De
Kandelaar
van
gedreven
goud
(22)
De
derde
stap
in
heiligmaking
Met
de
gouden
kandelaar
wordt
de
derde
belangrijke
stap
verzinnebeeld
in
de
heiligmaking
en
wordt
de
kroon
op
de
beide
andere
gezet.
Als
we
niet
verder
komen
dan
het
gebed
en
de
studie
van
Gods
Woord,
zullen
wij
de
maat
van
de
wasdom
der
volheid
van
Christus
niet
bereiken
(Ef.4:13).
Het
is
niet
genoeg
dat
wij
wedergeboren
worden
uit
het
onvergankelijke
Woord
van
God
(1
Petr.1:23)
of
dat
we
als
“nieuw
geboren
kinderen
verlangen
naar
de
redelijke
onvervalste
melk
van
het
Woord,
opdat
we
daardoor
mogen
groeien.”
1
Petr.2:2.
Door
zo’n
geweldig
begin
zijn
we
echter
geen
kinderen
meer,
op
en
neer
en
heen
en
weer
geslingerd
onder
invloed
van
allerlei
wind
van
leer
(Ef.4:14).
Het
is
niet
genoeg
dat
onze
gebeden
‘s
morgens
en
‘s
avonds
opstijgen
met
het
reukwerk
op
het
altaar
We
moeten
“volmaakt
en
verzekerd
zijn
bij
alles
wat
God
wil.”
Col.4:12.
“Wij
moeten
ons
aan
de
waarheid
houdende,
in
liefde
in
elk
opzicht
naar
Hem
toegroeien.”
Ef.4:15.
Dat
is
de
kandelaarervaring.
Hoe
kunnen
wij
ons
aan
de
waarheid
houden
en
in
liefde
naar
Hem
toegroeien?
Wij
hebben
de
waarheid
aanvaard.
En
God
wil
de
waarheid
in
het
verborgene,
in
het
binnenste
van
ons
hart
(Psalm
51:8).
De
waarheid
in
het
hart
aanvaard
met
de
wil,
komt
tot
uitdrukking
in
het
leven.
Dan
staat
het
licht
op
de
kandelaar
en
niet
onder
de
korenmaat
(Matt.5:14-15)
en
schijnt
het
in
goede
werken
voor
iedereen.
Dit
“lichtdragen”
is
de
kroon
op
de
heiligmaking,
op
het
gebed
en
de
studie
van
de
Bijbel.
De
delen
van
de
kandelaar
Ex.25:31-40.
De
kandelaar
had
een
schacht,
met
aan
beide
zijden
drie
takken
of
armen.
Deze
zes
takken
zagen
er
hetzelfde
uit:
ieder
had
drie
bloemkelken,
drie
knoppen
en
drie
amandelbloesems.
De
bloemkelken
leken
op
lelies.
De
middelste
schacht
had
vier
bloemkelken,
vier
knoppen
en
vier
amandelbloesems.
Dat
was
dus
in
totaal
22
bloemkelken,
22
knoppen
en
22
amandelbloesems:
dat
zijn
66
versieringen.
Onder
elk
van
de
drie
paar
takken
was
een
knop,
dus
drie
versieringen
meer.
Met
inbegrip
van
de
versiering
aan
de
voet
waren
er
dus
zeventig
versieringen.
Wat
een
gedetailleerde
beschrijving!
“Zie,
dat
gij
het
maakt
naar
het
voorbeeld,
dat
Ik
u
op
de
berg
toonde.”
Ex.25:40.
Waarom
wordt
er
zo’n
nadruk
gelegd
op
al
de
details
met
die
vermanende
woorden?
Zonder
twijfel
omdat,
zoals
we
reeds
opgemerkt
hadden,
enig
afwijken
van
Gods
plan
de
betekenis
ervan
zou
vernietigen
of
bederven
en
dan
zou
het
ongeschikt
zijn
om
een
belangrijke
geestelijke
waarheid
betreffende
het
verlossingsplan
te
leren.
De
betekenis
van
de
zeven
armen
In
zijn
geheel
verzinnebeeldde
de
kandelaar
Christus
“het
Licht
der
wereld.”
Joh.8:12.
Een
bijzondere
betekenis
heeft
de
middelste
schacht,
die
met
zijn
veelbetekend
getal
“vier”
Christus
symboliseert.
Hij
is
de
Zoon
des
mensen,
Die
wandelde
temidden
van
de
zeven
kandelaren
(Openb.1:12,13).
Deze
kandelaren
zijn
een
voorstelling
van
de
zeven
gemeenten:
de
gehele
kerk
van
God
(Openb.1:20).
Zoals
zeven
niet
alleen
volledigheid,
maar
ook
volmaaktheid
symboliseert,
zo
moet
de
kerk
van
God
volmaakt
zijn,
heilig
en
zonder
smet
(Ef.5:27).
Jezus
zei
tot
Zijn
discipelen:
“Gij
zijt
het
licht
van
de
wereld.
Een
stad
die
op
een
berg
ligt
kan
niet
verborgen
blijven.”
Matt.5:14.
Amandel
versieringen
In
het
borstschild
worden
Gods
kinderen
verzinnebeeld
als
Zijn
juwelen;
in
de
kandelaar
als
Zijn
versieringen.
Waarom
leken
deze
ornamenten
op
amandelen?
Het
hebreeuwse
woord
voor
“amandel”
betekent
“zich
haasten”,
want
de
amandelboombloesem
bloeit
heel
vroeg
in
het
seizoen,
“hij
haast
zich”
om
te
bloeien.
Het
werd
door
de
Joden
als
een
welkome
aanwijzing
gezien
dat
de
lente
was
gekomen:
een
treffende
gelijkenis
met
de
opstanding.
Zo
zijn
de
versieringen
met
amandelbloesems
een
aanduiding
van
Christus
Die
“de
opstanding
en
het
leven
is”
(Joh.11:25)
en
ook
van
het
nieuwe
leven
dat
komen
zal
voor
allen
die
van
Hem
getuigen.
Overal
op
de
kandelaar
was
dit
symbool
van
de
opstanding
van
Christus
te
zien,
die
wij
als
christenen
met
spoed
aan
de
wereld
moeten
verkondigen.
De
zaak
van
de
koning
vereist
spoed
(1
Sam.21:8;
KJV
Jer.1:11,12)
geeft
dezelfde
gedachte
weer:
“Het
Woord
van
de
Here
kwam
tot
mij,
zeggende:
“Jeremia
wat
ziet
gij?”
