De wanden
van het
Heiligdom
en de
Vloer
(18)
Aantal en
maten van
de planken
Er waren
48 planken
in de
totale
wand van
het
heiligdom;
twintig
aan iedere
zijde en
acht aan
de
westkant.
De veertig
delen aan
de noord
en de
zuidkant
en de zes
delen aan
de
westkant
(zonder de
twee
hoekwanddelen),
waren alle
even
groot;
tien el
lang en
anderhalf
el breed,
niet
minder dan
60 cm bij
4 meter.
Deze wand
was
tweemaal
zo hoog
als de wit
linnen
wand van
de voorhof
(Ex.26:15-30).
Beroemde
joodse
schrijvers
verklaren,
dat de
wanddelen
een half
span dik
waren. Een
span is
ongeveer
23 cm.
Daarmee
overeenstemmend
waren de
planken
ongeveer
11 cm dik.
Waarschijnlijk
is dit
juist. In
ieder
geval was
het
noodzakelijk
dat ze dik
genoeg
waren, om
de
middelste
stang
“door” de
wanddelen
van het
ene naar
het andere
einde te
schuiven
(Ex.36:33).
De
hoek-planken
Telkens
als er
sprake is
van de
hoek aan
de
westkant,
zijn het
altijd zes
planken en
twee
planken
voor de
hoeken
(Ex.26:22,23).
Dit
betekent,
dat de
hoekplanken
en de
andere
planken
niet
gelijk
waren. Zij
waren even
lang als
de andere
wanddelen,
maar hun
breedte
was niet
hetzelfde.
De Bijbel
geeft
nergens
hun
breedte
aan. Hoe
kan dit
toch
worden
bepaald?
De tweede
dakbedekking
van het
heiligdom
was dertig
el lang,
precies
voldoende
om haar te
bedekken
(Ex.26:7,8,13).
De
gezamelijke
lengte van
de twee
zijden van
het
heiligdom
was
twintig
ellen, dus
tien el
overlatend
voor de
breedte.
De totale
breedte
van de zes
gelijke
wanddelen
was negen
el. Dit
laat een
el over
voor de
twee
hoekwanddelen
of een
halve el
voor de
breedte
van elk
hoekdeel.
De
betekenis
van de 48
wanddelen
De planken
(48 in
totaal)
waren door
God aan
Mozes
voorgeschreven,
degene
door wie
God zo
vaak het
oude
Israël
vermaand,
zijn
voorbeeld
te volgen.
Hieraan
kan niet
worden
voorbijgegaan
zonder
verlies
van de
geestelijke
betekenis
van het
heiligdom:
“in Zijn
tempel
spreekt
alles
heerlijkheid.”
Psalm
29:9.
Zoals in
een
voorgaand
hoofdstuk
werd op
gemerkt,
spreekt
Salomo
zowel van
de zestig
voorhofs-pilaren
van het
heiligdom
als van de
“zestig
helden”
uit de
helden van
Israël,
die allen
het zwaard
dragen en
geoefend
zijn in de
strijd
(Hooglied
3:7-8).
Deze
zestig
pilaren
van koper,
samen
verbonden
met het
wit linnen
gordijn
van de
omheining
(dat de
gerechtigheid
van
Christus
verzinnebeeldde),
waren als
een
lijfwacht
van goed
getrainde
soldaten,
die een
beschermende
muur rond
het
heiligdom
vormden.
Op gelijke
wijze
vormden de
48
rechtopstaande
planken
(verbonden
in een
solide rij
door
stangen en
pilaren)
een tweede
beschermingswand
met het
stempel
van de
hemel
erop.
Waarom was
dit een
dubbele
bescherming?
Was het
niet om
aan te
duiden dat
het hier
ging om
iets dat
bij God
vàststond,
zoals in
het geval
van
Farao’s
droom, die
aan hem
twee keer
werd
herhaald?
(Gen.41:32).
