You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies)
     

De Tabernakel opgezet en gezalfd   (30)

 

Het kampement te Sinaï

 

“De orde, zo tot in de kleinste onderdelen tot uiting komend in al Gods werken, was ook te zien in de hebreeuwse samenleving.” «Zelfs voordat zij Egypte verlieten... werd het volk in groepen ingedeeld onder aangewezen leiders. Bij de Sinaï werden deze regelingen betreffende de organisatie voltooid.» Ed 37; K 37. Hier werd het volk overeenkomstig hun stam rond een open plek gegroepeerd. Op deze open plek sloegen Mozes en Aäron hun tent op. Aan de oostzijde van deze brink waren de drie stammen Juda, Issaschar en Zebulon, aan de zuidzijde Ruben, Simeon en Gad, aan de westzijde Efraïm, Manasse en Benjamin en aan de noordzijde Dan, Aser en Naftali (Num.2:3,10,18,25). En de stam Levi was in het midden. Op deze open plek, bracht het volk zijn gaven voor de bouw van het heiligdom. Hier werden de onderdelen onder toezicht van door God gekozen leraars geconstrueerd. Op deze wijze gelegerd konden de stammen de vooruitgang van het werk volgen.

 

De tabernakel voltooid

 

De bouw van de tabernakel duurde een aantal maanden. Dit was werkelijk een grootse prestatie die onmogelijk was geweest zonder God, want: “Als de Here het huis niet bouwt, vergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan.” Psalm 127:1. In de maanden die daarop volgden werden de wetten waaraan het volk was onderworpen (inclusief de wetten die betrekking hadden op de gaven en offeranden, zoals die zijn weergegeven in het boek Leviticus) zeer nauwkeurig aan het volk uitgelegd. Tenslotte werd op de eerste dag van de eerste maand de tabernakel opgericht. Dat was een jaar nadat het volk Egypte had verlaten (Ex.12:2) en ongeveer tien maanden nadat zij in de Sinaï-woestijn arriveerden (Ex.40:2; 19:1; Ex.40:7). Op de berg had God aan Mozes niet alleen de onderdelen van het heiligdom getoond, maar ook precies waar zij geplaatst moesten worden. “Dan zult gij de tabernakel oprichten overeenkomstig het plan dat u daarvan op de berg getoond werd.” Ex.26:30.

 

Een indrukwekkende stoet

 