En
ik
zeide:
“Ik
zie
een
tak
van
een
amandelboom”.
Toen
zeide
de
Here
tot
mij:
“Gij
hebt
het
goed
gezien,
want
Ik
zal
Mijn
woord
verhaasten
om
dat
te
doen.”
Het
woord
“amandel”
betekent
ook
“waakzaam”.
Dit
illustreert
prachtig
het
werk
van
Christus
voor
ons:
“De
Bewaarder
van
Israël
sluimert
noch
slaapt.”
Psalm
121:4.
De
zeven
ogen
van
het
Lam
gaan
“over
de
gehele
aarde.”
Openb.5:6.
Waarom
doorzoekt
Jezus
de
aarde?
“De
ogen
des
Heren
gaan
over
de
gehele
aarde,
om
krachtig
bij
te
staan
hen
wier
hart
volkomen
naar
Hem
uitgaat.”
2
Kron.16:9.
Het
Lam
had
niet
alleen
zeven
ogen
maar
ook
zeven
hoornen.
De
gedachte
van
ijver
zit
ook
in
het
grondwoord
van
de
amandel,
nl.
“ijverig
zijn”,
scherp
waarnemen
als
een
luipaard;
doel
gericht
zijn,
ijverig
en
waakzaam
zijn
(Jer.5:6).
De
zeven
lampen
voor
de
troon
zien
eruit
als
vurige
fakkels
(Openb.4:5):
net
als
Zijn
kerk,
die
door
het
vuur
van
de
Heilige
Geest
met
ijver
wordt
vervuld.
Zeventig
versieringen
Waarom
waren
er
zeventig
versieringen?
Wat
verzinnebeelden
zij?
De
Here
gaf
Zijn
opdracht
niet
alleen
aan
de
twaalven
om
de
wereld
in
te
gaan
om
het
evangelie
te
prediken,
maar
Hij
wees
er
ook
zeventig
aan
en
zond
hen
twee
aan
twee
voor
zich
uit
naar
alle
steden
en
plaatsen
waar
Hij
zelf
komen
zou.
Wat
was
het
resultaat
van
hun
pogingen?
Zij
keerden
met
blijdschap
weder,
zeggende:
“Here,
zelfs
de
duivelen
waren
aan
ons
onderworpen
door
Uw
naam.”
Luc.10:1,17.
Zij
waren
verbonden
met
de
Bron
van
Kracht,
het
ware
Licht
der
wereld
en
succes
begeleidde
hen.
Evenals
de
apostelen
«ontvingen
zij
bovennatuurlijke
gaven
als
een
zegel
van
hun
opdracht.»
MH
94.
Anderen
hebben
gezegd,
dat
deze
zeventig
versieringen
de
toegewijde
gemeenteleden
verzinnebeelden,
wier
harten
van
ijver
branden
om
de
toorts
van
de
waarheid
omhoog
te
houden,
opdat
iemands
voet
geleid
mag
worden
te
wandelen
in
‘HET
PAD
NAAR
DE
TROON
VAN
GOD’.
En
waarom
niet?
Verzinnebeeld
de
kandelaar
niet
de
gehele
kerk
in
getrouwe
dienst?
De
eerste
zeventig
oudsten
werden
aangewezen
toen
het
verbond
met
God
op
de
Sinaï
werd
gesloten
(Ex.24:1,9).
Zij
waren
de
hoofdvertegenwoordigers
van
de
stammen;
zij
blonken
uit
in
onkreukbaarheid
en
oprechtheid.
Later
werden
zij
de
speciale
assistenten
van
Mozes
in
zijn
zware
en
moeilijke
werk.
Toen
zij
werden
aangewezen
daalde
de
Here
af
in
een
wolk
en
nam
een
deel
van
de
Geest
die
op
Mozes
was
en
gaf
haar
aan
de
zeventig
(Num.11:14,16,17,25).
Hun
gezag
strekte
zich
uit
tot
alle
zaken
betreffende
het
openbare
welzijn.
Zij
waren
een
soort
bestuurslichaam:
een
parlement.
Aan
hun
was
de
Geest
der
Profetie
toevertrouwd,
buitengewoon
scherpzinnig
in
de
ontdekking
van
het
verborgen
kwaad
en
het
oplossen
van
moeilijkheden
(Num.11:24-30).
joodse
schrijvers
zeggen
dat
dit
de
oorsprong
was
van
het
Sanhedrin,
het
opperste
gerechtshof
van
hun
volk.
Zuiver
goud
In
tegenstelling
tot
de
tafel
en
het
altaar
die
van
hout
gemaakt
en
met
goud
overtrokken
waren,
was
de
kandelaar
gemaakt
uit
één
stuk
massief
zuiver
goud
(PP
348E;
PP
311N).
Zijn
schacht
en
zijn
takken,
zijn
kelken,
knoppen
en
zijn
bloesems,
maar
ook
zijn
snuiters
en
doofschalen
waren
van
zuiver
goud
gemaakt.
Van
een
talent
zuiver
goud
maakte
hij
hem
met
al
zijn
gerei
(Ex.25:38;
37:23).
Van
de
kerk
die
door
Jezus
wordt
gereinigd
staat
geschreven:
“Hij
zal
het
louteren
als
goud
en
zilver,
opdat
zij
de
Here
in
gerechtigheid
offers
brengen.”
Mal.3:3.
Zoals
de
smelter
van
goud
werkt
met
het
kostbare
metaal,
totdat
zijn
eigen
beeld
wordt
weerkaatst
in
de
gesmolten
massa,
zo
werkt
Christus
voor
Zijn
beeld
in
iedere
discipel,
ieder
die
God
heeft
geroepen
om
te
worden
gevormd
naar
het
beeld
van
Zijn
Zoon
(Rom.8:29;
DA
827;
WdE
725).
Wanneer
wij
Zijn
beeld
in
ons
leven
weerkaatsen,
dan
zal
ons
licht
voor
Jezus
schijnen.
Goud
verzinnebeeldt
ook
waarde.
Een
talent
goud
woog
ongeveer
34
kg.
Een
talent
goud
werd
voor
de
kandelaar
gebruikt.
De
waarde
daarvan
was
ongeveer
dertigduizend
dollar.
Een
dagloon
in
de
dagen
van
Christus
bedroeg
ongeveer
vijftien
dollarcent.
De
waarde
van
de
kandelaar
in
onze
dagen
zou
dan
drie
miljoen
dollar
zijn.