Zo zijn de
144.000
(een getal
dat zowel
van 60 als
van 48 een
veelvoud
is) bij
wijze van
spreken
een
dubbele
bescherming
in de
eeuwige
tempel.
Evenals de
Levieten
die
leraren
van het
oude
Israël
waren en
rondom het
aardse
heiligdom
hun
legerkamp
opsloegen,
en daar
ook zorg
voor
droegen
als het
van de ene
plaats
naar de
andere
verhuisd
moest
worden,
hebben ook
de 144.000
een
dubbele
dienst.
Ze zijn
niet
slechts
leraars
van het
verloste
Israël,
maar daar
zij het
Lam volgen
waar Hij
ook heen
gaat, Zijn
ze
getuigen
voor de
andere
werelden
van Zijn
reddende
genade.
Dat de
pilaren in
de tempel
wezen op
de 144.000
blijkt uit
een
vergelijking
van de
belofte
aan
Filadelphia
(Openb.3:12)
en de
beschrijving
van de
144.000 in
Openb.14:1-5.
De
betekenis
van de
hoekplanken
De
hoekplanken
van het
heiligdom
corresponderen
met de
hoeksteen
van de
later
gebouwde
tempel (Jesaja
28:6).
Christus
is de
kostbare
Hoeksteen.
In Hem
wast elk
bouwwerk
goed
inéénsluitend
op tot een
tempel:
“heilig in
de Here,
in wien
gij mede
gebouwd
wordt tot
een
woonstede
Gods in de
Geest.”
Ef.2:21,22.
Zijn
kinderen
moeten als
hoekstenen
zijn,
gebeeldhouwd
als voor
een paleis
(Psalm
144:12).
Het
speciale
doel van
de
hoekplanken
was, om
alle
andere
wanddelen
aan elkaar
te
koppelen
tot één
tabernakel
(Ex.26:24)
en het is
het werk
van
Christus
om alle
leden van
Zijn
huisgezin
samen te
binden tot
één
lichaam.
Acaciahout
In zijn
bible
dictionary
vertelt
Smith ons,
dat het
shittemhout
dat voor
het
heiligdom
werd
gebruikt
van de
wilde
acacia van
de
woestijn
kwam: de
acacia van
de
brandende
braambos.
In feite
is Sinaï
genoemd
naar “Shitta.”
De boom
zelf werd
“de
shittaboom”
genoemd.
Het was
een kleine
doornige
boom van
een
speciale
duurzame
kwaliteit.
Het
vereist
veel
geduld om
het hout
te
bewerken
alvorens
het
gebruikt
kan
worden; en
daarom was
het
eindprodukt
van grote
waarde.
Deze
wanddelen
werden van
planken
gemaakt
(Ex.36:20)
en gelet
op hun
maat is
het
duidelijk,
dat ze van
vele
smalle
planken
waren
samengesteld
die op de
een of
andere
manier
solide
aaneengehecht
werden.
Acaciahout
was een
van de
artikelen
vermeld
onder de
gaven van
het volk
voor de
bouw van
het
heiligdom.
Iedere man
die
acaciahout
bezat,
bracht het
(Ex.35:24).
Zonder
twijfel
was dit
prachtige
dure hout
een deel
van de
buit die
men uit
Egypte had
meegebracht,
waarvan de
Here
voorzag
dat het
voor de
bouw van
het
heiligdom
nodig was.
Het is
volkomen
aannemelijk
dat
sommigen
van de
Israëlieten,
toen zij
nog slaven
in Egypte
waren,
werden
gebruikt
voor de
vervaardiging
van zulke
houten
wanden
voor de
Egyptische
paleizen
en
tempels.
Het
verwijderen
van de
doornen en
het hakken
en schaven
van de
delen
tezamen,
is een
toepasselijk
symbool
voor de
verwijdering
van de
doornen
uit onze
vleselijke
natuur.
Het hakken
en
polijsten
dat wij
moeten
ondergaan,
dient om
geschikt
te worden
voor een
plaats in
de hemelse
tempel.
