De
tweede
stap
in
heiligmaking
Van
de
tafel
der
toonbroden
gaan
we
naar
het
gouden
altaar,
het
reukofferaltaar,
het
gebedsaltaar.
De
eerste
stap
in
heiligmaking
wordt
door
de
tafel
gesymboliseerd.
Het
altaar
symboliseert
de
tweede
stap
in
het
christelijke
groeiproces.
Het
is
een
nieuwe
voorwaartse
stap
op
‘HET
PAD
NAAR
DE
TROON
VAN
GOD’.
Gebed
is
even
noodzakelijk
voor
onze
geestelijke
groei
als
het
deelnemen
aan
de
tafel
van
het
Levende
Brood.
In
feite
gaan
ze
hand
in
hand.
Het
woord
van
God
is
ons
geestelijk
voedsel
en
gebed
is
de
adem
van
de
ziel.
In
de
heiligdomsdienst
wordt
noch
de
dienst
bij
de
tafel
noch
die
bij
de
kandelaar
gescheiden
van
de
dienst
bij
het
altaar.
Wierook
werd
op
het
brood
geplaatst
en
‘s
morgens
en
‘s
avonds
als
de
lampen
verzorgd
werden
(Ex.30:7-8)
werd
er
wierook
op
het
altaar
geofferd.
De
wierook
van
een
vurig
effectief
gebed
moet
samen
gaan
met
het
eten
van
het
Brood
des
Levens,
maar
ook
met
de
dienst
als
lichtdragers.
De
christen
die
in
het
heilige
woont
zal
een
gebedsleven
leiden,
want
slechts
in
voortdurende
gemeenschap
met
Christus
kan
hij
volmaakt
worden
en
slechts
op
deze
wijze
geheiligd
worden
(Hebr.10:14).
Het
gouden
altaar
en
zijn
betekenis
Ex.30:1-10.
Evenals
de
tafel,
was
het
gouden
altaar
van
acaciahout
gemaakt
en
met
zuiver
goud
overtrokken.
Het
was
een
el
lang
en
een
el
breed.
De
hoogte
was
twee
el
of
ongeveer
drie
voet.
Evenals
het
koperen
altaar
was
het
vierkant
en
het
had
vier
hoornen:
één
op
elke
hoek.
In
tegenstelling
met
het
koperen
altaar
had
het
een
gouden
omlijsting,
een
gouden
krans
erom
heen.
De
twee
draagstokken
waarmee
het
werd
vervoerd,
waren
ook
van
hout
gemaakt
en
met
goud
overtrokken.
De
vier
ringen
waardoor
de
draagstokken
werden
gestoken,
waren
van
zuiver
goud.
Het
altaar
stond
in
het
heilige,
in
de
tent
der
samenkomst
vóór
het
voorhangsel
(Ex.40:26).
Alleen
het
heilige
vuur
mocht
er
op
branden
en
er
werd
alleen
maar
reukwerk
op
verbrand,
geen
andere
offers.
Op
Grote
Verzoendag
werd
er
verzoening
gedaan;
dit
was
“het
uitdelgen”
van
de
zonden
die
er
het
gehele
jaar
door
opgeslagen
werden
(Ex.30:9-10;
Lev.4:18).
Omdat
het
goud
het
zinnebeeld
van
de
Almachtige
is
(Job.22:25)
symboliseerde
het
gouden
altaar
Christus.
Zowel
de
tafel
als
het
altaar
waren
met
goud
overtrokken,
een
zinnebeeld
van
de
verbinding
tussen
goddelijkheid
en
menselijkheid
in
Christus
en
Zijn
volgelingen.
Zowel
aan
het
brandofferaltaar
als
aan
het
gebedsaltaar
wijzen
de
vier
hoornen
op
Christus.
Zij
duiden
kracht,
macht,
overwinning
en
eer
aan.
Gebed
is
het
persoonlijke,
machtige
wapen
van
de
christen
om
zonde
te
overwinnen.
Het
is
de
kracht
in
zijn
leven
van
dienstbaarheid
voor
anderen.
Gebed
brengt
overwinning
en
het
is
zeker
een
eer
om
door
de
Allerhoogste
uitgenodigd
te
worden
om
zo
dicht
bij
de
troon
gemeenschap
te
hebben
met
Hem.
«Smeekbeden
tussen
mensen
onderling
zetten
mensen
in
beweging
en
dragen
bij
in
het
besturen
van
de
aangelegenheden
der
volkeren,
maar
het
gebed
brengt
de
hemel
in
beweging.»
S&DofG
335.
Zowel
de
kransen
rond
de
tafel
als
de
krans
rond
het
altaar
verzinnebeelden
niet
alleen
macht,
maar
ook
de
beloning
die
de
christen
door
“volhardend
gebed”
te
zijner
tijd
ontvangt
(Hebr.4:16;
Jac.1:12).
In
het
koperen
altaar
wordt
de
offerande
van
Christus
verzinnebeeld
in
Zijn
werk
voor
ons
op
de
aarde,
maar
in
het
gouden
altaar
aanschouwen
we
Hem
in
Zijn
werk
in
de
hemel,
waar
Hij
altijd
leeft
om
voor
ons
te
pleiten
(Hebr.7:25).
«Voor
het
voorhangsel
van
het
heilige
der
heiligen
stond
een
altaar
van
voortdurende
bemiddeling
en
voor
het
heilige
een
altaar
van
voortdurende
verzoening.
