst de vraag op:
"Waar bevestigt de Bijbel dat
iemand geoordeeld wordt als hij sterft?" Integendeel, de Schrift plaatst
steevast het oordeel in de toekomst, en verklaart in zeer nadrukkelijke
bewoordingen dat God voor dat doel een dag heeft gesteld. Hand. 17:31.
Daardoor wordt de leer van de
Bijbel aangaande het toekomstig oordeel, door deze alom verbreide
misvatting rechtstreeks tegengesproken. Volgens de Schrift heeft nog geen
mens zijn uiteindelijk oordeel ontvangen; maar volgens de opvatting die wij
hier aan de orde stellen zijn de geesten van allen die tot nu toe gestorven
zijn, de goeden en de slechten, rechtvaardigen en onrechtvaardigen, naar God
gegaan.
Waarom, vragen wij ons af,
zijn de geesten van de goddelozen naar Hem toegegaan? Zijn ze daar nog?
Handelt God op deze wijze met degenen die zich tegen Zijn regering keren;
dat wil zeggen houdt Hij hen bij zich, of laat Hij hen één tot zes duizend
jaar in de hemel en stuurt ze daarna naar de hel? Of zijn ze reeds
geoordeeld en naar de hel gezonden? Als dat zo is, dan is er geen plaats
voor een toekomstig algemeen oordeel, dat volgens de Schrift zal
plaatsvinden. Een zienswijze die zulke tegenstrijdigheden ten aanzien van
Gods bestuur naar voren brengt kan zeker niet standhouden.
Hoe oneindig verkieslijker is
dan de zienswijze die de Schrift waarborgt; namelijk dat de 'geest' die
terugkeert tot God die hem gegeven heeft 'de adem des levens' is waardoor
God het menselijk lichaam bezielt en in stand houdt.
Deze adem des levens is,
voorzover de Schrift verklaart, dat wat God in het begin aan de mens gaf. En
deze zienswijze zou boven alle andere aanvaard moeten worden omdat ze in
overeenstemming is met het volledig Bijbels verslag. Dit voorkomt problemen
die ontstaan als iemand probeert de geest tot een afzonderlijke eenheid te
maken, die na de dood onsterfelijk is en leeft.
2. VAN WAAR KOMT DE GEEST?
Een andere tekst waarvan
gezegd wordt dat hij een positief bewijs vormt dat de mens een geest heeft
die boven en buiten de macht van de dood staat is Zach. 12:1. "Aldus luidt
het woord de Heren over Israël, Die de hemel uitbreidt en de aarde
grondvest, en de geest des mensen in diens binnenste formeert."
Aangaande de aard van deze
'geest' die God in de mens formeert, diens eigenschappen en attributen,
zegt de tekst niets. Bovenal, aangaande de belangrijke vraag: "Is deze geest
onsterfelijk?" zwijgt de tekst volkomen. Waarom wordt die dan aangehaald?
Omdat die het woord 'geest'
bevat. Maar, zoals reeds aangetoond, niets kan worden bewezen door louter
het gebruik van de woorden 'ziel' en 'geest', totdat een bevestiging in de
Schrift gevonden kan worden waaruit blijkt dat deze woorden duiden op een
onafhankelijke eenheid, die de macht van een ononderbroken bewustzijn en de
eigenschap van onsterfelijkheid bezit. Deze tekst wordt door Job 32:8
verduidelijkt: "Zeker, de geest, die in de mens is, en de inblazing van de
Almachtige geeft henlieden verstand;" niet "geeft de geest verstand" zoals
zo vaak wordt beweerd. Dit wil zeggen, de mensen werden begiftigd met
hogere, verstandelijke vermogens; en door middel daarvan geeft God hen
begrip .
Maar, omdat Zacharias 12:1
door de immaterialisten wordt aangehaald om te bewijzen dat de zielen
afzonderlijk geschapen worden, rijst in dit verband de vraag op: "Waar kwam
die geest dan vandaan, hoe verkregen alle opvolgende leden van het menselijk
ras een onsterfelijke geest?"
In de tekst die wij thans
bespreken, wordt de tegenwoordige tijd klaarblijkelijk gebruikt voor de
verleden tijd; en daarom mogen wij die als volgt lezen: "De last van het
woord des Heren over Israël.... Die de hemel uitbreidt, en de aarde
grondvest, en des mensen geest in zijn binnenste formeert." Als dat de
schepping betekent van een onsterfelijk wezen dat de mens toebedeeld werd en
zijn geest wordt genoemd, is dit alleen van toepassing op de eerste mens, de
mens geformeerd tijdens de schepping van de wereld. Hoe krijgen alle
volgende leden van het menselijk ras dan een onsterfelijke geest?
Heeft God voor elk lid van het
menselijk ras na Adam, door een speciale daad een ziel of geest geschapen?
Degenen die dit zeggen zijn in tegenspraak met Genesis 2:2 waarin wordt
verklaard dat Gods scheppingwerk, voorzover het deze wereld betrof, in de
eerste week voltooid is. Dat werk was zeer zeker niet voltooid als vast
staat dat God nadien bleef werken en het grootste deel van de dag zielen
schiep zodra menselijke lichamen ontstonden die ze nodig hadden.
Heeft God zichzelf tot een
dienstknecht gemaakt van het menselijk ras om te wachten op hun wil, grillen
en hartstochten? want hoeveel bewoners van deze aarde zijn geboren als
gevolg van ontucht en losbandige vleselijke lusten?
Maar, als wij zeggen dat de
ziel wordt overgeplant tijdens het natuurlijke vormingsproces van het
lichaam, wat gebeurt er dan met haar onverderfelijkheid en onsterfelijkheid?
Want hetgeen ' uit het vlees geboren is, dat is vlees.' Johannes 3:6. En
Petrus zegt (1 Petr. 1:23-25) 'Gij die wederom geboren zijt, niet uit
vergankelijk, maar onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende
woord van God. Want alle vlees is als gras. Het gras is verdord, en zijn
bloem afgevallen; maar het woord des Heren blijft in der eeuwigheid."
