DE SCHEPPING VAN DE MENS
HOOFDSTUK 2
De kortste weg om te leren
hoedanig de aard is van de mens, is het bestuderen van zijn schepping en
te zoeken naar de substanties die werden gebruikt om hem te formeren.
Gelukkig is daarvan een verslag gemaakt dat op een hogere autoriteit
berust dan de conclusies van het menselijk verstand of menselijke
speculaties.
Wij grijpen terug op het
getuigenis van de Bijbel en aanvaarden zijn taal in de meest onmiskenbare
en letterlijke betekenis. Als sommigen menen dat het meer met de
waardigheid en heerlijkheid van een almachtige Schepper strookt te
veronderstellen, dat Hij Zijn scheppingskracht beperkte tot het ergens
produceren van een oneindige kleine hoeveelheid protoplasma en dat
gedurende ontelbare eeuwen verder liet ontwikkelen tot alle mogelijke
organismen en vervolgens tot weekdieren, gewervelde dieren, zoogdierenen
apen en tenslotte tot mensen, staat het hen natuurlijk vrij die mening te
koesteren. Maar laat de lezer ons dan toestaan de voorkeur te geven aan
het Bijbels verslag in Genesis om dat als bewijs aan te voeren voor een
meer bevredigende beschouwing van de oorsprong van de mens.
Het verslag geeft in een
paar duidelijke rechtlijnige verklaringen als volgt rekenschap van de
schepping van de mens: "En de Here had de mens geformeerd uit het stof
der aarde, en blies in zijn neusgaten de adem des levens, alzo werd de
mens tot een levende ziel." Gen. 2:7.
Dit verslag omvat alle
eigenschappen en talenten die de mens bezit en alle geestelijke - en
levenskrachtige bijzonderheden die wij in hem zien. God had deze wereld
stralend van leven en schoonheid geschapen, maar er was niemand die
daarover kon regeren, niemand om de aarde te bewerken en de vele
levensvormen ertoe te bewegen de Schepper te verheerlijken en te loven. Om
dat tekort op te heffen nam God een deel van het stof der aarde, vormde
daarvan de gestalte van een mens en door een organisatieproces waarvan wij
ons geen beeld kunnen vormen, maakte Hij het tot vlees. Alle organen van
het lichaam waren aanwezig, aangepast aan hun verschillende taken. Zij
waren alle gereed om te functioneren, maar er was geen leven. Toen blies
God in de neusgaten van de mens de adem des levens met zijn bezielende,
levengevende kracht, en de mens werd een levende ziel. Het hart begon te
kloppen, de levensstromen vloeiden door de aderen, de longen begonnen te
werken, het ademhalingsproces begon, de zenuwen namen hun taak op en de
mens begon te voelen, de spieren kwamen in beweging en hij begon te
lopen, de hersenen werkten en hij begon te denken en toonde het verstand
dat hem in staat stelde de aanwijzingen van zijn Schepper te begrijpen en
te tonen dat hij bereid was Zijn wil te doen. Zo werd de mens een levende
ziel. Het verslag omvat al hetgeen voor de mens werd gedaan om hem te
maken tot hetgeen hij is.
En was dit niet voldoende? O
nee! roepen de theologen; dat is niet voldoende, dit alles was stoffelijk,
er moet ook iets onstoffelijks en onsterfelijks geweest zijn dat hem
gegeven werd om hem in staat te stellen zich te uiten en te denken 'want
stof kan niet denken.'
Haar wie kent al deze extra
toevoegingen? Bedenk dat wij ons hier baseren op het Bijbels - verslag.
Wij gaan ervan uit dat wij niets weten buiten hetgeen de Bijbel verklaart.
Wij moeten ons aan dat verslag houden want de Bijbel is de enige bron
waarop wij onze kennis mogen baseren.
De mens was als een 'levende
ziel' natuurlijk in staat alle lichamelijke - en geestelijke hoedanigheden
die het menselijk geslacht eigen zijn te gebruiken. Maar door de
totstandkoming die hier beschreven wordt - het vormen van het lichaam uit
het stof der aarde en het in werking stellen daarvan door de adem des
levens - werd de mens een levende ziel.
Nu, welk recht heeft iemand
het woordje 'ziel' te nemen en daaraan een betekenis toe te kennen
waardoor hij het als een instrument kan gebruiken om een weg te banen voor
een nieuwe opvatting en daardoor volledig het doel en de gehele strekking
van dit Bijbels verslag te wijzigen?