Door
bloed
en
door
reukwerk
moest
God
benaderd
worden
(symbolen
die
op
de
grote
middelaar
wezen)
door
wie
zondaars
tot
Jahweh
mogen
naderen
en
door
Wie
alleen
genade
en
zaligheid
kan
worden
geschonken
aan
berouwvolle
gelovige
zielen.»
PP
353E;
PP
316N.
Het
reukwerk
en
zijn
betekenis
Het
reukwerk
werd
samengesteld
uit
vier
fijne
kruiden,
te
weten:
druipende
hars,
onix
en
galbanum
en
zuivere
wierook.
Het
werd
vermengd
en
uiterst
fijn
gewreven.
Van
elk
van
deze
vier
geurige
ingrediënten
werd
evenveel
genomen
en
dit
mengsel
produceerde
-
vooral
wanneer
het
verbrand
werd,
-
een
heerlijke
welriekend
parfum.
Opdat
de
wierook
altijd
gereed
zou
zijn
voor
gebruik,
werd
ze
bewaard
“vóór
de
getuigenis
in
de
tent
der
samenkomst”:
een
naam
die
vaak
werd
gebruikt
voor
het
heilige
van
de
tabernakel
(Ex.30:34-36).
In
de
wierook
vinden
we
weer
het
veelbetekende
getal
vier.
Evenals
de
vier
ingrediënten
in
het
brood,
zo
verzinnebeelden
de
vier
geurige
kruiden
van
de
wierook
Christus
in
Zijn
volmaakte
gerechtigheid.
Zoals
sommige
delen
van
de
wierook
tot
zeer
kleine
stukjes
werden
geslagen,
zo
werd
Christus
door
lijden
heen
volmaakt,
opdat
Hij
een
genadevol
Hogepriester
zou
zijn
om
de
zonden
van
het
volk
te
verzoenen
(Ex.30:36;
Hebr.2:10,17).
Ons
lijden
leidt
ons
eveneens
naar
het
gebedsaltaar,
waar
we
versterkt
en
geschikt
gemaakt
worden
om
anderen
te
helpen.
Het
voortdurende
reukwerk
«Het
vuur
op
het
altaar
was
door
God
Zelf
aangestoken
en
werd
als
heilig
vuur
altijd
brandende
gehouden.
Dag
en
nacht
verspreidde
de
heilige
wierook
zijn
geur
door
het
heiligdom
en
zelfs
ver
buiten
de
tabernakel.»
PP
348E;
PP
312N.
Zoals
het
brood
“gedurig”
aanwezig
was,
zo
was
ook
de
wierook
die
met
de
gebeden
van
het
volk
geofferd
werd,
“bestendig”
voor
het
aangezicht
des
Heren.
Ex.30:8.
Gebed
is
“de
adem
van
de
ziel”
en
gelijk
we
ademen
zouder
ophouden,
zo
moeten
we
zonder
ophouden
bidden
of
zoals
Moffatt
het
weergeeft:
“Geef
het
gebed
nooit
op.”
1
Thess.5:17.
Wie
offerde
de
wierook?
Gods
instructie
aan
Mozes
was:
“Aäron
(de
hogepriester)
nu
zal
daarop
welriekend
reukwerk
in
rook
doen
opgaan;
elke
morgen,
wanneer
hij
de
lampen
in
orde
maakt,
zal
hij
het
in
rook
doen
opgaan.
Ook
wanneer
Aäron
de
lampen
aansteekt
in
de
avondschemering
zal
hij
het
in
rook
doen
opgaan
voor
het
aangezicht
des
Heren
als
een
bestendig
reukwerk
voor
uw
geslachten.”
Ex.30:7,8.
Wanneer
Aäron
wierook
offerde,
rustte
de
heerlijkheid
des
Heren
boven
het
verzoendeksel,
hetgeen
betekende
dat
God
het
offer
aanvaard
had.
Aldus
worden
onze
gebeden
door
onze
hemelse
Hogepriester
en
Middelaar
voor
God
gebracht.
Zijn
verdienste,
wordt
zo
(als
de
wierook)
voordurend
in
ons
belang
voor
God
geofferd.
En
het
is
Gods
belofte,
dat
Hij
ieder
verzoek
van
Zijn
Zoon
zal
beantwoorden
(Psalm
89:20-38;
Jac.5:16;
1
Petr.2:5;
GD
66-67).
Het
familie-altaar
Ten
tijde
dat
de
wierook
geofferd
werd
(dat
is
‘s
morgens
en
‘s
avonds)
stond
de
hele
vergadering
van
het
volk
buiten
te
bidden
(Luc.1:10).
Het
was
het
geheiligde
uur
voor
aanbidding,
waarop
Israël
zich
opnieuw
aan
de
Heer
en
aan
Zijn
dienst
wijdde,
zoals
gesymboliseerd
in
de
brandende
lampen.
In
dit
gebruik
vinden
christenen
een
voorbeeld
voor
het
ochtend
en
avondgebed.
God
ziet
met
welgevallen
neer
op
hen
die
Hem
liefhebben
en
die
elke
morgen
en
avond
zich
neerbuigen
om
vergiffenis
te
zoeken
voor
begane
zonden
en
hun
smeekbeden
voor
de
benodigde
zegeningen
aan
Hem
voor
te
leggen
(PP
345E;
PP
318N).
Voor
gezinnen
die
dagelijks
tijd
nemen
voor
de
morgen
en
avondwijding
heeft
God
één
van
zijn
kostbaarste
beloften
gegeven:
“Daar
zal
Ik
met
u
samenkomen.”
Ex.30:6.