“En zij brachten de tabernakel naar Mozes.” Ex.39:33. Bezaleël en zijn medearbeiders (die het goud, zilver, koper en het hout en de stenen bewerkt hadden) brachten het werk dat zij getrouw, bekwaam en zorgvuldig gemaakt hadden. Ook Aholiab en zijn medewerkers die het graveerwerk en het borduurwerk hadden gemaakt en alle gordijnen en alle overdekkingen hadden geweven brachten de gereedgemaakte produkten van hun arbeid. Het moet een indrukwekkende stoet zijn geweest. Laten wij ons dat eens voor de geest proberen te brengen. Bezaleël met zijn helpers komen het eerst. Zij dragen de ark, schitterend van goud (Ex.40:3). Daarna komt het verzoendeksel met de twee cherubs van massief goud, hun vleugels steken boven de hoofden van de dragers uit. Anderen brengen de 48 planken, met gesneden cherubs en zwaar met zuiver goud overtrokken: 140 kg per plank, hetgeen een groot aantal dragers vereistte. Daarna komen de vijftien gouden staven en de 100 zilveren voetstukken. Dan komen de negen gouden pilaren voor de poort, ieder met zilver gekroond, wat ook een groot aantal dragers vereistte. Anderen komen met de 65 koperen voetstukken voor de pilaren van de voorhof en de deur, de koperen pennen, de tentlijnen en de gouden en koperen vaten voor de dienst van het heiligdom. Aholiab met zijn helpers volgen, zij brengen de drie voorhangsels en het binnenste dekkleed van de tabernakel met haar honderd gouden haken, elk schitterend met de rijk geborduurde draden van zuiver goud. Anderen dragen het witharen dekkleed, van geitehaar gemaakt (dit mat ten minste 45 bij 66 voet) met zijn honderd koperen haken, het dekkleed van roodgeverfde ramshuiden en het dekkleed van bruine tachasvellen en ook de vier honderd twintig voet wit linnen gordijnen rondom de voorhof. Verder brengen zij de witlinnen priestergewaden en de prachtige kleding voor Aäron. Voorts de witlinnen mantel met zijn exclusieve mozaïekachtig borduurwerk, het helderblauwe gewaad met een zoom van rinkelende gouden bellen en helder gekleurde granaatappelen, de wondermooie met goud geborduurde ephod met zijn schoudergespen van gegraveerde onixstenen en met zorgvuldig geborduurde gordels. Anderen dragen de borstplaat met daarop twaalf kostbare glinsterende stenen, waarin de namen van de twaalf stammen staan gegraveerd. Weer anderen dragen de heilige tulband met een plaat van zuiver goud met daarin de inscriptie “Den Here Heilig.” Hierna volgde het gouden reukofferaltaar, de gouden tafel, de kandelaar van gedreven goud, elk door toegewijde, waardige mannen gedragen. En tenslotte brengen een aantal van Bezaleëls mannen het blinkende koperen altaar, en het wasvat. Beiden waren van gepolijst koper, die als spiegels alles rondom weerkaatsten. Dit was inderdaad een schitterende kleurrijke stoet.

 

Mozes inspecteert het werk

 

“En Mozes zag al het werk, en zie, zij hadden het gemaakt zoals de Here het geboden had; zó hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen.” Ex.39:43. «Een formele inspectie werd verricht om vast te stellen, of alles overeenkomstig het model was vervaardigd. Dit zorgvuldig en precies overzicht toonde dat ieder deel, plank, gordijn en gebruiksvoorwerp zeer precies was gemaakt zoals het door de goddelijke architect was ontworpen.» JFBCom. En Mozes zegende hen... (Ex.39:43), misschien is het dezelfde zegen of een daaraan gelijk, die de Here aan Aäron gebood over Israël uit te spreken:

 

                        De Here zegene u, en behoede u,

                        De Here doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig

                        De Here verheffe zijn aangezicht over u,

                        En geve u, vrede.    Num.6:22-27.

 

Het opzetten van de tabernakel

 

“Op de eerste dag van de eerste maand” (Ex.40:2,17), volgde Mozes de uitdrukkelijke aanwijzingen van de Here op, om de tabernakel op te richten. Eerst werden de planken opgezet en in hun voeten geplaatst, de stangen werden erin geschoven en de pilaren voor het gordijn en de deur opgezet.

Op deze wijze werden de wanden veilig bevestigd aan de hoeken en rechtop gehouden (PP 347E; PP 310N). Daarna werden de vier overdekkingen over het framewerk uitgespreid (Ex.40:18,19). Eerst het rijkgeborduurde koninklijke kleed, dan het witte geiteharen dekkleed. De haken van beide kleden waren direct boven het tweede voorhangsel. Daarbovenop kwam het roodgeverfde uit ramsvellen vervaardigde kleed en ten slotte het kleed vervaardigd van de tachasvellen.

 

Het plaatsen van de gebruiksvoorwerpen

 

Toen het gebouw gereed was voor de gebruiksvoorwerpen plaatste Mozes de tafelen der getuigenis eerbiedig in de ark. Het waren dezelfde tafelen die God hem op de berg had gegeven. De draagstokken schoof hij in de ringen, die er nooit meer uit verwijderd mochten worden, hij plaatste het verzoendeksel erop en daarna werd de ark de tabernakel binnengebracht. Toen werd het tweede of binnenste voorhangsel aan de vier gouden pilaren gehangen. Het werd onder de haken gehangen zodat het scheiding maakte tussen het heilige en het heilige der heiligen (Ex.26:33). Daarna plaatste hij de gouden tafel aan de noordzijde van het heilige en plaatste de broden en de borden er ordelijk op. Aan de zuidzijde, buiten het voorhangsel der getuigenis, in de tent der samenkomst (Lev.24:3), plaatste hij de kandelaar en voorzag de lampen van olie (Ex.40:25).

