You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - Hier en Erna
   
HIER  EN  HIERNA

 

INLEIDING

 

Gelukkig zijn er sommige dingen, die mensen niet kunnen loochenen. Velen loochenen God, loochenen Christus, loochenen de Heilige Geest, loochenen de goddelijke openbaring en loochenen elk hiernamaals. Maar zij kunnen niet loochenen dat er een 'hier' bestaat. De huidige staat der dingen is een feit dat niet genegeerd kan worden. De mens ziet zichzelf in een reële, materiële wereld op een bestaanspeil dat vol van geheimen en verbazing is. Hij ziet zichzelf met een wonder­baarlijk gevormd organisme, met eigenschappen die hem een breed veld van activiteiten bieden, met een verstand dat hem in staat stelt logisch te denken, zich te uiten, conclusies te trekken en plannen te maken voor de toekomst. Hij kan zich verdiepen in de geheimen van de natuur, hij kan de substan­ties van de aarde tot in hun oorspronkelijke elementen her­leiden en met instrumenten, die zijn blik duizendvoudig ver­ruimen, de blauwe hemel boven zich bestuderen en de sterrenwerelden in hun grote voortgang door het grenzeloze lucht­ruim volgen. De wonderen van de natuur en de wonderbaarlijke verrichtingen van zijn medemensen, roepen in zijn geest denk­beelden van bijna oneindige mogelijkheden op.

 

Maar temidden van al deze levensverschijnselen, ziet hij een ander, indien mogelijk nog vreemder verschijnsel - het verschijnsel van de dood. De mens met zijn geweldige bekwaam­heden en machtig verstand, sterft. Onmiddelijk, voor zover dit uiterlijk waarneembaar is, vergaat zijn kracht. Zijn ver­stand functioneert niet meer, zijn lichaam dat niet in staat is verderf te weren, vervalt en vermengt zich met het stof. Waarlijk, iemand moet zeer ongevoelig en onverschillig van aard zijn, als onder zulke omstandigheden zijn geest zich niet bezig houdt met de zaken buiten zijn gezichtsveld en hij zich geen vragen stelt ten aanzien van de 'onzichtbare dingen.'

 

Toch biedt het brede veld van iemands huidig bestaan - geen denkbeeldig rijk maar een rijk van werkelijkheden, van feiten en geen vermoedens - een vaste basis van waaruit ie­mand zijn conclusies kan trekken ten aanzien van andere gebieden, zelfs ten aanzien van het hiernamaals.

 

Zonder enige eigen inmenging of medewerking, worden wij geconfronteerd met ons menselijk bestaan en onderworpen aan alle voorwaarden van dit leven, ons voorthaastende naar onze bestemming, wat die ook mag zijn. Een reeks van geheimzinnige vragen begeleidt onze schreden. Vanwaar zijn al deze dingen gekomen? Wie verordende deze schikking? Voor welk doel zijn wij hier? Wat is onze aard? Wat zijn onze plichten? Wat zijn onze grenzen? Leven, welk een mysterie. Zal het, als het be­gonnen is, ooit eindigen?

 

Er was een tijd dat wij niet bestonden: is het ons lot in diezelfde toestand terug te keren? Overal rondom ons zien wij de dood. Zijn slachtoffers zijn stil, koud en beweging­loos. Uit niets blijkt dat zij nog steeds die eigenschappen bezitten die zij verstandelijk, emotioneel of lichamelijk tijdens hun leven bezaten. Is de dood het einde van alle din­gen? Betekent de dood de ondergang voor alle menselijke we­zens?

 

Dit zijn vragen die de menselijke geest altijd hebben be­zig gehouden met zulk een intensiteit en gevoelskracht die geen enkel ander onderwerp kan opwekken.