Deze
gewoonte
zal
in
onze
huizen
zijn
geur
verspreiden,
en
niet
in
het
huis
alleen,
maar
ver
buiten
onze
tabernakel.
Het
zal
kracht,
macht
en
overwinningen
brengen,
niet
slechts
in
onze
eigen
ervaringen,
maar
ook
in
ons
pogen
voor
anderen.
Dit
is
het
loon
voor
allen
die
‘s
morgens
en
‘s
avonds
getrouw
en
oprecht
de
wierook
van
hun
gebeden
offeren
op
het
familie
altaar.
Maar
vraag
toch
het
gedierte
en
het
zal
u
onderrichten.”
Job.12:7.
Als
de
avond
daalt
in
de
woestijn
knielt
een
kameel
en
laat
zijn
last
door
zijn
geleider
naast
zich
leggen.
Ook
gij
mijn
ziel
kniel
neer
en
zie
dan
op
naar
uwen
Heer
en
geef
uw
last
aan
Hem.
Hoe
zoudt
gij
anders
‘s
morgens
vroeg
uw
last
nog
verder
dragen
na
zo
een
nacht
vol
tegenspoed.
En
‘s
morgens
vroeg
na
een
nacht
vol
rust
knielt
de
kameel
opnieuw.
En
draagt
zijn
last
met
frisse
moed.
Zo
ook
mijn
ziel
kniel
in
de
morgen
en
spreek
met
uwen
Heer
en
vraag
of
gij
vandaag
moogt
zorgen.
Hij
is
uw
Vriend
en
Heer
Hij
geeft
een
lichte
last
als
gij
Zijn
juk
wilt
dragen.
(Vrij
vertaald
naar
Anna
Temple
Whitney)
Gebed
is
niet
noodzakelijk
om
God
onze
noden
te
vertellen:
Hij
weet
immers
alles
voordat
we
Hem
daarom
vragen.
Hij
begrijpt
al
onze
moeilijkheden.
«Gebed
brengt
God
niet
naar
beneden,
maar
brengt
ons
bij
Hem.»
SC
97.
Daardoor
worden
wij
bereid
Hem
te
ontvangen,
Zijn
gaven
te
waarderen
en
te
gebruiken
tot
Zijn
eer.
Regelmatige
“morgenwijding”
vereist
standvastigheid
van
doel
en
een
oprechte
liefde
voor
God
die
door
ongunstige
omstandigheden
of
ontmoedigende
stemmingen
niet
omvergeworpen
kan
worden.
Iedere
morgen,
voordat
de
plichten
en
de
zorgen
van
de
dag
de
gelegenheid
hebben
gekregen
ons
te
beroven
van
de
gemeenschap
met
God,
moeten
wij
ons
leven
onder
Zijn
bestuur
plaatsen
en
dat
brengt
ons
heel
de
dag
een
rijke
zegen.
Als
we
deze
“morgenwijding”
koesteren,
komen
we
daar
opgebeurd
en
met
meer
zekerheid
uit
om
de
problemen
van
het
leven
aan
te
kunnen.
Het
stille
gebed
Het
gezinsgebed
en
het
openbaar
gebed
hebben
ieder
hun
eigen
plaats,
maar
het
is
het
stille
gebed
dat
de
gemeenschap
met
God
en
het
zieleleven
ondersteunt.
Op
de
berg,
alleen
met
God,
aanschouwde
Mozes
het
model
van
de
prachtige
woning
waar
Gods
heerlijkheid
aanbeden
moest
worden.
Het
is
op
de
berg
met
God...
de
stille
plaats
der
gemeenschap...
waar
we
Zijn
heerlijke
ideaal
voor
de
mensheid
moeten
overpeinzen.
Dan
zullen
we
in
staat
zijn
om
ons
karakter
zo
te
vormen,
dat
de
belofte
aan
ons
vervuld
kan
worden.
«Ik
zal
in
hen
wonen
en
met
hen
wandelen
en
Ik
zal
hun
God
zijn
en
zij
zullen
Mijn
volk
zijn.»
GW
254;
Ex.25:6.
In
de
stilte
van
Zijn
aanwezigheid,
is
mijn
ziel
verheugd
te
zijn
verborgen,
o,
hoe
kostbaar
zijn
de
lessen,
die
ik
leer
aan
Jezus
zijde.
Aardse
zorgen
kunnen
mij
niet
boeien,
noch
beproevingen
mij
neder
slaan,
want
als
satan
komt
om
mij
te
bekoren,
naar
de
stille
plaats
zal
ik
dan
gaan.
(Vrij
vertaald
naar
Ellen
Lakshine
Gereh)
Het
gebedsaltaar
staat
het
dichtst
bij
de
troon
Het
reukofferaltaar
stond
dichter
bij
de
ark
dan
welk
voorwerp
ook
van
het
heilige.
Het
stond
vlak
voor
het
voorhangsel
(dat
is
vóór
de
ark
der
getuigenis)
vóór
het
verzoendeksel
dat
boven
de
getuigenis
is:
“Waar
Ik
met
u
zal
samenkomen.”
Ex.30:6.
Het
stond
voor
de
troon
(Openb.8:3).
Met
zijn
wierookoffer
werd
de
priester
dichter
in
de
aanwezigheid
van
God
gebracht,
dan
met
enige
andere
handeling
in
zijn
dagelijkse
bediening.
