Wat wordt bedoeld met de
woorden 'ziel' en 'geest' die op de mens worden toegepast? Degenen die
geloven in een onvoorwaardelijke onsterfelijkheid wijzen triomfantelijk op
het feit dat de uitdrukkingen 'ziel' en 'geest' toegepast zijn op menselijke
wezens. Op basis daarvan achten zij deze vraag als zijnde opgelost en werpen
daarmee een onoverkomelijke scheidsmuur op tegen elke verdere discussie. Dit
is het gevolg van een niet grondig onderzoeken van deze kwestie en niet
willen inzien dat al hetgeen wij in deze aangelegenheid vragen is, de
algemene verklaring van deze woorden te geven.
Wij loochenen niet dat de mens
een 'ziel' en een 'geest' bezit. Wij vragen alleen of onze vrienden ons
willen aantonen dat de Bijbel de ziel en de geest, de betekenis toekent die
de moderne theologie daaraan gegeven heeft. Zij voorzien dan in de opheffing
van een tot dusver bestaand gebrek aan inzicht waardoor deze onderlinge
verdeeldheid voor altijd verdwijnt. Het probleem is dat de mensen aan de
heidense filosofie en aan hun eigen verbeeldingskracht het begrip ontlenen
van een onstoffelijk, onsterfelijk wezen en dat ziel noemen. Als zij zien
dat die uitdrukking in de Bijbel wordt gebruikt, geven zij daarvan hun eigen
definitie en stellen dat daarmee de vraag opgelost is. Dit is niet alleen
onlogisch, maar ook onjuist.
Wat vertellen de theologen ons
aangaande de betekenis van deze woorden? Zij zeggen: "Ziel, het levende,
onstoffelijke, actieve wezen of beginsel in de mens waardoor hij waarneemt,
herinnert, redeneert en beslist." Aangaande de geest wordt gezegd: "Een
onstoffelijk wezen of geest; in de zin waarin van God wordt gezegd dat Hij
een geest is, gelijk de engelen en de menselijke ziel." Aangaande de mens
wordt gezegd: "De onmisbare delen van de mens die door God geschapen werden
zijn twee: lichaam en ziel. Het ene werd uit stof gemaakt, het andere werd
hem ingeblazen." Verder wordt gezegd: "Deze ziel is een geestelijk wezen,"
en dan, zich kennelijk niet helemaal veilig gevoelend met dit een 'wezen' te
noemen waarvan gezegd wordt dat het onstoffelijk is, wordt het nog
verwarrender door daaraan toe te voegen: "Leven, onstoffelijk,
onsterfelijk."
Deze mening prikkelt tot een
grondig onderzoek. Ten aanzien van deze definitie van de 'ziel' , kan die
de lagere diersoorten niet ontzegd worden, want zij 'beseffen, herinneren,
denken en willen.' En als geest ook 'menselijke ziel' betekent komt de vraag
op: "Heeft de mens twee onsterfelijke elementen in zich?" Want de Bijbel
past beide uitdrukkingen tegelijkertijd om hem toe. Paulus zei tot de
Thessalonicensen: "En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw
geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard, in
de toekomst van onze Here Jezus Christus." 1 Thess. 5:23. Past Paulus hier
tautologie (een onnodige herhaling) toe door op de mens twee woorden toe te
passen die dezelfde betekenis hebben? Dit zou een ernstige aanval op zijn
inspiratie betekenen. Want, bezit de mens twee onsterfelijke delen, ziel en
geest? Dit zou kennelijk overdreven zijn, waar één genoeg is, zijn twee een
last. En verder, aangaande deze veronderstelling; bestaan deze twee
onsterfelijke delen hierna als twee onafhankelijke en aparte wezens?
Gezien die gedachte ongerijmd
is, blijft er nog een vraag open: "Welke van deze twee is het onsterfelijke
deel, is het de ziel of de geest?" Beide kunnen het niet zijn; en voor ons
doet het er niet toe welke daarvan gekozen wordt. Maar wij willen weten wat
aangaande die twee besloten wordt. Als gezegd wordt dat hetgeen wij 'ziel'
noemen het onsterfelijke deel is, dan moeten teksten als Prediker 12:7: "De
geest zal terugkeren tot God die hem gegeven heeft:" en Lukas 23:46 "In Uw
handen beveel ik mijn geest," enz. worden opgegeven als bewijs voor zulk een
onsterfelijk deel; want deze teksten gebruiken niet het woord 'ziel'.
Anderzijds, als beweerd wordt
dat de 'geest' het onsterfelijk deel is, dan moeten de teksten Gen.35:18:
"En het geschiedde, als haar ziel uitging, (want zij stierf); en 1 Kort.
17:21: "Laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen," worden opgegeven
als een bewijs van de onsterfelijkheid van de mens; want in geen van beiden
wordt de uitdrukking 'geest' gebruikt.
En verder, als naar wordt
beweerd, het lichaam en de ziel beide onmisbare delen van een mens zijn, hoe
kunnen zij dan los van elkaar als een afzonderlijk, bewust en volmaakt
wezen bestaan?
En nu vragen wij de lezer zijn
aandacht te vestigen op een ander verbazingwekkend feit, waarvan hem de
draagwijdte niet mag ontgaan. Wij willen weten of deze 'ziel' of 'geest'
onsterfelijk is. De Hebreeuwse en Griekse woorden waaruit zij vertaald zijn,
komen in de Bijbel zeventien honderd keer voor. Ongetwijfeld moet in deze
lange lijst op z 'n minst één keer vermeld zijn dat de ziel onsterfelijk is,
als dit haar hoge voorrecht is. Zeventienhonderd keer vragen wij of één keer
van de ziel is gezegd dat die onsterfelijk is of dat de geest onvergankelijk
is. En het onveranderlijke en overweldigende antwoord dat wij vinden is:
Niet één keer. Nergens, hoewel honderden malen gebruikt, is ooit van de ziel
gezegd dat die onsterfelijk van aard is of dat de 'geest' onvergankelijk
is. Een vreemd en onverklaarbaar feit, als de onsterfelijkheid een
onafscheidelijke eigenschap van de ziel en de geest is.
Soms wordt een poging gedaan
om de kracht van dit feit te ontwijken door te zeggen dat de
onsterfelijkheid van de ziel, evenals die van God, als vanzelfsprekend
aangenomen wordt. Wij antwoorden, de onsterfelijkheid van God wordt niet als
vanzelfsprekend aangenomen. Hoewel dit aangenomen wordt als iets
vanzelfsprekend, wordt niettemin bevestigd dat God onsterfelijk is. "De
koning der eeuwen, de onsterfelijke en onzienlijke en alleen wijze God." 1
Tim. 1:17.
"De Koning der koningen, en
Here der heren: Die alleen onsterfelijkheid heeft," enz. 1 Tim. 6:15,16.
Laten nu de verkondigers van de onsterfelijkheid van de ziel, één tekst
aanwijzen waarin wordt gezegd dat de menselijke ziel onsterfelijkheid bezit
of waar gezegd wordt dat de mens onsterfelijk is, gelijk van God gezegd
wordt. Haar omdat dit niet aangetoond kan worden; verliest het zwakke
'vanzelfsprekend' argument alle kracht.