Geen getuigenis kan
duidelijker aantonen dat de mens in zijn totaliteit sterfelijk en
vergankelijk is. Hij wordt uit vergankelijk zaad geboren. En bovendien wordt
er aan toegevoegd: "Alle vlees is als gras."
Als gezegd wordt dat dit
alleen op het lichaam doelt, dan antwoorden wij dat het woord 'vlees' de
gehele mens omvat. Neem Rom. 3:20 als voorbeeld: "Daarom zal uit de werken
der wet geen vlees gerechtvaardigd worden." Paulus zinspeelt hier niet op de
rechtvaardigmaking van beenderen, zenuwen, pezen en spieren; hij doelt op de
gehele verantwoordelijke mens.
God zei tot onze eerste
ouders, en die opdracht werd na de zondvloed herhaald aan Noach, "Ga heen en
vermenigvuldig u." Vermenigvuldigen wat? - Zichzelf natuurlijk. Betekende
dit dat zij lichamen moesten vermenigvuldigen, en dat God zielen zou
vermenigvuldigen die daarin pasten? - Niets van dien aard, zij moesten
wezens vermenigvuldigen die alle eigenschappen, talenten en bijzonderheden
zouden bezitten die zij zelf bezaten. Zo kreeg Adam een zoon naar zijn
gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth. Gen. 5:3.
Deze zoon was in alle
opzichten gelijk Adam, bezat alle eigenschappen die Adam bezat, en dat wat
Adam gekregen had werd Seth genoemd.
Maar volgens de menselijke
scheppingsleer bracht Adam alleen een lichaam voort, en schiep God de ziel,
die de werkelijke mens is, en noemde zijn naam Seth en bracht die in het
lichaam. Noch deze tekst noch andere ondersteunen een dergelijke
absurditeit. Als de ziel de zetel is van de verstandelijke en morele
eigenschappen, en een aparte schepping is in het lichaam, hoe kan het dan
dat kinderen in vele opzichten op hun ouders lijken? Niet op grond van een
aparte schepping.
3. WIE KENT DE GEEST
VAN DE MENS?
Met de woorden "Wie merkt
het?" stelt Salomo in Prediker 3:21 een belangrijke vraag aangaande de geest
van de mens. Hij zegt: "Wie merkt dat de geest van de kinderen der mensen
opvaart naar boven, en de geest van de beesten neerdaalt in de aarde?"
De verkondigers van de
aangeboren onsterfelijkheid van de mens bezien dit als een vast fundament en
men gaat daarop bouwen. Zij stellen ten eerste dat dit een positieve
verklaring is dat de geest van de mens opvaart, en dat de geest van de
dieren in de aarde gaat. Dan is de bovenbouw aldus gemakkelijk opgericht.
Salomo moet dan hebben geloofd dat de mens een geest had die in staat was
afzonderlijk en bewust na de dood te bestaan; deze geest stijgt in het uur
van ontbinding naar omhoog en begeeft zich in de tegenwoordigheid van God.
Daardoor overleeft hij de dood, en is tengevolge daarvan onsterfelijk.
Hierop baseren zij hun
argument, maar wij willen graag dat zij verder gaan, want de tekst spreekt
ook over de geest van de beesten, daarover moet ook worden beschikt. Als de
geest van de mens, omdat hij hem verlaat en naar boven gaat, leeft, is dan
de geest van de beesten, als die zich van het lichaam scheidt en neerdaalt
in de aarde, niet ook levend?
De aanvaarde veronderstelling
dat de geest van de mens opstijgt, bewijst niets ten aanzien van de
onsterfelijkheid, evenmin als het feit dat de geest van de dieren neerdaalt
in de aarde een bewijs is van hun onsterfelijkheid. Maar als de geest van de
dieren de doodslag overleeft, dan bezitten alle dieren evenveel
onsterfelijkheid als de mens.
Maar, is het woord 'geest' dat
op de dieren werd toegepast in de originele vorm niet een ander woord dan
het woord 'geest' dat werd toegepast op de mensen? Neen, beide stammen van
hetzelfde originele woord 'ruahh' het woord dat in het Oude Testament in
alle gevallen vertaald is als 'geest'. Een dier heeft dezelfde geest als de
mens.
Maar verder, als deze tekst
verklaart dat de geest van de mens opstijgt naar God, dan blijkt daaruit dat
zonder onderscheid over 'alle' mensen wordt gesproken. Dan komen weer
vragen op ten aanzien van de geesten van de goddelozen, waarom gaan zij naar
God?
Om een juist inzicht te
krijgen aangaande Pred. 3:21 is een kort onderzoek van de samenhang
noodzakelijk. In vers 18 geeft Salomo uitdrukking aan het verlangen dat de
mensenkinderen mogen zien dat zij gelijk de 'beesten' zijn - hierdoor wilde
hij niet te verstaan geven dat de mens in geen enkel opzicht boven een beest
uitmunt; want geen normaal mens of hij geïnspireerd is of niet, zal zo iets
van de mens zeggen, gezien zijn volmaaktere bouw, zijn verstandelijke
vermogens, zijn zedelijke natuur en bovenal, zijn toekomstige gelukkige
staat, als hij een rechtvaardig leven leidt. Hij bedoelt eenvoudig, zoals in
vers 19 duidelijk wordt uitgedrukt dat in één opzicht, namelijk hun
lichamelijk gestel en hun ontbinding in de dood, de mens niet uitmunt boven
de beesten.
"Want," zegt hij, "wat de
kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook de beesten, en enerlei
wedervaart hun beiden; gelijk die sterft (hier is het punt van
overeenkomst) alzo sterft deze, en zij allen hebben een adem (ruahh) en de
uitnemendheid van de mensen (in dit opzicht) boven de beesten is er niet,
want allen zijn zij ijdelheid." Zij gaan allen naar dezelfde plaats (is die
plaats in de hemel? en is dit een verklaring dat allen, mensen en dieren
daarheen gaan?), zij zijn allen uit stof, en zij keren allen weer tot stof.