«Wanneer
de
priesters
wierook
voor
God
offerden
keken
zij
in
de
richting
van
de
ark
en
als
de
wierookwolk
opsteeg,
daalde
de
heerlijkheid
van
God
op
het
verzoendeksel
en
vulde
het
heilige
der
heiligen
en
vaak
werden
beide
afdelingen
er
zo
mee
vervuld,
dat
de
priester
gedwongen
was
zich
naar
de
deur
van
de
tabernakel
terug
te
trekken.
Zoals
in
de
zinnebeeldige
dienst
de
priester
door
het
geloof
in
de
richting
van
het
verzoendeksel
keek
(dat
hij
niet
zien
kon),
zo
moet
ook
het
volk
van
God
zijn
gebeden
richten
tot
Christus
hun
grote
Hogepriester,
Die
ongezien
door
het
menselijk
oog,
pleit
in
hun
belang
in
het
heiligdom
hierboven.»
PP
353E;
PP
316N.
Jezus
onze
Hogepriester
presenteert
onze
gebeden
In
Openbaring
5:8
worden
wezens
voorgesteld
die
gouden
schalen
vol
reukwerk
hebben,
welke
“de
gebeden
van
de
heiligen
zijn”;
en
in
Openb.8:3
offert
de
engel
wierook
vermengd
met
de
gebeden
van
de
heiligen
op
het
gouden
altaar
dat
zich
voor
de
troon
bevindt.
Is
dit
reukwerk
hetzelfde
als
de
gebeden
der
heiligen
die
op
het
gouden
reukofferaltaar
worden
geofferd?
«Het
reukwerk
dat
opsteeg
met
de
gebeden
van
Israël,
is
een
voorstelling
van
de
verdiensten
en
het
middellaarschap
van
Christus,
van
Zijn
volmaakte
gerechtigheid.»
PP
353;
PP
316N.
«De
gebeden
van
Gods
volk
gaan
door
de
verdorven
kanalen
van
de
menselijkheid,
en
tenzij
zij
gereinigd
worden
door
de
gerechtigheid
van
de
grote
Hogepriester,
zijn
zij
voor
God
niet
aanvaardbaar.
Christus
voegt
daar
de
verdiensten
van
Zijn
smetteloze
gerechtigheid
aan
toe.
Zó
doorgeurd,
stijgen
zij
op
als
lieflijk
reukwerk
voor
God
en
worden
genadige
antwoorden
verkregen.»
EGW
in
YI
april
16,
1903;
Bijbelkommentaar
474.
De
verdiensten
van
Christus
worden
verzinnebeeldt
door
de
wierook;
de
gebeden
van
de
heiligen
die
oprijzen
als
lieflijk
reukwerk
die
vermengd
zijn
met
de
verdiensten
van
Christus.
Daarvan
zegt
David:
“Laat
mijn
gebed
als
reukoffer
voor
Uw
aangezicht
verschijnen.”
Psalm
141:2.
Petrus
zegt:
“Geestelijke
offers,
die
Gode
welgevallig
zijn
door
Jezus
Christus.”
1
Petr.2:5.
Waarom
sommige
gebeden
niet
beantwoord
worden
Het
leven
van
onze
Hogepriester
is
gewijd
aan
het
ontvangen
van
onze
verzoeken
en
het
presenteren
daarvan
aan
de
Vader.
“Daar
Hij
altijd
leeft
om
voor
hen
te
pleiten.”
Hebr.7:25.
En
de
Vader
schept
er
behagen
in
om
elk
oprecht
gebed
te
beantwoorden.
Waarom
worden
dan
sommige
gebeden
niet
beantwoord?
Laten
we
enkele
redenen
in
overweging
nemen.
Ongeloof
hindert
God
God
heeft
beloofd:
“Wie
tot
Mij
komt,
zal
Ik
geenzins
uitwerpen.”
Joh.6:37.
Geloven
we
Hem,
of
maken
we
Hem
door
ons
ongeloof
tot
een
leugenaar?
(1
Joh.5:10).
Tenzij
wij
in’t
geloof
vragen
geldt
het
volgende
voor
ons
“want
zulk
een
mens
moet
niet
menen
dat
hij
iets
van
de
Here
zal
ontvangen.”
Jac.1:5.
“Zonder
geloof
is
het
onmogelijk
Hem
aangenaam
te
zijn;
want
hij
die
tot
God
komt,
moet
geloven,
dat
Hij
bestaat
en
een
beloner
is
voor
hen
die
Hem
ernstig
zoeken.”
Hebr.11:6.
Laten
wij
de
hierna
volgende
edelsteen
altijd
in
gedachten
houden:
«Gebed
is
de
sleutel
in
de
hand
van
de
gelovige,
om
de
voorraadschuur
van
de
hemel
te
ontsluiten,
die
vol
is
met
de
onuitputtelijke
hulpbronnen
van
de
Almachtige.»
SC
98,99.
Zelfzucht
hindert
God
Dat
onzelfzuchtigheid
een
voorwaarde
is
voor
het
beantwoorden
van
gebeden
wordt
ons
in
het
heiligdom
geleerd.
“En
wat
het
reukwerk
betreft
dat
gij
bereiden
zult,
volgens
deze
bereidingswijze
zult
gij
het
niet
voor
u
zelf
maken;
het
zal
u
iets
heiligs
zijn
voor
de
Here.”
Ex.30:37.
Vanwege
het
zuivere
en
heilige
karakter
van
de
gerechtigheid
van
Christus,
dat
door
de
wierook
werd
verzinnebeeld,
was
de
straf
voor
het
gebruik
ten
eigen
bate:
“De
man
die
iets
soortgelijks
maken
zal
om
daaraan
te
ruiken,
zal
uit
zijn
volksgenoten
uitgeroeid
worden.”