Het woord “ziel” duidt
volgens de theologen op een onstoffelijk en onsterfelijk deel dat, naar
zij vurig wensen aan te tonen, aan Adams organisme werd toegevoegd. Maar
het verslag zegt dat door het inblazen van de adem des levens in de
neusgaten de mens tot een “levende ziel” werd. Hij werd een levende ziel,
voordien was hij een dode ziel.
Toch blijft men beweren dat,
gezien het feit dat de mens toen kon denken, er iets bijzonders aan zijn
lichaam werd toegevoegd, want een substantie of stof kan, zoals met alle
zekerheid wordt gesteld, niet denken en herhaaldelijk wordt gesteld dat
alleen de geest tot een dergelijke ontwikkeling in staat is. Het zou
voldoende moeten zijn op deze bewering te reageren door eenvoudig de
aandacht te vestigen op het feit dat de mensen in deze verklaring
veronderstellingen uiten aangaande een gebied dat zij niet kennen.
Misschien is het ongepast zulk een aanval te doen, ware het niet dat
degenen naar wie verwezen wordt dit openlijk toegeven. Wat is stof en wat
is geest? Zij die zich aanmatigen de zwaarste nadruk te leggen op het
verschil tussen stof en geest, erkennen dat zij de aard van beide niet
kennen.
En waar is God in de
argumenten van deze heren? Waar is de Almachtige? Zij belijden niet te
weten wat stof is, kennen zij alle soorten stof die God ter beschikking
staan? Kennen zij alle combinaties van alle stoffen die God in staat is te
maken en zijn zij in staat de resultaten daarvan te onderscheiden? Is stof
werkelijk zulk een waardeloze en verachtelijke substantie als zij met hun
woorden aanduiden? God heeft het ongetwijfeld juist geacht die stof te
gebruiken in alle werelden die Hij geschapen heeft; en bij de geboorte van
onze eigen wereld "Zongen de morgensterren te zamen en alle zonen Gods
juichten." - Job 38:7.
En het heerlijke einddoel
van de christelijke loopbaan wordt ons voor ogen gehouden in termen die
materialen aanduiden - dat is een stad die fundamenten heeft waarvan God
de bouwer en maker is.
Door nieuwe combinaties en
nieuwe ordeningen neemt stof nieuwe eigenschappen aan. Een toereikende
illustratie wordt gevonden in het huishoudartikel water, dat zo
noodzakelijk is voor alle levensvormen. In de ene toestand is het ijs,
hard en koud, in een andere is het vloeibaar en bruikbaar voor ontelbaar
veel doeleinden; als het in stoom wordt veranderd dan is het een
onzichtbare reus die in staat is de sterkste ijzerstaven te buigen en zich
in vernietigende kracht te meten met een bliksemstraal. Toch is het al die
tijd dezelfde stof, alleen in een andere vorm en combinatie.
Aan stof kan leven worden
toegevoegd. Neem twee zaden. Als men die op een plank laat liggen dan
blijven ze gedurende een onbepaalde tijd onveranderd. Neem nu deze beide
zaden en breng ze in verschillende toestanden; maal het ene tot poeder en
plant dat; zal het groeien? - Nee, want het leven daarin is vernietigd.
Plant het andere, dan zullen het vocht en de warmte van een geschikte
aarde de levenskiem in werking stellen, het zaad zet zich uit, vormt een
spruit, drijft zijn wortels in de aarde en wordt tot een hoog oprijzende
plant met bloesem en vruchten die een lust voor het oog vormen of tot
voedsel voor de mens dienen. Hoe ontstond dit prachtige resultaat? Bevond
zich daarin een onstoffelijke geest of verstand om dit tot stand te
brengen? - Nee, het was een kracht ingeworteld in stof. Dat is plantaardig
leven; en de wereld is er vol van - inderdaad, zonder dat plantenleven
zou ze een barre woestijn zijn.
Als wij een stap verder gaan
zien wij in het dierenleven iets dat nog veel mooier is. Het ei is niets
anders als een hoeveelheid stof; maar onderwerp het aan passende
toestanden dan komt ter bestemder tijd een kuiken tevoorschijn vol leven
en activiteit. Bevindt zich een onstoffelijk wezen in het kuiken dat het
laat zien en handelen, voedsel zoeken en voor gevaar vluchten? - Nee, het
is eenvoudig stof dat georganiseerd is om op een bijzondere en
onafhankelijke wijze te handelen.