Aldus duidelijk afgebakend en
beslist is de leer van Salomo ten aanzien van hun 'dierlijk' leven hier op
aarde, en hun toestand in de 'dood', mensen en dieren zijn precies gelijk.
En kunnen wij nu veronderstellen dat, nadat hij zo duidelijk zijn mening
over deze kwestie heeft uitgedrukt, hij in de volgende zin dit alles
tegenspreekt en verklaart dat in de dood wel een verschil bestaat tussen
mensen en dieren? dat de mensen een voorrecht bezitten? dat allen 'niet'
naar één plaats gaan? dat hun geest in bewuste staat opstijgt naar God, en
de geest van de dieren neerwaarts in de aarde om daar om te komen? Dit zou
de wijste man die ooit leefde, tot de domste redenaar maken die ooit een
pen op papier heeft gezet.
Hoe moeten wij zijn woorden in
vers 21 dan bezien? Antwoord: Bezie ze als een vraag of de geest van de
mens opstijgt en de geest van de dieren neerwaarts daalt, zoals sommigen
beweren die gekant zijn tegen de zienswijzen die hij leerde. Dit stelt de
kwestie in een geheel ander licht, en redt Salomo voor het zichzelf
tegenspreken; maar helaas voor de immaterialist, wordt daardoor het stelsel
van de onsterfelijkheid dat hij daarop fundeert omver geworpen.
In de heidense wereld
overheerste de gedachte dat de geest van de mens na de dood opstijgt om bij
hun goden intrek te nemen (dit is de grondslag van de heidense mythologie) ,
maar dat de geest van de dieren in de aarde neerdaalt. Het was slechts een
voortplanting van een oude leugen die in het paradijs werd verteld;
"Gijlieden zult de dood niet sterven, maar u zult als God wezen."
Salomo weerspreekt deze mening
door te zeggen, dat de dood mensen en dieren in dezelfde toestand brengt.
Daarom vraagt hij: "Wie weet dat de tegengestelde heidense leer waar is,
namelijk dat de geest van de mens opvaart en die van de dieren neerdaalt?"
Hij verklaarde dat overeenkomstig Gods oorspronkelijk oordeel, "U zult de
dood sterven,"zij allen naar één plaats gingen - nu vraagt hij een bewijs,
als dat er is, dat aantoont dat de tegengestelde leer waar is. Zo deed hij
de heidense leer teniet door een bewijs te vragen van iets, waarvan geen
bewijs bestaat. Alleen door verdraaiing van Gods woord konden zij een
leer in stand houden waarvan Salomo wilde aantonen dat die onjuist was en
verworpen moest worden.
4. DE GEEST AANBEVELEN AAN
GOD
Een andere reeks van
uitdrukkingen waarin het woord 'geest' voorkomt kan hier terecht behandeld
worden. De eerste vindt men in Psalm 31:6 waar David zegt: "In Uw handen
beveel ik mijn geest." En onze Zaligmaker sprak dezelfde woorden toen Hij de
adem uitblies aan het kruis. Hij zei: "Vader, in Uw handen beveel ik Mijn
geest." Luk. 23:46. En het gebed van de lippen van de stervende martelaar
Stefanus luidde: "Here Jezus! ontvang mijn geest." Hand. 7:59.
Wat wilden David en onze Here
Jezus toevertrouwen aan de zorg van God? Wat gaf Stefanus aan zijn
Zaligmaker? Onze vrienden hebben hun antwoord gereed: "Een bewustzijnd
bestanddeel; het levende en onsterfelijke deel van de mens; want iets anders
kan niet aan God worden overgedragen."
Kan iemand zijn geest
aanbevelen aan God? Kan hij ook de bescherming van zijn leven opdragen aan
God? In Psalm 64:2 bad David aldus: "Behoed mijn leven voor des vijands
verschrikking." Jona bad: "Here, neem toch mijn ziel van mij; want het is
mij beter te sterven dan te leven." Jona 4:3.
Christus zegt: "Ik stel Mijn
leven voor de schapen " Joh. 10:15 en in Joh. 13:38 vraagt Hij Petrus: "Zult
u uw leven voor Mij zetten?" Verder verklaart Christus in Joh. 10:18 macht
te bezitten het leven af te leggen en weer op te nemen. Hieruit blijkt dat
ons 'leven' iets is dat wij aan God kunnen toevertrouwen om te bewaren; het
kan van ons weggenomen worden; wij kunnen het opnemen of neerleggen.
Maar als de geest, zoals wordt
beweerd, na de dood blijft leven in een bewuste staat en honderdvoudig
actiever, bekwamer, intelligenter en vrijer is als voordien, waarom wordt
die dan in het uur van de dood, meer dan op enig ander moment in het aardse
leven, Gode aanbevolen? Is daartoe een reden?
Beginnend met een
eeuwigdurend, hoger leven moet het veel beter in staat zijn voor zichzelf te
zorgen dan in de aardse toestand. De uitdrukking zelf bewijst dat degenen
die dit zeiden iets aan de Maker wilden toevertrouwen dat op het punt stond
hun ontnomen te worden; dat zij iets in Zijn handen wilden leggen om te
bewaren totdat zij weer uit de onbewuste staat en inactiviteit waarin zij
terecht kwamen zouden terugkeren.
En wat stonden zij op het punt
te verliezen? - Hun leven, en wanneer het leven door Gods volk aldus aan Hem
wordt opgedragen, waar is het dan? "Verborgen met Christus in God." Kol.
3:3. En wanneer zal de gelovige dat weer terug ontvangenen? - "Als Christus
zal verschijnen, die ons leven is." Vers 1, Kol. 4.
Dan zal Stefanus datgene van
Zijn Here ontvangen dat hij, toen hij stervende was, aan Hem toevertrouwde.