De
kandelaar
was
niet
alleen
het
kostbaarste,
maar
ook
het
sierlijkste
van
de
heilige
gebruiksvoorwerpen.
Door
de
geweldige
hoeveelheid
goud
die
daarvoor
werd
gebruikt,
wilde
de
geïnspireerde
kunstenaar
het
geweldige
belang
overbrengen
en
de
hoge
waarde
die
Jezus
plaatst
op
iedere
ware
zieledienst.
Het
is
het
symbool
van
het
motto
“deel
uw
geloof.”
“Laat
uw
licht
schijnen
voor
de
mensen,
dat
zij
uw
goede
werken
zien
mogen
en
uw
Vader
verheerlijken,
die
in
de
hemelen
is.”
Matt.5:16.
Het
goud
was
gedreven
De
kandelaar
was
niet
alleen
van
zuiver
goud,
hij
was
van
gedreven
goud,
een
moeizaam
en
geweldadig
proces
(Ex.25:31,36).
Het
vereistte
veel
bekwaamheid
om
de
details
van
de
versieringen
te
vormen.
Zo
werd
Christus
om
onze
overtredingen
verwond,
“om
onze
ongerechtigheden
werd
Hij
verbrijzeld,
de
straf
die
ons
de
vrede
aanbrengt
was
op
Hem.”
Jes.53:3.
Trouwens
allen
die
godzalig
willen
leven
zullen
vervolgd
worden
(2
Tim.3:12).
Het
is
beproeving
die
de
kerk
zuivert
en
haar
geschikt
maakt
om
het
licht
der
wereld
te
zijn.
Dit
is
duidelijk
getoond
in
het
lijden
van
de
duizenden
martelaren
gedurende
de
donkere
middeleeuwen
en
gedurende
de
Reformatie,
en
het
bloed
van
de
martelaren
was
het
zaad
der
kerk.
Ook
in
onze
dagen
verdragen
vele
werkers
voor
God
striemen
en
gevangenneming
voor
de
zaak
der
waarheid.
God
laat
het
vuur
der
beproeving
toe,
opdat
de
slakken
mogen
worden
verteerd
en
het
waardeloze
wordt
gescheiden
van
het
waardevolle,
zodat
het
zuivere
metaal
te
voorschijn
komt.
«Hij
brengt
ons
van
het
ene
vuur
in
het
andere,
om
onze
werkelijke
waarde
te
toetsen...
Indien
voorspoed
of
tegenspoed
in
onze
harten
valsheid,
trots
of
zelfzucht
naar
boven
weet
te
brengen,
wat
zullen
wij
dan
doen,
wanneer
God
ieders
werk
door
vuur
beproeft
en
de
geheimen
van
alle
harten
blootlegt?»
4T
85.
Om
deze
reden
werd
de
kandelaar
die
zowel
Christus
als
Zijn
volgelingen
verzinnebeeldde,
van
gedreven
goud
gemaakt.
Zuivere
olijfolie
en
de
betekenis
“Gebied
de
Israëlieten,
dat
zij
tot
u
brengen
zuivere
olie
uit
gestoten
olijven,
voor
de
kandelaar,
om
voortdurend
een
lamp
te
laten
branden.”
Lev.24:2;
Ex.27:20.
De
olie
was
zuiver...
zij
was
geslagen
en
de
lampen
moesten
voortdurend
branden.
Wat
betekent
de
zuivere
olie?
Het
visioen
van
de
kandelaar
dat
God
aan
Zacharia
gaf,
verklaart:
“En
de
Engel
zeide
tot
mij:
Wat
ziet
gij?
Daarop
antwoordde
ik:
Ik
zie
een
kandelaar
geheel
van
goud,
met
een
oliehouder
aan
zijn
top;
hij
heeft
zeven
lampen
en
telkens
zeven
toevoerbuizen
voor
de
lampen
er
bovenop;
en
twee
olijfbomen
steken
boven
hem
uit,
de
ene
rechts
en
de
andere
links
van
de
oliehouder.
Ik
hernam
en
vroeg
aan
de
Engel
die
met
mij
sprak:
‘Wat
betekent
dit
mijn
Heer?’
Toen
gaf
de
Engel
die
met
mij
sprak
mij
ten
antwoord:
Weet
gij
niet,
wat
dit
betekent?
Ik
zeide:
Neen,
mijn
Heer.
Hij
antwoordde
mij:
Dit
is
het
Woord
des
Heren
tot
Zerubbabel:
Niet
door
kracht,
noch
door
geweld,
maar
door
Mijn
Geest!
zegt
de
Here
der
heerscharen.”
Zach.4:6.
De
olie
is
dus
de
Geest
van
God,
waardoor
de
lampen
branden.
En
Christus
is
“oliehouder”
waarvan
de
olie
vloeit
naar
de
zeven
lampen,
want
Hij
is
het
die
de
Heilige
Geest
zendt
naar
de
zeven
gemeenten.
Zonder
deze
zuivere
olie
van
de
Geest
is
het
onmogelijk
voor
de
volgelingen
van
Jezus
om
het
licht
in
zijn
volheid
voor
de
wereld
te
laten
schijnen.
De
olie
werd
gebruikt
bij
kroningsdiensten,
waar
het
een
teken
van
souvereiniteit
was.
Het
gebruik
is
ook
een
aanduiding
van
goddelijke
blijdschap:
“Gij
zalft
mijn
hoofd
met
olie;
mijn
beker
vloeit
over.”
Psalm
23:5.
Het
is
ook
verbonden
met
het
gebed
om
genezing.
Indien
iemand
ziek
onder
u
is:
“laat
hij
de
oudsten
der
gemeente
tot
zich
roepen
opdat
zij
over
hem
een
gebed
uitspreken
en
hem
met
olie
zalven
in
de
naam
des
Heren.”
Jac.5:14.
De
olijfolie
werd
gestoten
Zoals
de
kandelaar
van
gedreven
goud
was,
zo
werd
de
olie
gestoten,
waarmee
aangeduid
werd
dat
de
Heilige
Geest
deelde
in
het
lijden
dat
onze
verlossing
heeft
gekost.
Deze
olie
werd
gestoten,
om
de
lampen
altijd
te
laten
branden
(Ex.27:20).
Wat
een
verantwoordelijkheid
plaatst
dit
op
hen
die
lichtdragers
voor
God
zijn.
Hoe
meer
wij
als
zonen
van
God
het
lijden
beseffen,
dat
onze
verlossing
de
hemel
heeft
gekost,
des
te
meer
zullen
we
er
naar
verlangen
onze
lampen
altijd
te
laten
branden.