Elk dier, lager als de mens,
wordt bezien als zijnde stof. Men stelt niet dat zulke dieren begiftigd
zijn met onsterfelijke zielen en onvergankelijke geesten, maar welke
krachten bezitten zij? Zij zien, horen, voelen, smaken en ruiken; zij
tonen vrees, liefde, boosheid, haat en vergelding; zij tonen dat zij een
geheugen, wil en verstand hebben en dat zij kunnen denken. Maar alles is
stof; en toch wordt ons verteld dat stof niet denken kan.
Kan stof zien, horen, voelen
en ruiken? In het beginstadium natuurlijk niet; maar zij kan zo
samengesteld worden dat zij wel in staat is dat te doen. Een voorbeeld of
nadere toelichting is hier niet noodzakelijk, want het kan niet ontkend
worden. Is er dan iets onredelijks in dat God de laatste hand legde aan
de hogere wordingsgraad van de mens, zodat hij door de kracht van een
hoger ontwikkeld verstand, het verstandige, morele, verantwoordelijke
wezen zou worden dat hij nu is?
Degenen die loochenen dat
stof zo samengesteld kan worden dat zij denken kan, maken zich schuldig
aan een vreemde inconsequente denkwijze. De kenmerken van stof zijn de
vorm, grootte, gewicht, enz. Maar omdat die niet ontvankelijk zijn voor
liefde, hoop, vrees en soortgelijke emoties, beweren zij dat die geen stof
kunnen zijn, maar het product moeten zijn van een afzonderlijke
intelligente eenheid. Zij schijnen te vergeten dat de eigenschappen of
resultaten van de structuur van de stof niet vergeleken kunnen worden met
de stof zelf.
Stof bezit eigenschappen die
even onverklaarbaar zijn als stof zelf. Licht, hitte, kou en zelfs de
onnaspeurlijke kern elektriciteit, die de elektriciens omschrijven als
'een onbekende kracht, werkzaam op een onbekende wijze,' wordt erkend als
een vorm van stof of op z 'n minst niet in staat zijnde zich te
manifesteren zonder stof.
Zo is het ook met de geest,
die kan niet bestaan zonder stof. Hersenmateriaal is nodig voor zijn
bestaan. Wie kan zich een op zichzelf bestaande gedachte voorstellen? Hoe
zou die zijn en hoe zou die handelen? Beweerd wordt dat deze inwendige
mens, dat geestelijk wezen, dat voelt, ziet, hoort enz. dezelfde grootte
heeft als het natuurlijke lichaam en dat hij ondeelbaar is en dat hij na
de dood het lichaam verlaat. Wat gebeurt er echter met dit geestelijk
lichaam als de mens zijn natuurlijke been of arm verliest? Blijft het
geestelijk been of de arm dan op zijn plaats? Als dit niet zo is, als het
geestelijk lichaam deelbaar is, dan zou iemand zijn geestelijk hoofd
kunnen verliezen - en hoe zou dan zijn toestand zijn?
Om aan te tonen dat er geen
sprake is van een geestelijk lichaam dat voelt, ziet, enz., moet u eens
proberen het geestelijk been of de geestelijke arm te strelen, te knijpen
of te prikken nadat de stoffelijke ledematen verwijderd zijn en wat
gebeurt er? - Niets; en dit openbaart de juiste toestand of het bestaan
van het zogenaamd geestelijk lichaam - er is niets!
Een andere vraag: In welke
toestand bevindt zich dit geestelijk lichaam als het in de mens wordt
aangebracht? Hoe is zijn toestand? Bezit het volle kracht, of is het
beperkt in zijn mogelijkheden? Als het vanaf het begin al zijn krachten
bezit, waarom toont een kind dan niet de geestelijke kracht en
intelligentie van de volwassen mens? Als het in het begin niet alle
krachten ontvangt, waarom niet? Als de geest een afzonderlijk schepsel is,
zou God die dan niet zo kunnen maken? En waarom wordt het eigenlijk belast
en belemmerd door een lichaam?
Doch, als de geest
aanvankelijk slechts de grootte en kracht van een kind bezit en alleen met
het lichaam kan groeien en opwassen, dan is hij afhankelijk van het
lichaam en onderworpen aan de gehele toestand daarvan. En dat dit het
geval is ten aanzien van de verstandelijke krachten, wordt door Paulus
uitdrukkelijk bevestigd. Hij zegt: "Toen ik een kind was, sprak ik als een
kind, overlegde ik als een kind; toen ik een man geworden was, zo heb ik
teniet gedaan hetgeen een kind was." - 1 Kor. 13:11.