Ex.30:38.
Zo’n
zelfzuchtig
gebruik
van
wierook
schijnt
zelfzuchtige
gebeden
te
verzinnebeelden.
“Gij
bidt
wel,
maar
gij
ontvangt
niet,
doordat
gij
verkeerd
bidt,
om
het
in
uw
hartstochten
door
te
brengen.”
Jac.4:3.
Zulke
gebeden,
inplaats
van
ons
tot
God
op
te
heffen,
snijden
ons
van
God
af.
Van
Rafaël
wordt
gezegd
dat
hij
de
gewoonte
had
een
kaars
in
een
kartonnen
hoed
te
dragen,
zodat
zijn
schaduw
niet
op
zijn
werk
zou
vallen.
Vele
gebeden
zijn
bezoedeld
door
onze
eigen
schaduw.
Te
vaak
bidden
we
om
datgene
wat
wij
willen
hebben
en
niet
om
dat
wat
strekt
tot
Gods
eer.
Opzettelijke
ongehoorzaamheid
hindert
God
Wanneer
de
priester
wierook
offerde
voor
de
Heer,
keek
hij
in
de
richting
van
de
ark
en
in
de
ark
was
de
wet
van
God.
Oprechte
gehoorzaamheid
aan
de
wet
van
God
is
een
voorwaarde
voor
het
beantwoorden
van
gebeden,
want
ons
wordt
verteld:
“Wie
zijn
oor
afwendt
van
het
horen
der
wet,
diens
gebed
zelfs
is
een
gruwel.”
Spr.28:9.
Een
boos
hart
hindert
God
“Had
ik
onrecht
beoogd
in
mijn
hart,
dan
zou
de
Here
niet
hebben
gehoord.”
Psalm
66:18.
De
gedachte
in
het
woord
“beoogd”
is,
dat
er
geen
ernstige
poging
gedaan
wordt
om
ze
op
te
geven.
Geheime
zonden
die
gekoesterd
worden
blokkeren
onze
toegang
tot
Hem.
Ongerechtigheden
moeten
opgegeven
worden,
indien
we
oprecht
willen
bidden.
We
moeten
op
ons
voorhoofd
de
kandelaar
van
zelfverloochening
hebben,
...
we
moeten
gewillig
zijn
en
vastbesloten
om
alle
slechte
gewoonten,
gekoesterde
zonden,
een
slecht
humeur,
trots,
hebzucht,
onreinheid,
traagheid,
roddel,
toorn,
haat
en
alle
andere
ondeugden
weg
te
doen.
We
moeten
de
hoofdweg
van
de
Koning
zuiveren,
zodat
Jezus
onze
smekingen
voor
God
vermengd
met
de
wierook
van
Zijn
gerechtigheid
kan
presenteren,
opdat
er
kracht
aan
het
gebed
verleend
worde
(Jac.5:16).
“Een
ieder
die
de
naam
des
Heren
noemt,
breke
met
de
ongerechtigheid.”
2
Tim.2:19.
Oneerbiedigheid
hindert
God
Oneerbiedigheid
is
onaangenaam
voor
God
en
het
zou
ons
moeten
tegenstaan
om
God
op
een
oneerbiedwaardige
manier
te
benaderen.
De
grote
almachtige
en
heilige
God
moet
eerbiedig
worden
toegesproken
en
niet
op
de
manier
waarop
wij
mensen
elkaar
toespreken
of
zoals
we
dat
t.o.v.
een
groot
wereldlijk
heerser
zouden
doen.
Als
we
voor
Zijn
aangezicht
verschijnen
moeten
we
bedenken,
dat
Hij
de
Koning
der
koningen
is,
Die
woont
in
een
ontoegankelijk
licht.
Is
het
dan
een
wonder
dat
vele
van
onze
gebeden
nooit
de
troon
van
God
bereiken?
Een
onverzoenlijke
geest
hindert
God
“Vergeef
ons
onze
schulden,
gelijk
ook
wij
vergeven
onze
schuldenaren,”
is
het
gebed
dat
Jezus
Zijn
discipelen
leerde.
“Indien
gij
de
mensen
niet
vergeeft,
zal
ook
uw
hemelse
Vader
uw
overtredingen
niet
vergeven.”
Matt.6:12,15.
We
moeten
zelfs
verder
gaan.
“Wanneer
gij
dan
uw
gave
brengt
naar
het
altaar,
en u
daar
herinnert
dat
uw
broeder
iets
tegen
u
heeft,
laat
uw
gave
daar
voor
het
altaar
en
ga
eerst
heen,
verzoen
u
met
uw
broeder
en
kom
en
offer
daarna
uw
gave.”
Matt.5:23,24.
Petrus
had
moeilijkheden
op
dit
punt.
“Heer”,
vroeg
hij:
“Hoeveel
maal
zal
mijn
broeder
tegen
mij
zondigen
en
moet
ik
hem
vergeven?
tot
zevenmaal
toe?
Jezus
zeide
tot
hem:
Niet...
tot
zeven
maal
toe
maar
tot
zeventig
maal
zevenmaal.”
Om
dit
verder
te
verklaren
vertelde
Hij
de
gelijkenis
van
de
onbarmhartige
dienstknecht,
wiens
heer
hem
een
schuld
van
tienduizend
talenten
had
vergeven,
in
de
huidige
waarde
ongeveer
300
miljoen
dollar,
hetgeen
symboliseert,
wat
wij
Christus
schuldig
zijn
voor
onze
verlossing.