Hoe
bemoedigend
te weten,
dat God
geen tijd
verspilt
aan
waardeloos
materiaal!
Hij ziet
de
duurzame
kwaliteit
en de
ongewone
waarde van
ieder kind
van Hem.
Met veel
geduldige
arbeid
verwijdert
Hij de
doornen,
polijst en
past,
totdat we
geschikt
zijn voor
een plaats
in Zijn
tempel.
Gebeeldhouwde
planken
met goud
overtrokken
Waren deze
planken
gebeeldhouwd
met
engelen-figuren?
De Bijbel
maakt er
geen
melding
van. Maar
Bezaleël
werd door
God
uitgekozen
om een
belangrijk
werk te
doen bij
de
constructie
van het
heiligdom,
omdat hij
naast de
andere
talenten
die hij
had,
begiftigd
was met de
gave van
het
houtsnijden
om kunstig
werk te
maken.
Buiten
deze
natuurlijke
gaven
vervulde
God hem
met Zijn
Geest van
wijsheid
en
verstand
en kennis
in alle
soorten
van
vakmanschap
(Ex.31:1-11).
Indien de
wanden
niet
bewerkt
waren, dan
bleef er
weinig
over om te
beeldhouwen,
dan
slechts
enkele
delen van
het
reukofferaltaar
en de Ark.
In
Salomo’s
tempel was
het
cederhout
gebeeldhouwd.
Hij bracht
op alle
binnenste
muren van
het huis
beeldhouwwerk
aan met
Cherubijnen
(1
Kon.6:18,29).
Omdat
Salomo de
woestijntabernakel
als
voorbeeld
gebruikte,
mogen wij
met
voldoende
zekerheid
aannemen,
dat de
wanddelen
van het
heiligdom
waren
bewerkt
met
figuren
die later
met goud
werden
overtrokken,
of dat de
wanddelen
in hun
prachtige
oppervlak
van goud,
de
geborduurde
engelen
van de
twee
gordijnen
(en van
het
binnenste
geborduurde
dak)
weerkaatsten.
De les is
hetzelfde:
Christus
is het
goud en
wij zijn
het hout
(1
Cor.3:12).
En zoals
de
wanddelen
geheel met
goud waren
overtrokken,
zo moeten
wij gehéél
worden
bekleed
met Zijn
gerechtigheid,
voordat we
een plaats
mogen
innemen in
Zijn
tempel.
Elk van
deze
planken
was aan
beide
zijden
‘zwaar met
goud
overtrokken’
(GS blz.
368, 412).
«Dit was
niet
alleen
voor
versiering,
maar het
moest ons
ook leren,
dat de
tempel van
God van
buiten
moet zijn
wat hij
van binnen
ook is. In
onze
levens
moet ook
gezien
worden wat
wij
belijden.»
R.S. Owen
in de R&H
26 maart
1925,
p.11,12.
De
hoeveelheid
goud die
gebruikt
werd
De totale
hoeveelheid
goud
gebruikt
in het
heiligdom
was 29
talenten
en 730
sikkels
(Ex.38:24).
Laten we
aannemen
dat vijf
talenten
en 730
sikkels
werden
gebruikt
voor de
kandelaar
(gemaakt
van een
talent),
het
verzoendeksel
met de
twee
cherubijnen,
de
bekleding
van de
ark, de
tafel en
de
schalen,
de
schenkkan,
het
reukofferaltaar,
de negen
pilaren...
vijf voor
de deur en
vier voor
het
voorhangsel,
het gouden
wierookvat,
het gouden
borduurwerk
en de
vijftig
haken voor
de
binnenste
bedekking
(Ex.25:39).
Er zouden
dan vier
en twintig
talenten
overblijven
voor de 48
wanddelen
of een
half
talent
voor elk
deel. Een
talent
goud woog
ongeveer
90 kg. Een
half
talent
goud aan
het
gewicht
van elke
plank
toegevoegd,
zou elke
plank
brengen op
een
gewicht
van 360
kg. Het
totale
gewicht
aan
gebruikt
goud was
ongeveer
2600 kg.