Voor het binnenste voorhangsel plaatste hij het gouden altaar en ontstak daarop welriekend reukwerk (vers 27). Daarop werd het buitenste voorhangsel aan vijf pilaren gehangen. Toen was het heiligdom geheel voltooid (Ex.40:22-28). In het midden van de voorhof, voor het heiligdom, werd het koperen altaar geplaatst en tussen het altaar en de deur van de tabernakel het wasvat met zijn voet. In het wasvat werd water gegoten en Mozes, Aäron en diens zonen wasten daarmee hun handen en voeten. Het laatst werden de koperen voorhofspilaren overeind gezet en werden de linnen gordijnen er aan bevestigd. Ook hing Mozes het gordijn voor de poort. Zo voltooide Mozes het werk en het was zoals de Here had geboden (Ex.40:29-33).

 

De heilige zalfolie

 

Zoals de toonbroden en de lieflijke wierook elk vier ingrediënten bevatten die Christus verzinnebeeldden, was ook de heilige zalfolie samengesteld uit vier fijne kruiden die op Christus wezen. Deze fijne kruiden waren van gevloeide mirre, een geurende harsolie, onttrokken aan een boom die in Arabië groeit; welriekende kaneel, de aromatische substantie die geproduceerd wordt uit de binnenste bast van de fijne gomboom, hoofdzakelijk uit Ceylon geïmporteerd; welriekende kalmoes, een rietachtige plant, afkomstig uit India en met een opmerkelijke geur; kassie, een fijne kruidachtige plant die in Arabië en India groeit. Deze kruiden die samen ongeveer tien kilogram wogen, werden vermengd met ongeveer vijf liter olijfolie (Ex.30:23-25). Dit was voldoende voor de zalving van de priesters en het heiligdom. De olijfolie stelt de Heilige Geest voor en de vier geurige kruiden (of specerijen), symboliseren Christus. De samenstelling wijst op een nauwe samenwerking van Christus en Zijn Vertegenwoordiger, de Heilige Geest. Dit verklaart de waarschuwing dat volgens deze bereidingswijze niets soortgelijks gemaakt mocht worden om het voor gewone doeleinden te gebruiken. De man die dit deed, “zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.” Ex.30:31-33.

 

De tabernakel en de priesters gezalfd

 

En gij zult de zalfolie nemen en de tent der samenkomst zalven; (dat is de tabernakel, en al wat daarin is en de ark der getuigenis en het brandofferaltaar met al de vaten en het wasvat met haar voet). Aäron, gekleed in zijn heilige gewaden, werd tot hogepriester gezalfd. Over zijn hoofd werd olie uitgegoten zodat het op zijn baard en zijn kleding neervloeide. Zijn zonen en hun kleding werden met heilige olie besprenkeld (Psalm 133:2; Ex.29:4-9,21). In verband met hun zalving maakte nog een dienst een deel uit van de priesterwijding. Zoals God in de hof van Eden het eerste slachtoffer offerde (wat een voorafschaduwing was van het Offer dat later op Golgotha werd gebracht), zo offerde Mozes die door God was aangewezen om Aäron tot God te zijn (Ex.4:16), het eerste offer, de ram ter inwijding (Ex.29:15,22). Toen de ram was gedood nam hij iets van zijn bloed en streek het aan de rechter-oorlel van Aäron en aan die van zijn zonen, aan hun rechterduim en aan hun rechter grote teen (Ex.29:20; Lev.8:22-24). Dit betekende volledige toewijding van oren, handen en voeten. Toen plaatste Mozes de hele ram op het altaar; het was een brandoffer tot een lieflijke reuk (Lev.8:21). Toen het op het koperen brandofferaltaar was geplaatst, ging er vuur uit van de Here en verteerde het brandoffer. Toen het volk dat zag, juichten allen en wierpen zich op hun aangezicht (Lev.9:24). Op dezelfde wijze wil God de dienst aanvaarden van iedere gezant die volledig is toegewijd en de invloed van zo’n dienst zal nimmer verloren gaan, want hun werken volgen hun na (Openb.14:13). Zo drukte God zijn aanvaarding van het werk en de toewijding van Israël uit. Dit vuur dat door God ontstoken werd mocht nooit uitgaan. Om de dienst van deze inwijdingsdag te voltooien droeg Mozes kolen van het koperen altaar naar het reukofferaltaar en ontstak daarop welriekend reukwerk. Met dit vuur stak hij ook de lampen van de kandelaar aan (Ex.40:25-27).