Maar
toen
een
mededienstknecht
hem
honderd
penningen
schuldig
was
die
hij
niet
kon
betalen,
greep
hij
hem
bij
de
keel
en
wierp
hem
in
de
gevangenis
tot
hij
alle
schuld
betaald
zou
hebben.
Schande
over
ons
die
zo
onuitsprekelijk
veel
vergeven
is,
indien
we
niet
van
harte
de
schuld
van
iedere
broeder
vergeven.
Tot
zulke
mensen
zegt
Christus:
“Alzo
zal
ook
Mijn
hemelse
Vader
u
doen.”
Matt.18:21-35.
Gebed
met
dankzegging
is
aangenaam
voor
God
Paulus
verbond
gebed
met
dankbaarheid
en
goede
gedachten,
en
dit
is
niet
toevallig.
Hij
zegt:
“Weest
in
geen
ding
bezorgd,
maar
laten
wij
alles
uw
wensen
door
gebed
en
smeking
met
dankzegging
bekend
worden
bij
God...
Voorts
broeders,
al
wat
waar,
al
wat
waardig,
al
wat
rechtvaardig
is,
al
wat
rein,
al
wat
beminnelijk,
al
wat
welluidend
is,
al
wat
deugd
heet
en
lof
verdient,
bedenkt
dat.”
Phil.4:6,8.
Zulke
gedachten
bereiden
ons
voor
om
te
bidden
met
verzekerdheid.
«Als
we
voor
God
onze
waardering
voor
de
verdiensten
van
Christus
erkennen,
dan
wordt
er
reukwerk
aan
onze
gebeden
toegevoegd...
Zijn
verdiensten
zijn
als
geurige
wierook.»
ST
178.
Wanneer
we
verleid
worden
om
God
te
grieven
voor
onbeantwoordde
gebeden,
dan
doen
we
er
goed
aan
te
denken
aan
de
woorden
van
Longfellow:
«Wat
een
wanorde
zouden
we
in
het
universum
brengen
als
al
onze
gebeden
verhoord
werden.
Dan
zouden
“wij”
de
wereld
regeren
en
niet
God.
En
denkt
u
dat
wij
beter
zouden
regeren?...
Zoals
bange
vrouwen
naar
de
teugels
grijpen,
wanneer
er
gevaar
is,
zo
grijpen
wij
naar
Gods
bestuur
met
onze
gebeden.
Wees
dankbaar
met
een
volkomen
hart
en
onderwerpt
u
aan
Gods
wil.»
Onderwerping
noodzakelijk
voor
een
effectief
gebed
Onderwerping
aan
de
wil
van
God
is
een
eerste
vereiste
voor
een
effectief
gebed.
Toen
Christus
tot
driemaal
toe
in
zielsangst
bad:
“Vader,
indien
het
mogelijk
is,
laat
deze
drinkbeker
aan
Mij
voorbijgaan”
voegde
Hij
er
elke
keer
aan
toe:
“Maar
niet
Mijn
wil,
maar
Uw
wil
geschiedde.”
Matt.26:39.
Hoorde
de
Vader
Zijn
Zoon
niet?
O,
ja!
Zijn
gebed
werd
beantwoord
overeenkomstig
Gods
wil
(1
Joh.5:14-15).
Het
was
ter
wille
van
ons,
dat
de
beker
niet
werd
teruggenomen.
Dezelfde
volledige
onderwerping
van
onze
kant
is
de
eerste
vereiste
voor
de
beantwoording
van
het
gebed.
God
geeft
ons
altijd
wat
goed
voor
ons
is
en
wat
bijdraagt
aan
Zijn
heerlijkheid;
Hij
kan
ten
aanzien
van
onze
gebeden
(waarvan
wij
niet
weten
of
de
inwilliging
ervan
goed
voor
ons
is)
in
plaats
van
‘ja’
ook
‘nee’
zeggen
of
‘heb
geduld’.
Maar
altijd
kunnen
we
de
juiste
beslissing
aan
Hem
toevertrouwen
in
hoeverre
iets
goed
of
niet
goed
voor
ons
is.
Philips
Brooks
heeft
gezegd,
dat
het
gebed
niet
een
overwinning
is
op
Gods
onwilligheid,
maar
het
is
het
zich
vastgrijpen
aan
Gods
gewilligheid.
Paulus
had
“een
doorn
in
het
vlees”.
Waarschijnlijk
is
Gal.4:13-15
een
verwijzing
naar
zijn
zwakheid,
waar
hij
spreekt
van
een
ernstige
moeilijkheid
met
zijn
ogen.
Hij
noemt
deze
kwelling
een
“engel
des
satans”
en
driemaal
bad
hij
de
Here,
dat
deze
hem
zou
verlaten
(2
Cor.12:7,8).
Nam
de
Here
deze
kwelling
van
hem
weg?
Neen!
Verhoorde
hij
zijn
smekingen?
Ja,
maar
hoe?
“Mijn
genade
is u
genoeg”
zei
Hij:
3“want
de
kracht
openbaart
zich
eerst
ten
volle
in
zwakheid.”
Was
Paulus
tevreden
met
dit
antwoord?
Ja,
dat
was
hij!
“Zeer
gaarne
zal
ik
dus
zwakheden
nog
meer
roemen,
opdat
de
kracht
van
Christus
over
mij
kome.
Daarom
heb
ik
een
welbehagen
in
zwakheden,
smaadheden,
noden,
vervolgingen,
benauwenissen
ter
wille
van
Christus,
want
als
ik
zwak
ben,
dan
ben
ik
machtig.”