Haar
totale
waarde was
877.000
dollar,
welke
hedendaagse
waarde
wordt
gewaardeerd
op het
aanzienlijke
bedrag van
87.700.000
dollar,
dat is
ongeveer
300
miljoen
gulden.
Goud is
zinnebeeld
Goud
verzinnebeeldt
altijd een
bijzondere
waarde en,
zoals
reeds
opgemerkt,
waar het
in het
heiligdom
ook voor
werd
gebruikt,
het was
altijd een
zinnebeeld
van de
Almachtige
(Job.22:25).
Het goud
dat voor
het
heiligdom
werd
gebruikt,
was zuiver
goud, goud
in het
vuur
beproefd
tot alle
slakken
daaruit
waren
verdwenen.
Alléén op
déze
manier kon
het
Christus
voorstellen,
die het
hart
zuivert
waardoor
we
deelhebbers
aan de
goddelijke
natuur
worden.
Zodoende
worden wij
geschikt
om een
plaats in
de tempel
in te
nemen
(Ef.2:22
en 1
Petr.2:5).
Dat dit
werkelijkheid
mag
worden,
heeft God
de
verlosten
beloofd.
Ze zijn
kostbaarder
dan fijn
goud
(Jes.13:12).
Deze
zekerheid
zou ons in
staat
moeten
stellen om
de
vermaning
van de
apostel
Petrus
beter te
waarderen,
zodat wij
ons mogen
verblijden
in de
vuurgloed
die tot
beproeving
dient in
dit leven,
want dit
zijn Gods
middelen
om het
fijne goud
zevenvoudig
te
louteren
en te
ontwikkelen
(1 Petr.
4:12,13).
Hout is
een
zinnebeeld
Acaciahout
werd
gebruikt
in ieder
deel van
het
heiligdom
waar hout
nodig was
en zoals
reeds
eerder
opgemerkt,
waarvoor
het ook
werd
gebruikt,
het was
een
zinnebeeld
van de
mensheid.
Onze
werken die
niet in
God
gewrocht
zijn,
worden met
hout, hooi
en
stoppels
vergeleken
(1
Cor.3:12).
Hoe
dankbaar
kunnen we
zijn, dat
al het
hout met
goud werd
overtrokken.
Slechts
als we
geheel met
Christus
in God
verborgen
zijn
(Col.3:3),
zijn we
veilig op
de dag
wanneer
het vuur
ieder
menselijk
werk zal
beproeven
uit welk
maaksel
het
bestaat.
Indien het
werk stand
houdt, zal
het
beloond
worden.
Indien
iemands
werk
verbrandt,
zal hij
schade
lijden.
Maar
luister,...
doch
hij-zelf
zal gered
worden,
“maar als
door vuur
heen.” 1
Cor.3:13-15.
Wat een
overvloedige
genade
voor
zwakke
dwalende
mensen
wanneer,
ondanks
alle
fouten, we
waarlijk
God wensen
te dienen!
Het
volgende
vers
toont, dat
Paulus
hier
spreekt
van de
tempel van
God, want
hij gaat
voort met
te zeggen:
“Weet gij
niet, dat
gij de
tempel van
God zijt
en dat de
Geest van
God in u
woont?”
Indien
iemand de
tempel van
God
schendt,
God zal
hem
schenden,
want de
tempel
Gods is
heilig en
dat zijt
gij (1
Cor.3:16,17;
6:19,20).
Wanneer
wij zo in
Christus
zijn
verborgen,
kunnen wij
vol
vertrouwen
zingen:
Niet ik,
maar
Christus
wordt
geëerd,
geliefd en
verhoogd,
niet ik,
maar
Christus
wordt
gezien,
bekend en
gehoord,
niet ik,
maar
Christus
in iedere
blik en
daad,
niet ik,
maar
Christus
in iedere
gedachte
en woord.