Hier is een duidelijke
verklaring dat de kracht van het verstand en denkvermogen begrensd wordt
door de beperkingen van het lichaam. Want als de krachten van het lichaam
toenemen of geringer worden, sterk of zwakzinnig zijn, kinderlijk of
volwassen en in deze toestanden geheel in overeenstemming zijn met het
lichaam, vergaan die dan niet als het lichaam vergaat? Wij spreken van
'die' om de discussie aan te passen aan de beweringen van de algemene
theologie. Maar uitgaande van deze opvatting zien wij dat het argument bij
elke stap hopeloos verstrikt raakt in ongerijmdheden. Bezien wij het
echter vanuit het denkbeeld dat deze wonderbaarlijke krachten eenvoudig
het resultaat zijn van 's mensen hoogstaand organisme, is alles eenvoudig
en gemakkelijk te begrijpen.
Zo is het verslag van Adams
schepping ruimschoots voldoende om rekenschap te kunnen geven van alle
lichamelijke - en geestelijke eigenschappen van de levende mens. Het
lichaam werd opgebouwd uit het stof der aarde; de organen werden alle
volledig geformeerd en aangepast aan hun verschillende functies; de
machine was in alle delen volmaakt; de adem des levens werd daarin
geblazen, die in zich het onmisbare beginsel van levengevende kracht
draagt die God daarin geplant heeft.
Toen begon de mens te leven;
hij stond rechtop, een levende ziel, vlug van begrip door de werking van
de hersenen, en in staat de bedoelingen van het leven te verwerkelijken,
te redeneren en zijn wil te gebruiken om de Schepper te gehoorzamen door
de morele eigenschappen van de aard die hem aldus werd toebedeeld.
Dezelfde levensbeginselen werden door de adem des levens toebedeeld aan
alle andere ademende schepsels; maar zij hebben een lager organisme als de
mens, zij bevinden zich niet op hetzelfde bestaansvlak van de mens en
bezitten ook niet zijn aard.
Maar de Bijbel beschrijft
niet alleen de schepping van de mens, hij beschrijft ook zijn ontbinding
en wij zien dat dit proces het tegenovergestelde is, het volledige
tegendeel. Het vereist, zoals wij hebben gezien, maar weinig woorden om de
schepping van de mens te beschrijven, het samenvoegen en inwerkingstellen
van deze wonderbaarlijke machine. Zo vereist het ook slechts enkele
woorden om het stilzetten van de machine te beschrijven, het wegnemen en
ter ruste leggen in het graf; het ene verslag begint daar waar het andere
eindigt en gaat over in een tegengesteld proces. Daarom zei David:
"Vertrouw niet op prinsen, op het mensenkind, bij hetwelk geen heil is.
Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde, te dien dage
vergaan zijn gedachten". Psalm 146:3,4.
Bij het scheppen van de mens
werd eerst zijn lichaam voortgebracht uit de aarde; toen werd de adem
daarin gelegd. Nu gaat eerst de adem weer uit het lichaam dat teruggelegd
wordt in de aarde. Salomo beschrijft hetzelfde in een andere bewoording.
Hij zegt: "En dan zal het stof wederom tot de aarde terugkeren, als het
geweest is, en de geest keert weer tot God, Die hem gegeven heeft." -
Pred. 12:7.
Dat wat God volgens het
verslag in Genesis aan de mens gaf, was de "adem des levens" die het
levensbeginsel bevatte. Dat wekte de mens tot leven. Die adem neemt God
weer tot zich en als gevolg daarvan keert het lichaam tot stof terug in de
aarde zoals het was.
Job bevestigt eveneens
hetzelfde in bewoordingen die er op gericht zijn een nog groter licht op
dit onderwerp te laten schijnen. Dit zijn zijn woorden: "Indien Hij zijn
hart tegen hem zette, en zijn geest en adem zou Hij tot zich vergaderen;
alle vlees zou tegelijkertijd de geest geven, en de mens zou tot stof
wederkeren." - Job 34:14,15.
Dit betekent, dat als God
ertoe besluit het leven van de mens weg te nemen, Hij alleen dat behoeft
terug te nemen dat Hij zelf aan de mens gegeven heeft – “Zijn geest en
Zijn adem” en dan zal het lichaam van elk mens weer tot stof terugkeren.
Niemand kan het verband
tussen de Bijbelse verslagen van de schepping van de mens en zijn dood
ontgaan, en in niet één daarvan wordt gesproken over een afzonderlijk en
onafhankelijk, onstoffelijk en onsterfelijk wezen dat in zijn lichaam
aangebracht zou zijn en dat hem tot een tweeledig wezen maakt dat hij
volgens de algemene theologie is.