Dan zullen zij die om Christus' wil hun leven hebben verloren niet alleen
hun lichamen maar ook het leven terug ontvangen en in de komende wereld voor
eeuwig bezitten.
5. DE GEESTEN VAN DE
RECHTVAARDIGEN VERVOLMAAKT
"Maar gij zijt gekomen tot de
berg Zion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de
vele duizenden der engelen; Tot de algemene vergadering en de gemeente der
eerstgeborenen die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter
over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen; En tot de Middelaar
des nieuwen testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere
dingen spreekt dan Abel." - Hebreeën 12:22-24.
Met een groot vertoon van
geloof, hetzij geveinsd of echt, brengen de verkondigers van de
onsterfelijkheid van de mens deze teksten naar voren om hun standpunt te
bewijzen. Het gedeelte van het voorgaande citaat waarop zij hun theorie
baseren is de uitdrukking ' de geesten van de volmaakte rechtvaardigen,' die
zij als een verklaring en bewijs zien, dat de geesten van de mensen bij het
sterven worden bevrijd, en daarna volmaakt worden gemaakt of verheerlijkt in
de tegenwoordigheid van God in de hemel. Een nader onderzoek van deze
woorden zal iedereen aantonen dat zulk een verklaring in de tekst niet
gevonden wordt en dat een dergelijke conclusie daaruit niet getrokken kan
worden.
Dat Paulus hier de zegeningen
van de gelovigen van deze bedeling vergelijkt met die van de Joden onder de
vorige bedeling, zal door geen van beide partijen worden ontkend. "U bent
niet gekomen tot de tastbare berg (de Sinaï) en het geluid van de bazuin",
enz. dat is tot het stelsel van zinnebeelden en ceremoniën door Mozes aan
de Sinaï ingesteld, waarvan menselijke priesters de bedienaars waren, en het
Oude Jeruzalem de plaatsvervangende stad;"maar u bent gekomen tot de berg
Zion, tot het Nieuwe Jeruzalem, tot Jezus, de goddelijke Hogepriester, en
tot Zijn voortreffelijke offerande."
Deze dingen, tot wie wij
gekomen zijn, zijnde meer uitnemende zegeningen van het evangelie dan die
onder de vorige bedeling genoten werden. Maar waar en hoe komt het feit
naar voren, als zijnde één van de zegeningen, dat de mens een geest heeft
die na de dood in een bewuste staat verder leeft, en volmaakt wordt door de
ontbinding van het lichaam. De uitdrukking "geesten der volmaakte
rechtvaardigen" bewijst, op zich zelf genomen, niets: want men kan even
gemakkelijk stellen, dat zij in de toekomst volmaakt zullen worden, zonder
hen leven toe te kennen in de tijd die tussen dood en de opstanding ligt.
Het enige bewijs dat hier gevonden kan worden, ligt dan in het feit dat wij
'gekomen zijn' tot deze geesten. Dit wordt aanvaard als een bewijs dat zij
geesten buiten het lichaam zijn, die bij bewustzijn zijn. Dan vragen wij;"
Hoe komen wij tot deze geesten van de volmaakt rechtvaardigen, en wat
betekent die uitdrukking?"
Het is niet moeilijk te
bepalen hoe wij 'komen' tot alle andere onderwerpen die door Paulus in de
drie verzen worden genoemd; maar hoe wij volgens het populaire denkbeeld ten
aanzien van die uitdrukking, tot de geesten der volmaakte rechtvaardigen
moeten komen, is niet zo duidelijk. Als wij ons niet vergissen zal, om een
redelijke verklaring te kunnen geven, de huidige zienswijze gewijzigd
moeten worden.
Laten wij eens zien: "U bent
of liever gezegd WIJ, gezien Paulus de zegeningen op het oog heeft die
gedurende de evangelische bedeling genoten worden, zijn gekomen tot de berg
Zion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem."Dit wil
zeggen dat wij in deze bedeling niet langer uitzien naar het Oude Jeruzalem
als het centrum van onze aanbidding, maar dat wij opzien naar boven, naar
het nieuwe Jeruzalem, waar het heiligdom en de Priester van deze bedeling
zich bevinden. In die zin komen wij tot Hem.
"En tot een ontelbare schare
van engelen." Engelen zijn de medewerkers van onze Here in Zijn werk dat Hij
als Middelaar voor een ieder van Zijn volk verricht. Dan. 7:10. De engelen
worden uitgezonden om diegenen te dienen die de zaligheid deelachtig zullen
worden. Hebr. 1:14. Zij zijn daarom meer betrokken bij het welzijn van de
gelovigen in deze bedeling dan in de oude. In die zin zijn wij dus tot 'hun'
aanwezigheid en dienstwerk gekomen.
"Tot de algemene vergadering
en de gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn."
Hebr. 12:23. Dit wil zeggen, dat wij nu in de tijd leven waarin gelovigen
van alle nationaliteiten, wier namen opgetekend staan in het boek des levens
van het Lam, een algemene vergadering of 'een' gemeente vormen. Om het volk
van God te vinden, behoeven wij niet de Joodse geslachtsregisters na te
gaan; wij moeten die zoeken in het verslag in de hemel. God gaat nu een
verbond aan met personen en niet met een natie. Wij zijn dus in een bedeling
gekomen tot de algemene vergadering, de gemeente van de eerstgeborenen.
"En tot God de Rechter over
allen." Door de bemiddeling van Zijn Zoon, naderen wij direkt tot God. De
uitdrukking, 'de geesten van de volmaakte rechtvaardigen,' een moment
overslaand) lezen wij vervolgens: - "En tot Jezus, de Middelaar van het
Nieuwe Testament."