Christus,
slechts
Christus,
geen ijdel
woord zal
er vallen,
Christus,
slechts
Christus,
geen
nodeloos
druk
geluid,
Christus,
slechts
Christus,
geen
eigenbelang
brengen,
Christus,
slechts
Christus,
geen spoor
van het ik
wordt
gevonden.
De
Dwarsbalken
Er waren
vijf
dwarsbalken
op de
noord,
zuid en de
westzijde
van de
wanden van
het
heiligdom.
Vijf
pilaren
waaraan
het
gordijn
(de deur)
was
gehangen
vormden de
oostwand.
Evenals de
planken
waren deze
dwarsbalken
en pilaren
van
acaciahout
gemaakt en
met goud
overtrokken.
De
middelste
dwarsbalk
was zo
gemaakt,
dat hij
door de
planken
geschoven
kon
worden,
van het
ene einde
naar het
andere
(Ex.26:28;
36:31-33).
De andere
vier
stangen
pasten
door de
gouden
ringen aan
elke
plank.
Deze
stangen
hielpen de
planken
overeind
houden en
de planken
vastgemaakt
aan de
hoekplanken,
vormden
samen als
één geheel
een
tempel.
Ook de
pilaren
waaraan de
gordijnen
hingen en
waaraan de
stangen
waren
vastgemaakt,
verstevigden
de wanden
(PP 347E;
PP
309,310N).
De
dwarsbalken
zijn een
symbool
Deze
eenheid is
even
belangrijk
in de
geestelijke
tempel als
in de
tempel met
handen
gemaakt.
Paulus
zegt: “Ik
vermaan u
dat gij
waardig
wandelt
naar de
roeping
waarmee
gij
geroepen
zijt met
alle
nederigheid
en
zachtmoedigheid,
elkaar in
liefde
verdragende,
als
broeders
staande en
u te
beijveren
de eenheid
des
Geestes te
bewaren
door de
band des
vredes.”
Ef.4:1-3.
De planken
hadden
nooit
onenigheid
met
elkaar.
Wat of wie
zijn de
vijf
machten
die het
lichaam
van
Christus
in eenheid
en vrede
van de
Geest
bijeenhouden?
Paulus
geeft ons
dit
antwoord:
“..één
Heer,
..één
geloof,
..één
doop, en
..één
Geest, de
God en
Vader van
allen, Die
boven
allen is
en door
allen en
in u
allen.”
Ef.4:3-6.
De
middelste
dwarsbalk
die door
alle
planken
loopt van
het ene
einde naar
het
andere, is
als de
eeuwige
armen van
onze
hemelse
Vader, de
Vader van
allen, die
boven
allen is
en door
ons allen
en in ons
allen.
Tezamen
met de
middelste
dwarsbalk,
de vier
andere
dwarsbalken
en de twee
hoekplanken
(die
Christus
verzinnebeelden),
zijn alle
planken
stevig
samengebonden
tot de
gemeente
van de
levende
God (1
Tim.3:15).
Zonder
twijfel is
het
geheimenis
der
godsvrucht
groot (1
Tim.3:16).
Het
fundament
gevormd
door
zilveren
voetstukken
Van de
honderd
talenten
zilver,
waarvan de
voeten van
het
heiligdom
werden
gegoten en
de voeten
van het
voorhangsel,
diende één
talent
zilver
voor elk
afzonderlijk
voetstuk
(Ex.38:27).
Elk van de
48
wanddelen
stond op
twee
pinnen die
precies in
de
voetstukken
pasten.
Deze
voetstukken
waren
blokken
zilver,
die de
wanddelen
overeind
hielden.
Elk
voetstuk
woog één
talent.
Twee
talenten
vormden
het
fundament
van elke
afzonderlijke
plank (dit
alles van
massief
zilver).
Dus het
totale
gewicht
van de
voeten
bedroeg
honderd
talenten
en dat was
minstens
4500 kg
solide
zilver.