2
Cor.12:9,10.
Wat
een
prachtig
voorbeeld
van
christelijke
onderwerping.
En
wat
een
wonderbaarlijk
werk
door
deze
apostel
gewrocht
als
resultaat
van
deze
edele
houding.
De
ervaring
van
de
goede
koning
Hizkia,
weergegeven
in 2
Kon.20,
is
een
droevig
commentaar
op
een
gebed,
voortgekomen
uit
een
ononderworpen
hart.
Hizkia’s
wens
om
meer
te
bereiken
voor
het
koninkrijk
waarover
hij
heerstte
zou
lofwaardig
zijn,
als
het
niet
was
ingegeven
door
persoonlijke
trots.
Niettemin
laat
Hij
ons
soms
onze
“eigen”
weg
gaan
om
ons
de
wijsheid
en
rechtvaardigheid
van
“Zijn
weg”
te
leren,
en
zo
voegde
God
vijftien
jaar
toe
aan
het
leven
van
de
koning.
Wat
was
het
resultaat?
Hizkia
zette
niet
alleen
de
eerste
stap
voor
de
uitlevering
van
zijn
rijk
aan
de
koning
van
Babel,
maar
zijn
zoon
Mannasse
die
in
deze
tijd
werd
geboren
(2
Kon.21:1)
en
die
na
de
dood
van
Hizkia
op
de
troon
kwam,
was
een
van
de
meest
verdorven
koningen
die
ooit
over
Juda
regeerden.
Hoeveel
beter
zou
het
niet
geweest
zijn,
als
Hizkia
zich
aan
de
wil
van
de
alwijze
God
had
onderworpen,
inplaats
van
tegen
Zijn
wil
te
bidden!!
“Want
wij
weten
niet
wat
wij
bidden
zullen
naar
behoren”
en
omdat
wij
dat
niet
weten
pleit
de
Heilige
Geest
“naar
de
wil
van
God
voor
de
heiligen.”
Rom.8:26,27.
Vragen
in
Zijn
naam
“Wat
gij
ook
vraagt
in
Mijn
naam,
Ik
zal
het
doen.”
Joh.14:13.
“In
Mijn
naam”,
dat
is
het
geheim
van
het
zegenvierende
gebed.
We
komen
tot
het
gebedsaltaar
met
een
bede.
Indien
het
“in
Mijn
naam”
is,
ontvangt
Jezus
het.
Dan
presenteert
Hij
het
aan
Zijn
Vader
met
de
wierook
van
Zijn
gerechtigheid,
pleitende
voor
ons
op
Zijn
bloed
“mijn
bloed
Vader,
mijn
bloed,
mijn
bloed”
smeekt
Hij
(EG
32).
“Dit
verzoek
is
van
iemand
waarvoor
Ik
Mijn
leven
gaf,
hij
is
trouw
en
gelovig.”
«In
Zijn
naam
moesten
zij
(zijn
discipelen)
hun
gebeden
opzenden
tot
de
Vader
en
zij
zouden
verhoring
ontvangen.
De
naam
van
Christus
moest
hun
parool
zijn
en
de
bron
van
hun
succes.
Niets
kan
in
Zijn
koninkrijk
aanvaard
worden,
dat
Zijn
naam
en
opschrift
niet
draagt.»
AA
28;
JR
21.
Ieder
gebed
dat
Zijn
naam
en
opschrift
draagt,
zal
tot
de
Vader
worden
opgezonden,
Die
beloofd
heeft
iedere
smeking
van
Zijn
Zoon
te
beantwoorden.
Hoewel
onze
hemelse
Vader
behagen
schept
in
het
verhoren
van
de
gebeden
van
Zijn
Zoon,
kan
Jezus
geen
gebeden
aan
Zijn
Vader
opzenden
die
ingegeven
zijn
door
verkeerde
motieven.
Hij
kan
het
reukwerk
van
Zijn
eigen
gerechtigheid
niet
toevoegen
aan
de
ongerechtigheid.
Hij
kan
zo’n
verzoek
niet
met
Zijn
naam
ondertekenen.
Zou
Hij
dat
doen
dan
zou
dat
“vreemd
reukwerk”
zijn
(Ex.30:9).
Onze
verzoeken
“in
Zijn
naam”,
moeten
in
overeenstemming
zijn
met
Zijn
wil
en
karakter.
Anders
kan
dit
vergeleken
worden
met
het
aanbieden
van
een
cheque
aan
de
bank
die
niet
ondertekend
is.
Welke
waarde
zou
zo’n
cheque
hebben?
Met
welk
een
ernst
moeten
daarom
de
smekingen
tot
God
opgezonden
worden.
“Here,
leer
ons
bidden.”
Luc.11:1.
Verzekering
van
gebedsverhoring
De
Vader
is
bereidwilliger
te
geven
dan
wij
echt
verlangend
zijn
te
vragen.
Jezus
zegt
tot
ons:
“Bidt
en
het
zal
u
gegeven
worden,
zoekt
en
gij
zult
vinden,
klopt
en u
zal
open
gedaan
worden.”
Matt.7:7.
Die
belofte
is
absoluut
en
zeker.
Het
kan
gebeuren
dat
wij
Gods
antwoord
op
ons
gebed
niet
herkennen.
Er
is
een
verhaal
van
een
dame
die
bad
om
geduld
en
God
zond
haar
een
“onervaren
kok”
wat
voor
haar
een
grote
geloofsbeproeving
was.