Wij komen nu tot Jezus, de
ware Middelaar, in plaats van tot het zinnebeeldige priesterschap van de
vorige bedeling, dat slechts een symbool van het ware was. "En tot het bloed
der besprenging, dat betere dingen spreekt dan dat van Abel." Dit wil zeggen
dat het bloed dat Jezus voor ons vergoot nu als een betere offerande geldt,
en onze zonden wegneemt, inplaats van het bloed van dieren, dat die zonden
alleen zinnebeeldig wegnam.
Het zal een ieder duidelijk
zijn, hoe wij in deze bedeling tot al deze dingen 'komen'; dat dit de
voorrechten en zegeningen van het evangelie zijn, buiten hetgeen in de
vorige bedeling gegeven werd. Maar, als de uitdrukking 'de geesten der
volmaakte rechtvaardigen' in de populaire zin zou betekenen dat het geesten
zonder lichamen zijn, hoe kan dit dan als een zegen van deze bedeling worden
bezien? Dit zouden wij graag van onze vrienden willen horen. In welk
opzicht is onze verhouding tot onze dode vrienden, de veronderstelde
geesten van de gestorvenen, door het evangelie veranderd? Als er enige
betekenis ligt in de zin van hoe wij meer dan voordien tot 'hen' komen,
willen wij dit graag weten.
Spiritisten zullen dit
misschien blijven beweren, maar zelfs dit kan niet standhouden; want volgens
hun opvatting, komen onze dode vrienden tot ons, wij gaan niet naar hen.
Maar nog eens: wanneer komen wij het nauwst in contact met de geest van een
mens? Is het wanneer, naar wordt verondersteld, de geest geen lichaam meer
bezit en 'ver weg' is gegaan om in de tegenwoordigheid van God te
verblijven, en niets meer te maken heeft met hetgeen onder de zon geschiedt?
Prediker 9:6. Is het niet veeleer in dit leven, als de geest van een mens
door de ogen van die persoon ons ziet, met zijn mond tot ons spreekt, en ons
met zijn handen aanraakt? Is er buiten de rijen van de spiritisten, iemand
die zegt dat wij nauwere banden hebben met een geest die zich buiten het
lichaam bevindt dan wanneer die in het lichaam is? Het overdenken van dit
punt moet een ieder overtuigen dat de gedachte van 'komende' tot de geesten
der volmaakte rechtvaardigen niet van toepassing kan zijn op geesten buiten
het lichaam.
Verder dient te worden
opgemerkt dat de tekst niet spreekt over het rechtvaardig maken van geesten,
maar over mensen die rechtvaardig gemaakt worden. Wanneer, vragen wij,
worden mensen dan volmaakt? In zekere zin geschiedt dit reeds in dit leven
door de rechtvaardigmaking door het bloed van Christus en de heiligmaking
door Zijn Geest; en zij worden in een absolute zin volmaakt gemaakt, Hebr.
11:40, als zij de uiteindelijke verheerlijking ondergaan en hun sterfelijke
lichamen gelijkvormig worden gemaakt aan het verheerlijkte lichaam van
Christus. Fil. 3:21.
Als deze tekst naar deze
laatste vervolmaking verwijst, dan wordt hij na de opstanding vervuld en
vervalt elk bewijs van een onafhankelijk, bewust bestaan van de geest die
van het stoffelijk omhulsel bevrijd is. Als hij verwijst naar de
rechtvaardigen, dan is hij van toepassing op de levenden en niet op de
doden. Hij moet of op de een of op de ander van toepassing zijn en
onverschillig hoe hij toegepast wordt, hij bewijst niets ten aanzien van een
bewuste geest zonder lichaam. Daarom faalt hij volkomen als bewijs voor het
doel waarvoor hij geciteerd wordt.
In dit verband, kan hij alleen
worden toegepast op de huidige staat, op mensen in dit leven, op een
bijzondere zegen van het evangelie, op de rechtvaardigmaking en heiligmaking
die de gelovige nu ervaart door Christus. En in die zin is het gemakkelijk
te zien hoe wij daartoe komen, en tot alle andere dingen die Paulus noemt.
Wij ervaren deze zegen zelf in de gemeenschap en broederschap met degenen
die deze zegen ook bezitten.
6. DE GEESTEN IN DE
GEVANGENIS
"Want Christus heeft ook eens
voor de zonden geleden. Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij
ons tot God zou brengen; Die wel gedood is in het vlees, maar levend gemaakt
door de Geest; in welke Hij ook, heengegaan zijnde, de geesten, die in de
gevangenis zijn gepredikt heeft. Die eertijds ongehoorzaam geweest waren,
toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl
de ark in gereedheid werd gebracht, waarin weinige (dat is acht) zielen,
behouden werden door het water." 1 Petr. 3:18-20.
De voorstanders van de leer
van de aangeboren onsterfelijkheid, vonden snel hun weg tot deze tekst.
Hier, beweert men, is sprake van 'geesten' die van het lichaam gescheiden
zijn; want het waren de geesten van mensen die vóór de zondvloed geleefd
hebben; en zij waren levend en verstandig, want zij konden luisteren naar de
prediking van Christus, Die door Zijn bewuste geest tot hen sprak terwijl
Zijn lichaam in het graf lag, en naar hun gevangenis ging en tot hen
predikte.
Laten wij eens zien welke
conclusies de populaire uitlegging uit dit gedeelte trekt, zodat wij die
beweringen aan de Schrift kunnen toetsen. Aangenomen wordt:
1. Dat dit geesten zonder
lichamen waren, geesten van verdorven mensen; want zij waren in de dagen
van Noach ongehoorzaam en kwamen om in de zondvloed.
2. Om die reden bevonden zij
zich in een plaats van bestraffing, de plaats waarnaar de populaire
theologie dergelijke geesten onmiddellijk na hun aardse bestaan verwijst, -
de brandende, onuitblusbare hel van vuur en sulver.
3. De geest van Christus
begaf zich in die hel om tot hen te prediken.
Dit zijn beweringen die van
onwaarschijnlijkheden bevrijd en in overeenstemming moeten worden gebracht
met de Schriften, voordat men deze teksten als bewijs kan aanhalen.