Hoe was in
deze grote
hoeveelheid
zilver
voorzien?
Zoals
reeds
opgemerkt;
al de
andere
gaven van
het volk,
voor het
heiligdom
bijeengebracht,
waren
geheel
vrijwillig!
Maar dat
was niet
zo met het
zilver. Op
uitdrukkelijk
bevel van
God werd
een halve
sikkel
zilver
door
iedere man
die een
wapen kon
dragen
bijeengebracht.
Het was
een
losprijs
voor
iedere
soldaat
van Gods
leger
(Ex.38:25,26).
Bij een
waarde van
32
dollarcent
voor een
halve
sikkel
brachten
603.550
mensen in
totaal
193.136
dollar aan
zilver
bijeen.
De
waarde van
het
gebruikte
goud en
zilver
Ex.38:24-28.
Een talent
zilver was
gelijk aan
6000 halve
sikkels.
Twee
talenten,
voor ieder
wanddeel,
is dus
gelijk aan
twaalf
duizend
halve
sikkels.
Ieder
wanddeel
rustte dus
op de
losprijs
van 12000
soldaten.
Bij een
waarde van
1920
dollar per
talent
zilver
vormde de
gezamelijke
waarde van
de honderd
voetstukken
het enorme
bedrag van
ongeveer
19.200.000
dollar.
Bovendien
waren
1.755
sikkels
zilver
voor
andere
delen
bestemd
(Ex.38:28).
Hun waarde
à 32
dollarcent
per halve
sikkel
bedroeg
1.136
dollar.
Deze
hoeveelheid
bij de
honderd
talenten
voor de
voeten
toegevoegd,
(192.000)
geeft
193.136. -
dollar,
het totale
bedrag van
het
verlossingsgeld
van de
603.550
getelde
mannen.
Dit geld
in de
hedendaagse
waarde
omgerekend,
is
19.313.600
dollar.
Dit
opgeteld
bij de
87.700.000
dollar aan
gebruikt
goud voor
de
wanddelen,
brengt ons
op
107.013.600
dollar.
Een enorme
hoeveelheid
naar de
maatstaven
van 1955.
Dit alles
kwam van
de buit
van
Egypte,
het
rijkste
land van
de wereld
in die
dagen.
Willen we
een idee
krijgen
van de
rijkdom
van Egypte
in die
tijd, dan
zouden we
eens het
grote
museum van
Caïro
moeten
bezoeken.
In dit
museum
ligt de
mummie van
Toet-Anch-Amon,
gewoonlijk
koning
Toet
genoemd,
een van de
kleinste
heersers
van het
oude
Egypte. De
binnenste
kist (er
waren er
drie,
waarin
zich de
mummie
bevond),
is van
zuiver
goud en
heeft een
waarde van
ongeveer
1.000.000
dollar.
Sommige
van de
graftomben
van
Egyptische
heersers
bewaarden
meer dan
twintig
miljoen
dollar aan
schatten.
Waarom
zulke
enorme
uitgaven
aan goud
en zilver,
maar ook
aan koper
(waarvan
er slechts
4.000 kg
was,
Ex.38:29)
en ander
kostbaar
materiaal?
Het is om
ons te
helpen,
enig idee
te krijgen
van de
oneindige
prijs die
voor onze
verlossing
werd
betaald.
Het kan
niet
worden
gemeten!!!
We kunnen
het niet
bevatten!!!
Het zal de
wetenschap
en het
lied zijn
van de
verlosten
door de
eindeloze
eeuwen
heen.
Zelfs de
engelen
kunnen het
niet
peilen,
maar ze
wensen er
wel een
blik in te
slaan (1
Petr.1:12).
De
voetstukken
als
symbolen
Wie is het
fundament
van het
huis van
God, de
woonplaats
van de
Allerhoogste?
Een ander
fundament
dan dat er
gelegd is
kan de
mens niet
leggen,
want het
is Jezus
Christus
(1
Cor.3:11).