 

Het tegenbeeld van deze zalving

 

Het opzetten en zalven van het aardse heiligdom was een beeld van het opzetten en zalven van het hemels heiligdom, “iets allerheiligst” dat plaatsvond in het midden van de laatste week van de zeventig weken van Daniël 9 (Dan.9:21,24), dus direct na de hemelvaart van Jezus. De zalving van Aäron tot hogepriester en van zijn zonen tot medepriesters was hun inwijding voor heilige dienst. Het was een beeld van de zalving van Christus tot Hogepriester bij zijn inwijding in het hemelse heiligdom. Ook het hemels heiligdom “iets allerheiligst” werd toen gezalfd. Zoals de dienst in het aardse heiligdom niet kon beginnen voordat het gezalfd was en voordat de inwijdingsram was geofferd, zo kon ook de dienst in de hemel niet beginnen voordat iets allerheiligst gezalfd was (Dan.9:24), en Christus op Golgotha was geofferd en met de Heilige Geest was gezalfd bij Zijn inwijding. Toen, en niet eerder, lag de weg naar het heiligdom open (Hebr.9:8). Toen de tabernakel was opgezet en de wijdingsdienst voltooid was, was alles gedaan wat God aan Mozes bevolen had. «De uitstorting op Pinksteren was de hemelse boodschap dat de inhuldiging van de Verlosser was voleindigd.» JR 27; LLD 67-68.

 

God woont temidden van het volk

 

Terwijl het volk ordelijk gegroepeerd was rondom de ingang van de tabernakel en met eerbiedige voldoening nog nadacht over de inwijding, werden aller ogen plotseling gericht naar de top van de berg. Hier zette zich een wolk in beweging (Ex.40:4), letterlijk “de wolk”, de bekende wolk die hen uit Egypte naar Sinaï geleid had, die voor hen een symbool van Gods aanwezigheid was, scheen in beweging te zijn. De belangstelling nam ogenblikkelijk toe en een vreugdegolf welde bij iedereen op. De wolk daalde langzaam en majestueus van de berg af naar de vlakte en vervulde de tabernakel (Ex.40:34). In majestueuze pracht ging de wolk naar het binnenste van het heilige der heiligen en rustte tussen de twee cherubs op het verzoendeksel. Vanaf dat moment werd de ark verborgen voor de nieuwsgierige blik, binnen het heilige der heiligen. Zelfs Mozes was diep onder de indruk en stond van verre en kon de tabernakel niet binnengaan (Ex.40:34,35; PP 349E; PP 313N). De inhuldigingsdag liep ten einde en Israël trok zich rustig en eerbiedig terug in de tenten. Het was een dag om nooit te vergeten, het verlangen van de Vader “en zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen,” was in vervulling gegaan.
(“HET PAD NAAR DE TROON VAN GOD” Sarah E. Peck)