Maar de veronderstelling van
zulk een onwaarschijnlijke daad, dat Christus naar deze geesten ging om
onder dergelijke omstandigheden tot hen te prediken, doet onmiddellijk de
vraag opkomen waarom Christus zich de moeite getroostte om ongeveer 2400
jaren na de zondvloed in de hel te gaan en tot die groep te prediken; welke
boodschap kon Hij hen brengen?
De dag van hun proeftijd was
voorbij; zij konden niet meer door enige evangelieboodschap geholpen worden;
waarom dan tot hen prediken? Zou Christus naar hen toe zijn gegaan om hen
te bespotten door het beschrijven van de zegeningen die zij nooit zouden
ontvangen, of om bij hen de hoop op te wekken dat Hij hen vrijheid zou
schenken, die Hij niet van plan was te geven?
Deze overwegingen vallen
gelijk een machtige sneeuwlawine op de weg van de gebruikelijke uitlegging.
Die gedachte wordt bezien als een bijna onoverkomelijk bezwaar en vele
uitvluchten worden bedacht om daaraan te ontkomen. Iemand stelt dat het
woord 'prediken' niet noodzakelijkerwijs prediken van het evangelie
betekent, hoewel het in vrijwel elk voorbeeld van het gebruik van dit woord
in het Nieuwe Testament, de prediking van Christus en Zijn apostelen
beschrijft; maar dat Christus daar naar toeging Om de verlorenen te
verkondigen dat Zijn lijden voltooid en dat de profetieën aangaande Hem
vervuld waren. Maar wat is de bedoeling daarvan?
Welke uitwerking zou dit
hebben op hun toestand? Was dit om hun pijn te verscherpen door hen hun
miserabel lot dubbel te laten gevoelen? En waren er in de hel niet voldoende
duivels om dat werk te doen, zonder de noodzaak dat Christus zulk een
spookachtige taak zou verrichten in de tijd tussen Zijn sterven en Zijn
opstanding voor onze rechtvaardiging?
Iemand anders denkt dat het
geesten waren van degenen die berouw toonden gedurende de 40 dagen van de
zondvloed, dat zij gered zijn en zich in het paradijs bevinden in een
afdeling van de onderwereld waar de geesten van de goeden worden bewaard
(het Elysium, in feite een oude heidense leer) maar dat zij nog steeds
ongelukkig waren omdat zij omgekomen waren, (dat is zij verloren hun
lichamen) onder het goddelijk oordeel en dat hen nu door Jezus gezegd werd
dat hun berouw aanvaard was.
Zulke uitvluchten tonen de
vertwijfelde uitersten aan waartoe de populaire verklaarders van dit
gedeelte worden gedreven, en steun een troost verlenen aan de opvatting van
een loutering door het vagevuur.
Anderen erkennen openlijk dat
zij niet kunnen zeggen wat, en evenmin waarom Christus in de hel predikte.
Maar er zijn er die zeggen dat het geen verschil maakt of wij al dan niet
kunnen zeggen dat Hij predikte of waarom Hij predikte, nu wij de zekerheid
hebben dat Hij daarheen ging en predikte. Zou het niet beter zijn, nu wij de
zekerheid hebben dat Hij predikte, te concluderen dat Hij predikte op een
moment toen Zijn prediking nog tot een zegen kon zijn, in plaats van in een
tijd waarvan wij weten dat zij er geen voordeel mee konden behalen; en ook
nooit zouden hebben?
De hele kwestie draait om de
vraag:"Wanneer werd dit werk der prediking verricht?"Sommigen zullen zeggen:
"Terwijl zij in de gevangenis waren, hetgeen wil zeggen dat zij dood waren
en dat daaruit blijkt dat de doden in een bewuste staat leven en dat tot hen
gepredikt kan worden." Dan, antwoorden wij, kunnen de doden ook baat hebben
bij die prediking en tot berouw worden geleid; dan is men gedwongen de leer
van het Roomse vagevuur in zijn belijdenis op te nemen; en niet alleen dit
maar erger nog dan het Roomse vagevuur, wordt daardoor de moderne leer van
een aanbod van genade na de dood ondersteund.
Maar, bevestigt de tekst dat
deze prediking werd gericht tot de geesten terwijl zij in de gevangenis
waren? Kan het niet zijn dat deze prediking plaatsvond in een voorgaande
periode voordat de personen waarover Petrus schreef, inmiddels gestorven of
met andere woorden, toen dood waren?
Maar in welke betekenis
bevonden zij zich in de gevangenis? - In dezelfde betekenis waarin van
mensen, die in geestelijke dwaling en duisternis verkeren, gezegd wordt dat
zij zich in de gevangenis bevinden. Jes. 42:7 - "Om te openen de blinde
ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het
gevangenhuis, die in duisternis zitten."
De prediking was ongetwijfeld
gericht tot de mensen van voor de zondvloed. Maar waarom zou Christus,
volgens de algemene opvatting, alleen deze klasse hebben uitgezocht om
ongeveer 2400 jaar later in de hel tot hen te prediken? Die bewering is
geforceerd, onnatuurlijk en absurd. De prediking die zij hoorden werd door
Noach verricht, die door de kracht van de Heilige Geest (1 Petr. 1:12) hen
een waarschuwende boodschap bracht. Als wij naar deze prediking verwijzen is
alles in overeenstemming en duidelijk. De prediking van Noach was de
prediking van Christus.
En Jesaja 61:1 zegt: "De Geest
des Heren is op Mij omdat de Here Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap
te brengen de zachtmoedigen: Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de
gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de
gebondenen opening van de gevangenis."