 

Waar vinden wij een antwoord op deze zo duidelijk omlijn­de en scherp begrensde vragen die van zulk een allesomvattend belang zijn? Hebben wij de middelen binnen ons bereik waar­mee wij dit probleem kunnen oplossen? Wij zien in het rond op deze aarde en bewonderen haar veelvuldige levensvormen en schoonheid; wij zien de opeenvolgende seizoenen en de ge­lijkvormige en weldadige werkingen van de natuur, wij zien naar de hemellichamen en hun heerlijkheid, de regelmaat van hun bewegingen, - beantwoorden zij onze vragen? Zij vertel­len ons iets, maar niet alles. Zij vertellen ons van de gro­te Schepper en Onderhouder van alle dingen; want, zoals de apostel Paulus zei: "Zijn onzienlijke dingen worden, vanaf de schepping der wereld, door de schepselen verstaan en door­zien, beide Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid." Rom. 1:20. Zij vertellen ons van Wie ons bestaan afhankelijk is en aan Wie wij onderworpen zijn.

 

Maar dit versterkt duizendvoudig ons verlangen naar meer inzicht. Want wij willen nu weten op welke voorwaarden Zijn gunsten berusten. Wat moeten wij doen om aan Zijn eisen te voldoen? Hoe kunnen wij Zijn goedkeuring verkrijgen? Hij is zeer zeker een Wezen dat deugt beloont en zonde bestraft. Op een vastgesteld tijdstip zullen onze daden worden getoetst aan Zijn eisen en het oordeel zal overeenkomstig zijn. Welke uitwerking heeft dit op ons toekomstig bestaan? Wij hebben dit leven van Hem ontvangen, bepaalt Hij de duur daarvan op grond van onze gehoorzaamheid, of heeft Hij ons tot onafhan­kelijke wezens gemaakt die altijd blijven voortleven, en als Zijn gunst niet deelachtig worden, zjn wij dan bewuste van Zijn wraak?

 

Met welk een intense ongerustheid houdt de geest zich bezig met de toekomst? Wat is de uitkomst van dit geheimzinnig levensprobleem? Wie van ons kan dit zeggen? De natuur zwijgt. Wij richten ons tot degenen die de vallei der duisternis zijn binnengegaan. Maar wie kan de geheimen van deze verborgen regionen openbaren zo lang hij daar niet binnengegaan is en ze onderzocht heeft? Doch, het voorhangsel van de tent waarin zij binnengaan draait nooit buitenwaarts. Onbuigzaam sluit het graf zijn zware poorten die elke poging verhinderen om een glimp op te vangen van de onbekende andere zijde. De wetenschap bleef ons op deze vraag het antwoord schuldig. De verbeeldingskracht laat ons in de steek, en de menselijke zou zonder hulp, verzinken in een droefgeestigheid en vertwijfeling.

 

Menigten beweren echter in staat te zijn een antwoord op deze vragen te kunnen geven. De wereld is dienaangaande zo lang onderricht dat honderden en honderden miljoenen mensen nu geloven, en geloofd hebben dat de mens, innig verbonden met zijn aard een onsterfelijk element - een 'onsterfelijke ziel' bezit, die de echte, intelligente, verantwoordelijke mens en levenselement in zijn lichaam is - dat volledig on­afhankelijk is en zowel binnen als buiten het lichaam kan bestaan; dat - nadat het lichaam gestorven is, net zo levend blijft als voordien en actief en verstandelijk handelt en denkt in een toestand die dood wordt genoemd of terwijl het lichaam in het graf ligt; en dat naar het oordeel en besluit van God tot in alle eeuwigheid zal leven in een volmaakt ge­lukkige staat of in een hel van diepe ellende.