Niet
ongeregeld,
maar
voortdurend.
Gelegen
of
ongelegen,
moeten
wij
het
hemels
licht
laten
schijnen,
temidden
van
een
krom
en
verdraaid
geslacht
(2
Tim.4:2;
Phil2:15).
De
lampen
branden
“voortdurend”
Zoals
het
brood
“voortdurend”
aanwezig
was
op
de
tafel
(Num.4:7)
en
de
wierook
“voortdurend”
op
het
altaar
(Ex.30:8)
evenzo
branden
de
lampen
“voortdurend”.
Lev.24:2.
Zij
verspreiden
hun
licht
dag
en
nacht
(PP
348E;
PP
311N).
Evenzo
moet
het
licht
van
de
kerk
schijnen
rond
de
aarde,
dag
en
nacht.
“Zaai
uw
zaad
in
de
morgen
en
laat
uw
hand
tegen
de
avond
niet
rusten.”
Pred.11:6.
Wat
ook
onze
bezigheid
in
het
leven
is,
iedere
dienst
moet
gericht
zijn
op
de
bevordering
van
Gods
werk.
Zo
kunnen
allen
dagelijks
lichtdragers
zijn,
“gezanten
van
Christus.”
2
Cor.5:20.
In
dit
verband
is
het
zowel
interessant
als
belangrijk
op
te
merken
dat
de
woorden
“voortdurend”
en
“gedurig”
gebruikt
worden
om
de
diensten
bij
de
tafel,
het
altaar
en
de
kandelaar
te
beschrijven.
Evenals
bij
het
koperen
altaar
waar
“het
voortdurend
brandoffer”
was,
dat
‘s
morgens
en
‘s
avonds
geofferd
werd.
Deze
woorden
zijn
in
de
oorspronkelijke
taal
hetzelfde
als
het
woord,
“dagelijks”,
gebruikt
in
(Dan.8:11-13),
waar
het
godslasterlijk
werk
van
“de
kleine
hoorn”
beschreven
wordt.
We
doen
er
goed
aan
dit
in
gedachte
te
houden
want
we
komen
er
later
op
terug.
Laten
we
er
acht
op
geven
dat
we
niet
door
de
listen
van
satan
onze
voortdurende
en
dagelijkse
gelegenheden
verzuimen
voor
heiligmaking.
De
tijd
voor
deze
voortdurende
diensten
werd
waargenomen
op
vaste
tijden
voor
aanbidding
door
de
hele
joodse
natie.
Wanneer
de
hele
volksmenigte
zich
verenigde
in
stil
gebed,
waren
hun
gezichten
gewend
naar
het
heiligdom
(PP
353,354E;
PP
316-318N;
Luc.1:10).
De
twee
olijfbomen
Opnieuw
vroeg
Zacharia
aan
de
Engel:
“Wat
betekenen
deze
twee
olijfbomen
aan
de
rechterzijde
van
de
kandelaar
en
aan
de
linkerzijde
daarvan...
deze
twee
olijftakken
die
door
de
twee
gouden
buizen
het
goud
van
zich
doen
uitvloeien?
De
Engel
antwoordde
en
zei:
Deze
zijn
de
twee
gezalfden,
die
staan
voor
de
Here
der
ganse
aarde.”
Zach.4:11-14.
Wat
wordt
door
deze
twee
gezalfden
verzinnebeeld?
Deze
twee
olijfbomen
die
de
lampen
van
olie
voorzien?
In
Openb.11:3,4
zegt
Jezus:
“Ik
zal
mijn
twee
getuigen
last
geven...
Dit
zijn
de
twee
olijfbomen...
die
voor
het
aangezicht
van
de
Here
der
aarde
staan.”
Wat
zijn
deze
twee
getuigen?
Zijn
het
niet
de
Schriften
die
“getuigen”
van
de
macht
van
God?
Van
de
oud-testamentische
schriften
zegt
Jezus:
“Zij
zijn
het,
die
van
Mij
getuigen.”
Joh.5:39.
En
betreffende
het
Nieuwe
Testament
verklaart
Hij:
“Dit
Evangelie
van
het
koninkrijk
zal
gepredikt
worden
tot
een
getuigenis.”
Matt.24:14.
Het
Oude
en
het
Nieuwe
Testament,
zijn
dus
“de
twee
getuigen”
van
Christus,
“de
twee
gezalfden,”
gesymboliseerd
door
de
twee
olijfbomen,
die
door
de
gouden
buizen
het
goud
van
zich
doen
uitvloeien.
Zij
vullen
de
lampen
van
zijn
lichtdragers
met
de
olie,
die
maakt,
dat
de
lampen
licht
geven.
“De
opening
van
Uw
Woord,
geeft
licht.”
“Uw
Woord
is
een
lamp
voor
mijn
voet
en
een
licht
op
mijn
pad.”
Psalm
119:130.105.
God
geeft
macht
aan
deze
twee
“getuigen”
en
zij
zijn
de
bron
van
onze
kracht,
zoals
zij
de
bron
van
Christus
macht
waren
toen
Hij
de
vijand
tegemoet
trad
met
de
oproep:
“Er
staat
geschreven.”
Matt.4:4,7,10.
Door
het
Woord
van
God,
voorziet
de
Heilige
Geest
de
lampen
van
olie
zodat
de
lampen
voortdurend
branden.
Slechts
door
een
voortdurende
studie
van
het
Oude
en
Nieuwe
testament,
is
het
voor
de
christen
mogelijk
de
volle
hoeveelheid
olie
voor
zijn
lamp
te
ontvangen,
zodat
hij
een
getuige
voor
Christus
kan
zijn.
Zonder
deze
voortdurende
stroom
olie
in
zijn
leven
zal
zijn
lamp,
zoals
die
van
de
vijf
dwaze
maagden,
zeker
uitgaan.
Er
zijn
sommigen,
die
bepaalde
delen
van
de
Bijbel
in
twijfel
trekken,
in
het
bijzonder
het
Oude
Testament
en
het
boek
de
Openbaring.
Wat
zal
het
resultaat
zijn
van
deze
beschadiging
aan
de
twee
olijfbomen?
“En
indien
iemand
hun
schade
wil
toebrengen
moet
hij
zo
de
dood
vinden.”
Openb.11:5.
De
olijfboom
groeit
langzaam
en
leeft
een
geweldig
lange
tijd,
een
teken
van
kracht
en
een
lang
leven.