Christus zelf verklaarde
(Luk.4:18-21) dat dit Schriftgedeelte was vervuld door Zijn komst tot
degenen hier op aarde die in duisternis en dwaling en onder de heerschappij
van de zonde verkeerden. Zo bevonden ook mensen voor de zondvloed zich onder
het oordeel van de verdoemenis. Hun dagen waren beperkt tot honderd en
twintig jaren; en hun enige weg tot ontkoming berustte op het aanvaarden van
de prediking van Noach. Deze prediking wordt Christus toegeschreven, omdat
Zijn Geest op Noach rustte. Noach was Zijn plaatsvervanger en volgens het
Latijnse spreekwoord: 'Qui facit per alium, facit per se,' die iets doet
door middel van een ander, doet het zelf, wordt de prediking van Noach
daardoor, de prediking van Christus.
Maar in welk opzicht bevonden
zij zich in de gevangenis? In dezelfde zin als van mensen die in dwaling en
duisternis verkeren gezegd wordt dat zij zich in de gevangenis bevinden.
Jes. 42:7. "Om de blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te
leiden, uit de gevangenis wie in duisternis gezeten zijn." Ook Jes. 61:1.
"De geest des Heren is op mij, omdat de Here mij gezalfd heeft; Hij heeft
mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te
verbinden de gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te
roepen en voor gebondenen opening der gevangenis."
Christus zelf verklaarde
(Luk.4:18-21) dat dit Schriftgedeelte werd vervuld in Zijn zending tot
degenen die hier op aarde in duisternis en dwaling verkeerden, en onder de
heerschappij van de zonde. Zo waren de mensen voor de zondvloed opgesloten
onder het oordeel van de verdoemenis. Hun dagen werden beperkt tot 120 jaar
en hun enige mogelijkheid om te ontsnappen was door de prediking van Noach.
Gen. 6:3.
Dit ten aanzien van de geesten
tot wie gepredikt werd. Maar voorts, beweren wij dat Christus' geest nergens
heen is gegaan en evenmin tot iemand gepredikt heeft, terwijl Hij in het
graf lag. Als Christus' geest, het ware wezen, het goddelijk deel, niet aan
het kruis gestorven is hebben wij –
1. slechts een menselijk offer
als offerande voor onze zonden, en dan is de godslasterlijke bewering van de
spiritisten waar, die zeggen dat het bloed van Christus niet meer waard is
dan het bloed van enig mens:
2. dan heeft Christus niet
beantwoord aan de profetie die zegt dat Hij Zijn ziel in de dood tot een
schuldoffer zou stellen; dan is Christus' gezegde:"Mijn ziel is bedroefd tot
in de dood toe," ook zonder enige betekenis geweest, Matth.
26:38;
3. de tekst zegt, dat Christus
levend werd gemaakt door de geest (1 Petr. 3:18), tussen Zijn dood en
herleving wordt Hem geen handeling toegeschreven; daarom is de bewering dat
Hij gedurende Zijn verblijf in het graf leefde en actief was niet meer dan
een veronderstelling. Er is geen twijfel dat de 'herleving' die hier naar
voren wordt gebracht Zijn opstanding was.
7. EEN GEEST HEEFT GEEN
VLEES EN BEENDEREN
Er zijn nog een paar andere
teksten die het woord 'geest' bevatten, en terecht kan een verklaring
aangaande dit punt naar voren worden gebracht.
Lukas 24:29: "Ziet Mijn
handen, en Mijn voeten, want Ik ben het zelf; tast Mij aan en ziet, want een
geest heeft geen vlees en beenderen, gelijk u ziet dat Ik heb." Deze woorden
sprak Christus toen Hij bij een gelegenheid Zijn discipelen ontmoette na
Zijn opstanding; en omdat Hij toen een geestelijk lichaam bezat dat gegeven
is bij de opstanding, wordt beweerd dat Zijn woorden het bestaan bewijzen
van geesten die in de algemene zin absoluut geen lichaam bezitten. Maar wij
vragen: wat meenden de discipelen te zien? - Vers 37 verklaart: "Zij
meenden dat zij een geest zagen." Dit komt nauwkeurig overeen met hun
gedrag toen, tijdens een andere gelegenheid, Christus op de zee naar hen
toewandelde (Matth. 14: 26; Mark. 6:49) en zij bevreesd waren en schreeuwden
"menende dat het een geest was."
De Bijbel heeft nergens de
gedachte opgewekt dat fantomen of spoken werkelijk bestaan; maar de
verbeeldingskracht en het bijgeloof van de menselijke geest hebben altijd
overvloedig tot zulke begrippen bijgedragen. De discipelen kenden
natuurlijk de algemene opvattingen aangaande deze kwestie; en toen de
Verlosser plotseling in hun midden verscheen, binnenkomende zonder de
deurklink op te lichten of een zichtbare opening te maken, gelijk
geestelijke lichamen in staat zijn te doen, was hun eerste gedachte de
bijgelovige gedachte - van een spook of verschijning te zien en zij waren
bang.
Toen nu Jezus, om hun vrees te
kalmeren, zei dat een geest geen beenderen heeft, gebruikte Hij kennelijk
het woord 'geest' in die zin van de opvatting die zij ermee verbonden,
namelijk die van een spook. Hij was geen geest zoals zij veronderstelden;
want een 'geest' zoals zij die toen beschouwden in de betekenis van een
'fantoom' had geen vlees en beenderen gelijk Hij had.
8. NOCH
ENGEL NOCH GEEST
Handelingen 23:8: "Want de
Sadduceën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de
Farizeeën belijden beide."Paulus verklaarde in vers 6 een Farizeeër te
zijn; en door te vertellen wat zij geloofden (vers 8) wordt beweerd dat
Paulus zich duidelijk schaarde aan de kant van degenen die geloven in een
afzonderlijk, bewust bestaan van de geest van de mens. Maar zegt deze tekst
dat de Farizeeën iets dergelijks geloofden?
Drie uitdrukkingen worden
gebruikt om te vertellen wat de Sadduceeën NIET geloofden, 'opstanding,
engel, en geest.' Maar als het geloof van de Farizeeën wordt verklaard,
worden deze drie verminderd tot twee: De Farizeeën beleden 'beide.' Beide
betekent slechts twee, geen drie. Welke twee van de drie uitdrukkingen
worden samengevat om het geloof van de Farizeeën te beschrijven?