 

Men kan alleen maar verbijsterd of verbaasd zijn over de vreselijke mogelijkheden die in zulk een antwoord besloten liggen. Voordat iemand dit aanvaardt, zou hij er goed aan doen zeer zorgvuldig na te gaan of dit inderdaad waar is. Want als dit waar is, dan staat ons als eerste het grote en ont­stellende feit voor ogen, dat het grootste deel van het men­selijk gezin ertoe bestemd is voor eeuwig te verkeren in een bewuste staat van ellende die met geen woorden te beschrij­ven is - een kwelling zonder de bedoeling dat daaruit iets goeds voor henzelf of voor anderen voortkomt en waarin zij geen moment bevrijd kunnen worden van een nooit aflatende pijn. En waarvoor? Algemeen gesproken als een bestraffing voor een leven van gemiddeld vijftig jaar van onverschillig­heid en zonde in deze wereld. Is er een mens met een vonk je menselijke genegenheid in zijn ziel of het geringste gevoel voor gerechtigheid en genade in zijn hart, die dit zou kun­nen aanzien? Is er iemand die deze gedachte kan verdragen?

 

Wat moeten wij denken van de Schepper van de mensen Die zo met hen handelt, ook al zijn ze zondaars? Verbaast het u dat God op grond van zulk een leer, door een steeds groter wordende schare van sceptici wordt bezien als een harteloze wraakzuchtige tiran, die genoegen schept in het toepassen van zulk een zware en verachtelijke vergelding op de schep­selen die Hij schiep en die Hij voor dit doel in leven houdt? Maar, afgezien van de verpletterende vrees voor eeuwige ellende, volgt er nog een lange reeks van conclusies waarvan wij - voordat wij bovengenoemde stelling onderstrepen - moe­ten nagaan of wij al dan niet bereid zijn die te aanvaarden. Als het waar is dat de mens een onsterfelijke ziel bezit, dan volgt daaruit:

 

1.  Dat Satan, die onze eerste ouders verzekerde dat zij ze­ zeker niet zouden sterven (Gen. 3:4,5) de waarheid sprak, en dat het geloven van die waarheid de misleiding was die de zonde in de wereld bracht en het geluk en de vrede van
het mensdom verstoorde.

 

2.  Dat de verafgoding van gestorven mensen en de aanbidding van voorvaderen, die in het heidendom overheersten, en waarop de afgodendienst gefundeerd is, op z'n minst een bepaalde grondslag hebben.

 

3.  Dat het aanbidden van heiligen, Maria verering, vagevuur en mis van de Rooms Katholieke en Griekse kerken juiste leerstellingen zijn;

 

4.  Dat de verwachte komst van Christus, en een toekomstig algemeen oordeel, en een opstanding uit de doden, volle­dig opzij gezet kunnen worden als zijnde inconsequent en niet noodzakelijk.

 

5.  Dat Gods genade universeel is en het spiritisme aan hand van de Schriften verdedigd kan worden.

 

Anderzijds, als de mens van nature wel sterfelijk is en een sterfelijke ziel bezit; als de doden zich van niets be­wust zijn; als het eeuwige leven alleen van Christus afhan­kelijk is, dan tuimelen alle andere leerstellingen en toe­passingen als gigantische fraudes, misleidingen en bijgelo­ven omver. Christus en Zijn positie en werk, als de Bron van alle leven en onsterfelijkheid, treden dan in hun ware licht en onverdorvenheid naar voren; de wederkomst van Christus, de opstanding van de doden, het oordeel en de tijd, beloning en straf vinden alle hun plaats die overeenstemt met het getuigenis van de Schriften; en is er sprake van een duidelij­ke harmonie in alle lijnen van dit onderwerp.

 

Ongetwijfeld kan de beantwoording van een vraag die zo belangrijk is, niet worden gebaseerd op een menselijke ver­klaring. Alleen Hij, die de onzichtbare wereld kent, kan de twijfels oplossen, de geheimzinnigheid doen verdwijnen en de vragen beantwoorden die zich rondom dit geweldige probleem bevinden. God moet het ons vertellen, want anders kunnen wij niet eerder weten wat na dit leven gebeurt, dan totdat wij het zelf ondervinden. Hij, die ons hier heeft geplaatst, moet Zelf Zijn bedoeling aan ons mededelen, anders blijven wij voor altijd in onzekerheid. Daarvan zijn alle eerbiedige en denkende gemoederen overtuigd.