“Maar
Ik
ben
als
een
groenende
olijfboom
in
het
huis
van
God.
Ik
vertrouw
op
Gods
goedertierenheid
voor
altoos
en
immer.”
Psalm
52:10.
Het
is
ook
een
teken
van
goddelijke
zegen
voor
ons
huis:
“Uw
zonen
zijn
als
olijfscheuten
rondom
uw
dis.”
Psalm
128:3.
Wie
stak
de
lampen
aan?
Aäron
de
hogepriester
stak
de
lampen
aan
(Num.8:3).
Evenzo
moet
Christus,
onze
Hogepriester,
de
lampen
in
ons
aansteken
alvorens
we
kunnen
schijnen
voor
Hem.
Hij
is
de
centrale
schacht.
Hij
zendt
olie
naar
alle
takken
en
dat
zonder
mate,
want
het
is
“de
mate
der
volheid
van
Christus.”
Ef.4:13.
Dit
kontakt
met
de
bron
van
licht,
kan
vergeleken
worden
met
de
elektrische
stroom
in
de
draden.
Slechts
als
we
verbonden
zijn
met
deze
kracht
kunnen
we
werkelijk
schijnen.
Een
verbroken
circuit
kan
de
stroom
niet
door
de
draden
laten
passeren
naar
de
lampen,
maar
een
volmaakt
circuit
brengt
kracht
en
overwinning
aan
de
mens.
De
Heilige
Geest
bracht
overwinning
aan
Gideon.
Hij
bracht
Philippus
in
aktie
en
de
Ethiopiër
werd
bekeerd.
Hij
werkte
door
Petrus
en
ook
Cornelius
aanvaardde
de
Verlosser.
De
verzorging
van
de
lampen
dient
‘s
morgens
en
‘s
avonds
te
geschieden
Wanneer
Aäron
‘s
morgens
op
het
altaar
wierook
in
rook
deed
opgaan,
trimde
hij
de
lampen
en
zette
het
licht
hoger
(Ex.30:7,8).
Iedere
morgen
deed
hij
dat.
‘s
Avonds
werd
een
verse
hoeveelheid
olie
in
de
lampen
gedaan
en
‘s
morgens
gingen
de
lampen
in
hun
volheid
branden
door
het
trimmen
of
in
orde
brengen.
Het
branden
van
de
wierook
en
de
zorg
voor
de
lampen
waren
nauw
met
elkaar
verbonden.
Zo
zal,
als
we
‘s
avonds
en
‘s
morgens
voor
ons
gebedsaltaar
neerknielen,
onze
Hogepriester
ons
meer
van
de
Heilige
Geest
geven
om
ons
geschikt
te
maken
voor
dienstbaarheid.
De
kandelaar:
een
lichtdrager
Het
doel
van
de
kandelaar
was
om
licht
te
geven.
Zo
is
het
enige
doel
van
de
kerk
het
verspreiden
van
licht.
Een
lamp
die
geen
licht
geeft
of
die
slecht
licht
geeft
(vaag
licht),
is
van
weinig
waarde
en
de
kerk
die
het
licht
niet
doet
schijnen
heeft
slechts
de
schijn
van
Godzaligheid
maar
zij
verloochent
de
kracht
daarvan
(2
Tim.3:5).
Dienstbaarheid
is
de
enige
reden
voor
het
bestaan
van
de
kerk.
Indien
zij
niet
schijnt,
wordt
de
wereld
in
duisternis
gelaten
en
velen
zullen
verdwalen
op
‘HET
PAD
NAAR
DE
TROON
VAN
GOD’.
Ieder
waar
lid
van
de
kerk
zal
zijn
licht
laten
schijnen
en
voortdurend
laten
schijnen,
ongeacht
waar
hij
zich
ook
bevindt.
Zo
zegt
Jezus
tot
Zijn
gemeente:
“Gij
zijt
het
licht
van
de
wereld...
laat
uw
licht
zo
schijnen.”
Matth.5:14,15.
Jezus
zegt,
dat
Hij
hier
van
ons
verwacht,
dat
wij
zijn
als
kaarsjes
brandend
in
de
nacht.
En
Hij
wenst
dat
ieder
tot
Zijn
ere
schijnt,
gij
in
uw
klein
hoekje
en
ik
‘t
mijn!
Jezus
zegt,
dat
Hij
ieders
kaarsje
ziet,
of
het
helder
licht
geeft,
of
ook
bijna
niet.
Hij
ziet
uit
de
hemel
of
wij
lichtjes
zijn,
gij
in
uw
klein
hoekje
en
ik
in
‘t
mijn!
Jezus
zegt
ons
ook
dat
‘t
zo
donker
is,
overal
op
aarde
zonde
en
droefenis.
Laat
ons
dan
in
‘t
duister
held’re
lichtjes
zijn,
gij
in
uw
klein
hoekje
en
ik
in
‘t
mijn!
(Aldus
een
kinderversje
dat
deze
waarheid
prachtig
in
dichtvorm
weergeeft).
Lichtdragen:
de
vrucht
van
geloof
Dienstbaarheid
die
werkelijk
schijnt,
is
de
wil
om
de
tweede
mijl
te
gaan.
“Zal
iemand
u
voor
één
mijl
pressen,
ga
er
twee
met
hem...
Maar
Ik
zeg
u
de
boze
niet
te
weerstaan,
doch
wie
u
een
slag
geeft
op
de
rechterwang,
keer
hem
ook
de
andere
toe;
en
wil
iemand
met
u
rechten
en
uw
hemd
nemen,
laat
hem
ook
uw
mantel.”
Matt.5:41,39,40.
Dit
betekent
echt
onze
vijanden
liefhebben.
Het
is
door
deze
dienst,
dat
we
de
titel
mogen
dragen
van:
“Kinderen
van
de
Vader
die
in
de
hemelen
is.”
Zulke
dienst
is
de
vrucht
van
allen
die
volmaakt
willen
zijn,
gelijk
hun
Vader
in
de
hemel
ook
volmaakt
is
(Matt.5:44,45,48).
Zo’n
dienst
zal
de
mensen
er
toe
brengen
om
God
te
verheerlijken
(Matt.5:16).
Zonder
deze
“twee
mijl
gewilligheid”,
kan
er
geen
waar
geloof
zijn.