Werd
haar
gebed
beantwoord?
Ja!
Want
de
beproeving
van
het
geloof
werkt
geduld
(Jac.1:3
KJV).
«Ieder
oprecht
gebed
wordt
in
de
hemel
gehoord.
Het
wordt
wellicht
niet
op
vloeiende
wijze
onder
woorden
gebracht,
maar
indien
het
uit
het
hart
komt,
zal
het
opstijgen
naar
het
heiligdom
waar
Jezus
dienst
doet.
Hij
zal
het
voor
de
Vader
brengen,
zonder
een
onbeholpen
gekozen,
gestameld
woord,
schoon
en
welriekend
door
de
wierook
van
Zijn
eigen
volmaaktheid.»
WdE
584;
DA
667.
«In
het
toekomstige
leven
zullen
de
verborgenheden
die
ons
hier
gekweld
en
teleurgesteld
hebben
duidelijk
gemaakt
worden.
We
zullen
zien
dat
onze
schijnbaar
onbeantwoordde
gebeden
en
teleurgestelde
verwachtingen
onze
grootste
zegeningen
zijn
geweest.»
MH
474.
Gebeden
bewaard
bij
de
Troon
«Het
ernstige
gebed
van
berouwvolle
zielen
zal
worden
bewaard
bij
de
troon
en
God
zal
deze
gebeden
op
Zijn
tijd
verhoren,
indien
wij
ons
door
het
geloof
aan
Zijn
arm
vastklemmen.»
6T
154.
Door
ongunstige
omstandigheden
of
onbekende
redenen
moge
het
antwoord
lang
worden
uitgesteld
(zelfs
tot
wanneer
de
genadetijd
op
het
punt
staat
afgesloten
te
worden)
maar
de
gebeden
van
alle
heiligen
zijn
geregistreerd
bij
het
altaar
dat
voor
de
troon
in
de
hemel
is.
Zij
zijn
niet
vergeten
of
genegeerd.
Dit
wordt
duidelijk
geleerd
in
het
heiligdom.
In
Openbaring
8:3-5
lezen
we,
toen
Jezus
op
het
punt
stond
Zijn
werk
als
middelaar
te
beëindigen,
Hem
veel
reukwerk
werd
geschonken
om
het
te
geven
met
de
gebeden
van
alle
heiligen,
op
het
gouden
altaar
voor
de
troon.
En
de
rook
van
het
reukwerk,
met
de
gebeden
der
heiligen
steeg
uit
de
hand
van
de
engel
voor
Gods
aangezicht
op.
Deze
engel
is
Christus
want
Hij
is
onze
Hogepriester
in
de
hemel
Die
onze
gebeden
voor
God
brengt
met
het
reukwerk
van
Zijn
gerechtigheid.
Zo
zijn
we
verzekerd,
dat
ieder
onzelfzuchtig
gebed,
ieder
gebed
“in
Zijn
naam”,
ieder
gebed
dat
eindigt
met
“niet
mijn
wil,
maar
Uw
wil
geschiedde”,
op
Gods
tijd
de
meelevende
aandacht
zal
krijgen
van
Hem,
die
onze
barmhartige
en
getrouwe
Hogepriester
is
(Hebr.2:17).
Hij
is
daartoe
volledig
in
staat
want
Hij
is
het
Lam,
hebbende
zeven
hoornen
(volledige
macht)
en
zeven
ogen
(volmaakt
onderscheidings
vermogen)
(Openb.5:6).
Hij
kent
de
motieven
die
ieder
gebed
ingeven,
want
Hij
kan
de
overleggingen
en
de
gedachten
des
harten
schiften
(Hebr.4:12).
Wij
van
onze
kant
moeten
ons
niet
te
bezorgd
maken
maar
geloof
in
God
oefenen:
D.w.z.
geloven
in
Zijn
wijsheid
en
goedheid
en
ons
onderwerpen
aan
Zijn
rechtvaardig
oordeel.
Wanneer
deze
gebeden
de
nodige
aandacht
ontvangen
hebben
neemt
de
Engel
het
vuur
van
het
gouden
altaar
weg
en
doet
het
in
het
gouden
wierookvat
en
werpt
het
op
de
aarde:
dat
betekent,
dat
zijn
werk
van
bemiddeling
in
de
hemel
is
geëindigd.
Het
laatste
gebed
is
verhoord
en
aan
het
einde
(wanneer
we
Gods
handelingen
in
hun
ware
verhoudingen
zien)
zullen
onze
gebeden,
wanneer
zij
tot
de
troon
werden
opgezonden,
verhoord
zijn
in
overeenstemming
met
Zijn
wil
en
zullen
we
overvloedig
tevreden
zijn
gesteld.
De
radio
van
de
hemel
Er
is
een
radio
in
de
hemel,
daarginds
bij
de
grote
witte
troon;
de
meest
verbazingwekkende
uitvinding,
die
ooit
bekend
zal
worden.
Want
hij
vangt
elke
fluistering
op,
geuit
beneden
op
de
aarde,
en
zendt
ze
zonder
fout
door,
recht
naar
het
oor
van
God.
De
wereldwijde
microfoon,
waardoor
wij
stervelingen
spreken;
en
alles
uitzenden,
elk
uur,
elke
dag,
elke
week.
En
de
radio
in
de
hemel,
vangt
elk
woord
op;
elk
gebed
dat
wij
op
aarde
uiten,
wordt
gehoord
door
het
oor
van
God.
(Vrij
vertaald
naar
Mrs.
Frank
Likens)