Klaarblijkelijk de woorden 'engel en geest' want zij geloofden dat er in de
onzichtbare wereld engelen en geesten waren, maar geen menselijke geesten
zonder lichaam, omdat zij geloofden in de 'opstanding' waarin alleen
menselijke wezens tot leven worden gebracht.
Op het hier beschreven voorval
wordt een beroep gedaan om te trachten de apostel Paulus te scharen aan de
kant van de populaire opvatting dat er menselijke geesten zonder lichaam in
bewuste staat in de geestenwereld bestaan. Maar voordat dit gedaan kan
worden, moet worden aangetoond dat de Farizeeën zulk een geloof omhelsden,
en dat de apostel zich in dit opzicht als Farizeeër beschouwde.
Maar wij vrezen dat geen van
deze punten bewezen kan worden; want als zij dit hadden geloofd, zouden zij
niet hebben geloofd aan de leer van de 'wederopstanding.'
Uit vers 6 blijkt dat Paulus
zich alleen in zoverre als Farizeeër bezag voorzover dit deel uitmaakte van
hun opvatting aangaande de opstanding van de doden. Dit wordt duidelijk
uitgedrukt door de wijze waarop hij zijn twee bevestigingen samenvoegt: '"Ik
ben een Farizeeër, eens Farizeërszoon; ik word over de hoop en opstanding
der doden geoordeeld." Vers 6.
Hij was geen Farizeeër in de
brede betekenis van het woord; want hij was een christen en vanuit
theologisch oogpunt bezien, absoluut geen jood. Nu, wat de Farizeeën geloofd
mogen hebben aangaande de geesten, heeft dit voorzover het dit verslag
betreft, in geen enkel opzicht iets te maken met de apostel. Doch er is geen
bewijs dat zij geloofden in menselijke geesten zonder lichaam.
Toen zij zeiden: (vers 9) "En
indien een geest of engel tot hem gesproken heeft," verwezen zij
ongetwijfeld naar zijn ervaring op de weg naar Damascus, die zij kenden, en
gebruikten deze twee woorden als bijvoegsel. Een stem uit de hemel had hem
geroepen. Hij beweerde niet dat het een engel was. Er waren andere
geestelijke wezens in de hemel naast de engelen, waarvan zij niet
veronderstelden dat het menselijke wezens zonder lichamen waren; daarom
zeiden zij: "Indien een geest of een engel tot hem gesproken heeft."
Dit voorval voorziet derhalve
niet in een ondersteuning van de algemene opvatting ten aanzien van de
doden, want de gehele voorafgaande kwestie had niets te maken met de
toestand van de mens in de dood, maar betrof de opstanding van de doden.
9. VERNIETIG VLEES -
REDT DE GEEST
1 Cor. 5:5; "Dezulken over te
geven aan de satan, tot verderf des vleses, opdat de geest behouden moge
worden in de dag van de Here Jezus." Hoewel deze tekst wordt geciteerd om
een apart, bewust bestaan van de geest van de mens tussen de dood en de
opstanding te bewijzen, kan het de lezer niet ontgaan dat het moment waarop
de geest is gered, de dag des Heren Jezus is, als de opstanding plaatsvindt.
Deze tekst bewijst daarom
niets, aangaande de toestand van de geest in de voorgaande tijd; en
voorzover het ons betreft, zouden wij dit met deze opmerking kunnen
afronden; doch enkele woorden meer zouden ertoe kunnen bijdragen de tekst
voor verdere problemen te vrijwaren.
Wat wordt bedoeld met de mens
over te geven aan Satan? en wat is het verderf van het vlees? Satan is de
god van deze wereld; en als iemand een vriend van deze wereld is, bevindt
hij zich aan de zijde van Satan en is een vijand van God.
De gemeente is het lichaam van
Jezus, en behoort Hem toe. Iemand die de daden verricht waarover in dit
hoofdstuk gesproken wordt, moet van dat lichaam gescheiden worden, en
teruggegeven worden aan de wereld. Hij is dan overgeleverd aan Satan. Dit is
tot verderf van het vlees. Het woord vlees wordt vaak gebruikt in de
betekenis van wereldse geest. Gal. 5:19-21.
De geestelijk gezinde mens
heeft het vlees gekruisigd en vernietigd. Maar iemand die naar het eeuwige
leven verlangt, begrijpt dat als hij uitgesloten is uit de gemeente des
Heren en terug geplaatst is in de wereld, dat is het koninkrijk van Satan,
hij om het eeuwige leven te verkrijgen de verdorven geest opzij moet zetten,
voordat hij de hoop op eeuwig leven deelachtig kan worden. Als hij dit doet,
dan wordt hij weer geestelijk gezind, wordt opnieuw met het lichaam van
Christus verbonden; en de oude mens, het vlees vernietigd zijnde, zal als
geestelijk gezinde mens op de dag des Heren gered worden.
Naar wij zien wordt de geest
gebruikt in tegenstelling tot het vlees, de een duidt op een mens in
geestelijke staat, het andere op een wereldse staat. Om met iemand te
handelen, gelijk hier de apostel voorschrijft, hem uit te sluiten uit de
gemeente totdat hij zijn zonden erkent en berouw heeft, is vaak de enige weg
om hem te redden.
Op de dag des Heren Jezus
wordt een mens die zijn lichaam heeft laten vormen naar het verheerlijkte
lichaam van Christus, niet vernietigd. De vernietiging waarover in 1 Cor.
5:5 gesproken wordt kan daarom niet duiden op een letterlijke vernietiging
van het lichaam. De ware toestand die de apostel wilde bereiken wordt
uitgedrukt in Rom. 8:10. "En indien Christus in ulieden is, zo is wel het
lichaam dood om der zonden wil, maar de geest is leven om der gerechtigheid
wil."