“Toon
mij
dan
uw
geloof,
zonder
de
werken,
en
ik
zal
u
mijn
geloof
tonen
uit
mijn
werken”
of
zoals
Moffatt
het
weergeeft:
“Jij
toont
me
jouw
geloof
zonder
daden,
en
ik
wil
jou
door
mijn
daden
tonen
wat
geloof
is.”
Jac.2:17,18.
Deze
liefdearbeid
is
het
werk
des
geloofs
(Moffatt),
een
geloof
dat
werkt
door
liefde
(Gal.5:6).
Geloof
dat
voor
rechtvaardigheid
wordt
gerekend,
staat
voor
recht
doen
en
is
een
geloof
dat
resulteert
in
heiligmaking.
Dienst
zonder
geloof
en
liefde
wordt
een
dode
grauwe
dienst.
We
zijn
allen
dienstknechten,
“hetzij
dan
van
de
zonde
tot
de
dood,
hetzij
van
de
gehoorzaamheid
tot
gerechtigheid.”
Rom.6:16.
Hoe
kunnen
wij
dienstknechten
van
de
gehoorzaamheid
zijn?
Er
is
maar
één
weg:
“Doch
allen
die
Hem
aangenomen
hebben,
hun
heeft
Hij
macht
gegeven
om
kinderen
Gods
te
worden.”
Joh.1:12.
Deze
macht
is
het
geboorterecht
van
iedereen
die
de
wedergeboorte
heeft
ervaren,
iedereen
die
verzoend
en
gerechtvaardigd
is
in
de
voorhof
en
het
heiligdom
is
binnengegaan
om
geheiligd
te
worden.
Dit
wordt
zeer
krachtig
uitgedrukt
door
H.M.
Tippett
in
zijn
inspirerende
boek
“My
Lord
and
I”,
p.51:
«Het
is
Gods
bedoeling
dat
ieder
van
ons
een
geestelijk
meesterstuk
zou
zijn,
die
deel
uitmaakt
van
zijn
gebouw.
De
grote
tragedie
van
het
menselijk
leven
is
dat
we
zo
dikwijls
voor
onze
eigen
plannen
kiezen,
inplaats
van
die,
die
onze
hemelse
bestemming
aangeven.»
«De
tragedie
van
het
leven
in
geestelijke
dingen
is,
dat
een
honderdvoudige
kracht
slechts
het
dertigvoudige
opbrengt.»
Ibid.
31.
«God
reikt
door
onze
schroothoop
van
gebroken
voornemens,
verwelkte
idealen,
neergeslagen
hoop,
toegeschroeide
gewetens
en
een
eigenzinnige
wil
naar
de
begraven
talenten
van
de
edelmoedigheid
en
dienstbaarheid
om
ons
dienstknechten
der
gerechtigheid
te
maken.»
Ibid.
46.
Laten
we
onze
lampen
op
de
standaard
zetten
en
niet
onder
de
korenmaat,
en
ons
er
ten
alle
tijden
van
bewust
zijn
dat
«de
plaats
voor
ons
in
de
hemel
bereid
niet
zekerder
is
dan
de
plaats,
ons
op
aarde
toegewezen,
waar
wij
voor
God
moeten
werken.»
Col.3:5-17;
LLD
198.
De
centrale
van
God
De
bliksemstralen,
stemmen
en
donderslagen
die
uit
de
troon
komen
waarvoor
“de
zeven
vurige
fakkels”
branden,
kan
Gods
centrale
worden
genoemd.
Vanuit
deze
centrale
zendt
God
door
de
zeven
Geesten
van
God,
het
“Heilige
Geest-licht”
naar
de
zeven
brandende
kandelaren,
om
de
wereld
te
verlichten.
God
werkt
altijd.
De
engelen
werken;
het
zijn
dienaren
van
God
voor
de
mensenkinderen
en
het
is
Gods
bedoeling
dat
allen
wier
hart
verlicht
is
zullen
werken
en
vissers
van
mensen
zullen
zijn.
“Het
zwoegende
lastdier
beantwoordt
meer
aan
het
doel
waarvoor
het
geschapen
is,
dan
de
trage
mens...
Zij
die
uitzien
naar
een
hemel
van
nietsdoen
zullen
teleurgesteld
worden;
want
de
hemel
is
geen
plaats
van
nietsdoen.
Het
is
de
getrouwe
dienstknecht
die
wordt
verwelkomt
tot
de
vreugde
van
zijn
Heer
(MYP
216;
CT
280).
Daar
bij
de
zee,
in
Galilee.
Ging
de
Heiland
steeds
voorbij,
Vanaf
het
strand
riep
Hij,
volg
Mij,
en
Ik
zal
u
een
visser
van
mensen
maken.
Hij
roept
ook
vandaag,
met
ernstige
stem,
om
vissers.
En
de
stralendste
sterren
rondom
Gods
troon,
waren
vissers
van
mensen.
(Auteur
onbekend,
vrij
vertaald).
De
zegen
van
dienst
Onze
pogingen
om
anderen
te
helpen
en
te
wijzen
op
de
weg
des
levens,
zal
niet
alleen
hen
zegenen,
maar
als
gevolg
daarvan
zal
het
ons
zelf
zegenen.
Dit
was
de
bedoeling
van
God,
toen
Hij
ons
deed
deelnemen
in
het
plan
van
de
verlossing.
«Hij
heeft
de
mensen
het
voorrecht
geschonken
om
deelhebbers
te
worden
aan
de
goddelijke
natuur
en
op
hun
beurt
de
zegeningen
te
verspreiden
aan
de
medemens.
Dit
is
de
hoogste
eer,
de
grootste
vreugde,
die
God
aan
de
mensen
geven
kan.»
SC
83.
Zó
lichtdragen
is
niet
bekrompen
of
schraal.
Het
wordt
door
Lucas
als
volgt
beschreven:
“Geeft
en
u
zal
gegeven
worden:
een
goede,
gedrukte,
geschudde,
overlopende
maat
zal
men
in
uw
schoot
geven.
Want
met
de
maat,
waarmede
gij
meet,
zal
u
wedergemeten
worden.”
Luc.6:38.
Een
voor
God
aanvaardbare
dienst
wordt
ingegeven
door
de
Geest
van
Christus.
Van
hen
die
dienen
uit
zelfzuchtige
motieven
(en
het
doet
er
niet
toe
hoe
goed
die
dienst
aan
de
buitenkant
mag
lijken),
van
hem
is
geschreven:
“Daar
is
niemand
die
goed
doet,
zelfs
niet
één.”
Rom.3:11-12;
Psalm
14:3.