“Daarom”,
zo zegt de
Here Here:
“Zie Ik
leg in
Sion een
steen ten
grondslag;
hij die
gelooft
haast
niet.”
Jes.28:16.
De hele
woning van
God rust
op de
verlossing,
verkregen
door het
bloed van
Christus,
dat
vergoten
is voor
iedere
ziel.
Ik heb de
vaste
grond
gevonden,
waarin
mijn anker
eeuwig
hecht.
Den grond
in Jezus
bloed en
wonden.
Zonder dit
vaste
fundament
zouden de
voetstukken
wegzinken
in het
drijfzand
en het
gebouw zou
ineenstorten.
Gods
bescherming
over Zijn
volk
In de
tempel van
Salomo was
de vloer
van het
huis met
goud
overtrokken
(1
Kon.6:30),
maar in
het
verplaatsbare
heiligdom
door Mozes
gebouwd,
wordt van
de vloer
geen
melding
gemaakt.
Het is
duidelijk
dat de
woestijngrond
ook de
vloer was
(Num.5:17).
Werden de
voorhof
van het
heiligdom
en het
kamp van
de
Israëlieten
tijdens de
regentijd
een
modderige
plaats?
Iedere
keer dat
Israël het
kamp
opsloeg
werd de
plaats van
het
heiligdom
door
Christus
Zelf ( de
wolkkolom)
gekozen.
De plek
was
heilige,
door God
beschermde
grond. De
wolkkolom
beschermde
niet
alleen het
heiligdom,
maar als
een gewelf
strekte
hij zich
boven het
gehele
leger uit.
Overdag
beschermde
hij hen
tegen de
hitte en
bij nacht
verlichtte
de wolk
het gehele
kamp (PP
282E; PP
246N).
Kunstenaars
tonen
dikwijls
de
bedekkingen
van de
tabernakel
als een
aflopend
dak,... en
sommigen
denken dat
de twee
buitenste
lagen
dienden
ter
bescherming
tegen de
regen en
dat daarom
een
dakgoot
aanwezig
moest zijn
voor de
waterafvoer.
Maar de
Bijbel
zegt
daarover
niets.
Geen
menselijk
ontwerp,
maar God
Die
Zichzelf
door vele
overdekkingen
toonde,
was hun
bescherming.
Wanneer de
tabernakel
werd
opgezet,
was het
kenmerkend
dat de
wolkkolom
deze
overdag
bedekte en
bij nacht
als een
vuur
verscheen
(Num.9:15,16).
Jesaja
zegt het
op deze
manier:
“Dan zal
de Here
over het
hele
gebied van
de berg
Sion en
over de
samenkomsten
die daar
gehouden
worden des
daags een
wolk
scheppen
en des
nachts een
schijnsel
van
vlammend
vuur, want
over al
wat
heerlijk
is zal een
beschutting
zijn. En
er zal een
hut zijn
tot een
schaduw
des daags
tegen de
hitte en
tot een
schuilplaats
en een
toevlucht
tegen
stortbui
en regen
(Jes.4:5,6).
Met deze
belofte,
behoeven
wij niet
bezorgd te
zijn dat
de regen
de
tabernakel
in een
modderige
plaats zou
veranderen,
of dat aan
het dak
een goot
voor de
waterafvoer
zou moeten
zitten.
Als van
ouds was
de wolk
een
verdediging
(Jes.4:5),
die hen
bij
voortduring
verzekerde
van Gods
aanwezigheid
(PP 282E;
PP 246N).
Zo ook
mogen
vandaag
wáre
christenen
de
voortdurende
zekerheid
bezitten
van de
bescherming
en leiding
van Hem,
(verzinnebeeld
in de wolk
Israël),
maar ook
van Zijn
aanwezigheid
tijdens
onze reis
naar het
beloofde
land.
(“HET PAD
NAAR DE
TROON VAN
GOD” Sarah
E. Peck)