 

Alleen de Bijbel kan ons een juist inzicht geven in deze belangrijke vragen, de aard van het leven en de dood, de op­standing en de hel. En als wij zeggen Bijbel, bedoelen wij de Bijbel zoals wij hem lezen en precies zoals het er staat, geen Bijbel die ontkracht wordt of is door de moderne 'hoge­re kritieken.' Wij hebben niets aan een Bijbel die ons door deze critici wordt overhandigd, want daarin zijn de oude waarheden ondergegaan in een mist van mythen en fabels die, naar wordt beweerd, door God geïnspireerd zijn. De Bijbel is een eenheid die in z 'n geheel staat of valt. Zijn eerste be­richten en de meest betwiste gedeelten, werden door Christus en Zijn apostelen als zijnde juist erkend; en één woord van bekrachtiging uit zulk een bron is meer waard dan alle kri­tiek die de gehele wereld bieden kan. Het verslag van de schepping, de val van de mens en het verlossingsplan voor de mens die daarin geopenbaard worden, vormen de enige vaste grond waarop de aanwezigheid kan worden verklaard van zonde en lijden in een wereld die onder de leiding staat van een Oppermachtig Wezen, wiens naam Reinheid en Liefde is.

 

Op de bladzijden van het Boek der Inspiratie, zien wij duidelijk het grote onderscheid dat God maakte tussen goed en kwaad, de beloningen die Hij de rechtvaardigen belooft en de straf die Hij de overtreders toebedeelt.

 

Hoe zeer leggen deze feiten de nadruk op de belangrijk­heid van de vraag: zijn alle mensen onsterfelijk? Zijn de goddelozen onsterfelijk? Is een eeuwige en onbegrijpelijke kwelling en onuitsprekelijke ellende hun deel? Bezitten zij in hun wezen een beginsel dat zo hardnekkig van levensduur is dat het de zwaarste vernietigingsmiddelen die de Almach­tige ter beschikking staan, kan weerstaan en een eeuwigheid van intens vernietigend vuur geen inbreuk kan maken op zijn bestaan? Angstige vragen - vragen waarover het woord van God ons niet in het onzekere laat, of ons door twijfel verwart of door valsheid misleidt.

 

En wanneer wij de lezer aangaande dit belangrijke onder­werp verwijzen naar het woord van God (de Statenvertaling) zal elk oprecht gemoed begrijpen dat de wijze waarop wij meer inzicht zoeken belangrijk is. Vooroordeel of emoties mogen binnen de grenzen van zulk een onderzoek niet gevonden wor­den. Als het zo is dat God duidelijk heeft geopenbaard dat alle onberouwvolle mensen verdoemd zijn tot een eeuwigheid van bewuste ellende, moeten wij dit feit aanvaarden, hoe moeilijk het ook zijn zal zulk een handelwijze in overeenstemming te brengen met het karakter van God, Die van zich­zelf zegt dat Hij 'liefde' is.

 

Maar, als dit niet het geval is, als er geen sprake is van een eeuwig brandende hel, als in plaats daarvan het be­richt aantoont dat Gods handelwijze verdedigd kan worden, dat de zonde wel haar juiste beloning ontvangt, maar tegelij­kertijd zulk een maatregel ten aanzien van de verlorenen ge­troffen wordt, die het universum bevrijdt van het vreselijke beeld van een eeuwig brandende hel vol levende wezens die door vuur en vlam geteisterd worden en in hun eeuwig duren­de pijn God lasteren - kan iemand dan minder bereid zijn dit feit te aanvaarden of om die reden in te stemmen met de lof­prijzing:

 

Groot en waarachtig zijn Uw werken, Here God almachtig, rechtvaardig en waarach­tig zijn uw wegen, Gij koning der heiligen!