De
kandelaar:
een
symbool
van
de
Heilige
Geest
Zoals
reeds
is
opgemerkt,
het
tegenbeeld
van
de
zevenarmige
kandelaar
zijn
de
zeven
vurige
fakkels
die
branden
voor
de
troon,
welke
de
zeven
geesten
van
God
zijn
(Openb.4:5).
Deze
zeven
geesten
van
God
zijn
door
het
Lam
over
de
gehele
aarde
uitgezonden
(Openb.5:6).
Dit
was
de
vervulling
van
Zijn
laatste
belofte
aan
Zijn
discipelen:
“Maar
de
Trooster,
de
Heilige
Geest,
die
de
Vader
zenden
zal
in
Mijn
naam,
die
zal
u
alles
leren.”
Joh.16:7;
14:26.
Aan
hen
die
zoeken
zal
Hij
geestelijke
waarheid
openbaren
en
geestelijke
kracht
schenken.
Zoals
in
het
aards
heiligdom
de
kandelaar
een
beeld
is
van
het
laten
schijnen
“van
het
licht
in
de
dienst
van
God”,
zo
doorzoekt
de
Heilige
Geest
in
het
hemels
heiligdom
in
al
de
volheid
van
Zijn
zevenvoudige
macht
al
de
donkere
schuilhoeken
der
aarde
en
al
de
donkere
schuilhoeken
van
onze
arglistige
verderfelijke
harten.
Zo
wint
Hij
zielen
voor
de
gehoorzaamheid
aan
het
levende
Woord
van
God
(Jer.17:9).
Het
lijden
van
de
Heilige
Geest,
Die
pleit
met
onuitsprekelijke
verzuchtingen
(Rom.8:26),
en
Hij
pleit
voor
zondige
mensen,
wordt
verzinnebeeld
door
het
feit,
dat
niet
alleen
het
goud
gedreven
werd,
maar
ook
de
olie
die
in
de
kandelaar
werd
gebruikt
uit
gestoten
olijven
werd
verkregen.
Door
het
verwaarlozen
van
het
Woord,
het
gebed
en
de
dienst,
verwaarlozen
we
zulk
een
heil
(Hebr.2:3).
Laten
we
ons
in
acht
nemen
dat
we
de
Heilige
Geest
van
God
niet
bedroeven,
want
alleen
door
deze
vertegenwoordiger
zijn
we
verzegeld
tot
de
dag
van
de
verlossing
(Ef.4:30;
1:13).
Heiligmaking:
haar
relatie
tot
rechtvaardigmaking
De
termen
rechtvaardigmaking
en
heiligmaking
worden
gewoonlijk
slechts
vaag
en
te
dikwijls
geheel
verkeerd
begrepen.
Vaak
wordt
rechtvaardigmaking
verward
met
heiligmaking,
waar
het
ene
wordt
beschouwd
als
een
synoniem
van
het
andere,
terwijl
ze
in
werkelijkheid
geheel
verschillend
zijn.
Zoals
reeds
opgemerkt
worden
verzoening
en
rechtvaardigmaking
gesymboliseerd
in
de
voorhof,
en
resulteren
zij
in
de
wedergeboorte,
op
het
moment
dat
de
gerechtigheid
van
Christus
aan
de
berouwvolle
zondaar
wordt
“toegerekend”,
waardoor
al
zijn
vroegere
zonden
worden
bedekt.
Deze
gerechtigheid
wordt
niet
verkregen
door
de
werken
der
wet
(Rom.3:20,24).
Het
is
een
vrije
gave
van
Christus
door
geloof
alleen
(Rom.5:16,18;
Ef.2:8-10).
De
schenking
echter
van
deze
gave
is
het
werk
van
een
moment.
In
tegenstelling
daarmee
is
heiligmaking
het
werk
van
een
geheel
leven,
waarbij
wij
onze
behoudenis
bewerken
met
vreze
en
beven,
“want
God
is
het
Die
om
Zijn
welbehagen
zowel
het
willen
als
het
werken
in
u
werkt.”
Phil.2:12,13.
Dit
is
een
actieve
dynamische
christelijke
ervaring
in
de
dagelijkse
“gehoorzaamheid
aan
de
wet
van
God”.
Hier
worden
door
Christus
de
werken
der
wet
(maar
dan
als
vruchten
van
de
Geest)
in
het
dagelijkse
leven
geopenbaard.
Zonder
dat
is
het
geloof
dood
(Jac.2:16,17).
Gedurende
die
levenslange
ervaring
wordt
de
gerechtigheid
van
Christus
aan
de
christen
“meegedeeld”
d.w.z.
het
wordt
een
deel
van
zijn
leven.
“Opdat
ook
het
leven
van
Jezus
zich
in
ons
lichaam
openbare.”
2
Cor.4:10-11.
Zo
wordt
men
een
deelhebber
van
de
goddelijke
natuur.
Deze
gerechtigheid
die
in
de
voorhof
“toegerekend”
wordt,
wordt
in
het
heilige
“meegedeeld.”
Dit
is
een
prachtige
en
betekenisvolle
leer,
omdat
het
in
het
heiligdom
in
zijn
ware
perspektief
wordt
getoond.
De
eerste
ervaring
(rechtvaardigmaking)
geeft
ons
“recht
op
de
hemel,”
de
tweede
ervaring
(heiligmaking)
is
ons
«geschikt
zijn
voor
de
hemel.»
R&H
4
juni
1895.
De
Geest
van
God,
door
het
geloof
in
het
hart
ontvangen,
is
het
begin
van
het
eeuwige
leven
(Joh.17:3;
6:54;
GD
76-77).
Heiligmaking
is
een
drievoudige
ervaring,
in
het
heilige
gesymboliseerd
door
de
tafel,
het
altaar
en
de
kandelaar.
Het
is
krachtig
uitgedrukt
door
H.M.
Tippett:
«In
de
wachttijd
worden
zij
het
meest
gezegend
die
op
hun
tenen
staan,
zich
uitstrekkende
naar
de
beste
dingen
van
God...
Op
hun
tenen
in
het
gebed,
op
hun
tenen
in
getrouwe
studie
van
Gods
Woord,
op
hun
tenen
in
dienstbaarheid.»
‘My
Lord
and
I’
p.311.
Dit
zijn
de
drie
noodzakelijke
dingen
om
“op
te
groeien”
tot
volwassen
mannen
en
vrouwen
in
het
geloof.
Door
deze
actieve
krachten
wordt
de
geest
geheel
op
Christus
gericht
en
zo
“blijven
we
in
Hem.”
Dit
is
heiligmaking
die
in
het
licht
van
het
heiligdom
helder,
tastbaar
en
rijk
is
in
geestelijke
ervaring.
De
meest
eenvoudige
verklaring
over
rechtvaardigmaking
en
heiligmaking
is
van
Jezus
Zelf:
“Blijf
in
Mij,
gelijk
Ik
in
u.”
Door
de
rechtvaardiging
zijn
wij
“in
Hem”
en
vertrouwen
op
Zijn
werk
“voor
ons”.
Door
de
heiligmaking
komt
Hij
door
de
Geest
“in
ons”.
Als
een
spons
in
het
water
ligt
komt
het
water
in
de
spons.
Als
de
mens
“in
Christus
is”
d.w.z.
“gerechtvaardigd
is”
dan
komt
“Christus
in
de
mens”
d.w.z.
dan
wordt
hij
geheiligd.
Gaat
men
uit
Christus
dan
gaat
Christus
uit
ons.
Haal
de
spons
uit
het
water
en
het
water
gaat
uit
de
spons.
Gerechtigheid
door
het
geloof
Rechtvaardigmaking
en
heiligmaking
zijn
onlosmakelijk
met
elkaar
verbonden.
Het
“in
Christus
zijn”
is
noodzakelijk
en
onlosmakelijk
verbonden
met
Christus
in
ons.
Het
eerste
is
geheel
een
handeling
door
het
geloof
zonder
de
daden
van
de
wet,
door
het
offer
van
Christus
als
onze
gerechtigheid
voor
God,
als
een
vrije
gave;
het
tweede
is
het
werken
van
God
in
u,
het
willen
maar
ook
het
werken
naar
zijn
welbehagen
(Phil.2:12,13).
De
rechtvaardigmaking
wordt
zichtbaar
in
de
vruchten
in
ons
leven.
Beiden
komen
door
het
geloof
in
Christus.
Vanaf
de
tijd
dat
we
de
poort
van
de
voorhof
binnengaan,
is
de
gehele
christelijke
ervaring
“gerechtigheid
door
het
geloof”.
Slechts
op
die
wijze
kan
iemand
gerechtvaardigd
en
geheiligd
worden,
opdat
Christus
alles
mag
zijn
in
allen
(Col.3:11).
In
de
woorden
van
Petrus
wordt
dit
verkregen
door
“betoon
van
alle
ijver,
en
voeg
bij
uw
geloof,
deugd,
...
kennis,
...
zelfbeheersing,
...
volharding,
...
godsvrucht,
...
broederlijke
liefde,
...
liefde
jegens
allen
...”.
“Want
bij
wie
ze
niet
zijn,
die
is
verblind
in
zijn
bijziendheid,
daar
hij
de
reiniging
van
zijn
vroegere
zonde
heeft
vergeten...
want
als
gij
dit
doet...
zal
u
rijkelijke
toegang
worden
verleend
tot
het
eeuwige
Koninkrijk
van
onze
Here
en
Heiland,
Jezus
Christus.”
2
Petr.1:3-11.
Heiligmaking:
ons
paspoort
tot
het
heilige
der
heiligen
Terwijl
de
“toegerekende”
gerechtigheid
ons
bevrijdt
van
de
straf
voor
onze
vroegere
zonden,
bevrijdt
de
“meegedeelde
gerechtigheid”
ons
iedere
dag
van
de
macht
van
de
zonde
en
geeft
ons
macht
om
kinderen
Gods
te
zijn
(Joh.1:12).
Dit
zal
ons
voor
struikelen
behoeden
en
doet
ons
onberispelijk
staan
voor
Zijn
heerlijkheid
met
grote
vreugde
(Judas
24).
God
heeft
de
zonden
in
het
vlees
veroordeeld
door
het
zenden
van
Zijn
eigen
Zoon,
in
een
vlees
aan
dat
der
zonde
gelijk.
Hij
deed
dit,
opdat
Zijn
gerechtigheid
(de
eis
der
wet)
in
ons
vervuld
zou
worden
(Rom.8:3,4).
Door
zo
de
zonde
in
het
vlees
van
Zijn
Zoon
te
veroordelen.
“Deze
dingen
schrijf
ik
aan
u,
opdat
gij
niet
zondigt.”
1
Joh.2:1.
Allen
die
hun
lichaam,
ziel
en
geest
aan
God
wijden
zullen
voortdurend
nieuwe
lichamelijke
en
geestelijke
kracht
ontvangen.
De
onuitputtelijke
voorraden
des
hemels
staan
tot
hun
beschikking
(DA
827).
Als
we
trouw
zijn
aan
onze
doopbeloften,
trouw
in
het
bestuderen
en
gehoorzamen
van
Gods
Woord,
trouw
in
het
gebed
en
in
onze
afhankelijkheid
van
onze
Verlosser
en
optreden
als
gezanten
van
Christus
door
anderen
te
smeken
om
zich
met
God
te
verzoenen,
als
dit
onze
ervaring
is,
dan
zullen
we
aan
het
einde
van
onze
levensreis
worden
bekleed
met
het
bruiloftskleed
van
fijn
zuiver
en
wit
linnen
(Openb.19:7-8).
Wanneer
we
onze
wandel
in
de
tent
der
samenkomst-
het
heilige
-
hebben
beëindigd,
dan
kunnen
we
met
Paulus
zeggen:
“Ik
heb
de
goede
strijd
gestreden,
ik
heb
mijn
loop
ten
einde
gebracht,
ik
heb
het
geloof
behouden.
Voorts
ligt
voor
mij
gereed,
de
kroon
der
rechtvaardigheid,
welke
te
dien
dage
de
Here,
de
rechtvaardige
rechter,
mij
zal
geven,
doch
niet
alleen
mij,
maar
ook
allen,
die
Zijn
verschijning
hebben
liefgehad.”
2
Tim.4:7-8.
Dan
zullen
wij
de
naam
des
Vaders,...
Zijn
karakter,
op
ons
voorhoofd
hebben
(Openb.22:4).
Dit
is
heiligmaking;
het
is
ons
paspoort
tot
het
heilige
der
heiligen
in
aanwezigheid
van
Zijn
heerlijkheid
voor
de
volmaking
van
het
karakter
zodat
het
zonder
enige
gebrek
is
(Judas
24).
(“HET
PAD
NAAR
DE
TROON
VAN
GOD”
Sarah
E.
Peck)