You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies)
     

Christus gaat het heilige van het hemels Heiligdom binnen    (16)

 

Psalmen over Jezus

 

Vele psalmen zijn profetieën of ervaringen, die Jezus gedurende Zijn aardse leven meemaakte. “Alles wat over Mij geschreven staat... in de psalmen”, verklaarde Jezus (Luc.24:44). Met betrekking tot Zijn ingaan in het heiligdom in de hemel zullen we een moment stilstaan bij de psalmen 22,23,24.

De 22e psalm (ook wel Golgotha-psalm genoemd), begint met de angstige kreet van Jezus: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten.” Marc.15:24. De psalm eindigt met, “omdat Hij het gedaan heeft” of zoals het hebreeuws het zegt: “Het is volbracht.” Joh.19:30.

De 23e psalm wordt wel “de opstandingspsalm” genoemd, omdat de opstanding volgt op Zijn wandeling door het dal van de schaduwen des doods. Het is een profetie van de niet uitgesproken ervaringen van Jezus, toen Hij door het dal ging. Het brengt een wonderbaarlijke triomf van geloof tot uitdrukking, vooral in de slotwoorden:

 

                                    “Ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij

                                    Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij

                                    Gij richt voor mij een dis aan,

                                    voor de ogen van wie mij benauwen

                                    Gij zalft mijn hoofd met olie

                                    mijn beker vloeit over

                                    Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen,

                                    al de dagen van mijn leven.

                                    En ik zal in het huis des Heren verblijven,

                                    tot in lengte van dagen.” Psalm 23:4-6.

 

De 24e psalm wordt ook wel de “hemelvaartpsalm” genoemd. Deze psalm van triomf is het hoogtepunt van de twee voorafgaande. Het voorspelt iets van de wonderlijke ervaringen van Christus’ hemelvaart van de voorhof van deze aarde naar het hemels heiligdom in de hemel zelf (Hebr.9:24).

 

Hun vervulling in A.D. 31

 

De ervaringen van deze profetische psalmen werden op het laatste Paas- en Pinksterfeest vervuld in de kruisiging, opstanding, hemelvaart en inhuldiging van Jezus, toen het heilige werk van de priesters in het aardse heiligdom eindigde en de bediening van Christus als Hogepriester in het hemels heiligdom begon.

In A.D. 31 werd het Paasfeest gevierd, en niet alleen het feest dat door de Joden in het algemeen wordt gehouden, maar ook het Pascha dat door Jezus en de discipelen een dag eerder werd gevierd. Het eerste werd op de vastgestelde tijd, in de avond van Abid 14, voorbereid en op de daaropvolgende avond (Abid 15) gegeten. Gedurende vijftien eeuwen, sinds de instelling van het Pascha ten tijde van de Exodus, werd deze praktijk gevolgd. «Vanuit dit gezichtspunt hebben sommigen verondersteld dat de maaltijd die Jezus en de twaalven samen hielden, niet het regelmatig terugkerende Pascha uit het verleden was. Het evangelie maakt echter duidelijk, dat het inderdaad “het Pascha” was dat zij samen aten. (zie Marc.14:12,16,17; Luc.22:7,8,13,15; DA 642,653; WdE 563,572)» Raymond F. Cottrell, in de R&H, Juni 9-1955 blz.8.

Deze verklaring moet men in gedachten houden; want het is de sleutel naar andere punten die soms verkeerd begrepen worden. Wanneer werd dit laatste Pascha voorbereid en gegeten? Toen het feest van de ongezuurde broden naderde, dat het Pascha wordt genoemd, vroeg Jezus Zijn discipelen het voor te bereiden en het Pascha te eten. Op de eerste dag van het feest, toen zij het Paaslam slachtten, maakten zij het gereed voor het Pascha (Marc.14:12; Luc.22:7,13). Deze voorbereiding wordt op de donderdag Abid 13 getroffen, een dag voor de vastgestelde tijd, de historische tijd voor het slachten van het Paaslam op Abid 14 (Exodus 12:6). Toen de avond was gekomen, het begin van Abid 14, zat Hij met de twaalf aan en zij aten (Matt.26:20,21). Dit was ook een dag eerder voor de vaste tijd van het eten van het Pascha. Volgens de evangeliën viel de 14e Nisan (Abid) op vrijdag in het jaar A.D. 31, het jaar van de kruisiging.

 

Waarom Jezus het Pascha een dag eerder vierde

 

Waarom week Jezus af van een eeuwenlange goedgevestigde gewoonte? De reden om dit zo te doen was, dat Zijn dood samen moest vallen met het slachten van het Pascha-lam wat dus een volmaakte vervulling van het zinnebeeld zou zijn. Een andere reden is: “Jezus wist, dat Zijn uur gekomen was dat Hij deze wereld zou verlaten en tot de Vader zou gaan en omdat Hij de zijnen liefhad.” Tot het einde wenste Hij hen voor te bereiden op die gebeurtenis (Joh.13:1,19). Verder, omdat de dood van het Paaslam de dood van Christus “de Verlosser van de wereld” symboliseerde. Het was een altoosdurende inzetting, opdat het verlossingswerk nooit vergeten zou worden (Ex.12:17).

Nu het Pascha als zinnebeeld op het punt stond te verdwijnen, was het noodzakelijk dat een andere instelling die plaats innam, om een blijvende herinnering te zijn aan die verlossing. Het ligt voor de hand, dat dit vóór de kruisiging moest gebeuren. Want toen de dag voorbij was lag Hij in het graf; en in dat geval zou dan een belangrijke schakel in het verlossingsplan ontbreken. Om al deze redenen was het noodzakelijk, dat Christus het Pascha zou eten, en dat vóór de vastgestelde tijd. Deze redenen zijn allen samengevat in Zijn woorden: “Ik heb vurig begeerd dit Pascha met u te eten voor Ik lijd.” Luc.22:15.

 

De instelling van het heilig avondmaal

 

Daar het Pascha als geheiligde instelling op het punt stond te verdwijnen, stelde Jezus het avondmaal in, ter gedachtenis aan de gebeurtenis waarvan het Pascha een zinnebeeld was geweest (PP 539E; PP 489N).

Het Pascha-lam wees vooruit naar Zijn dood. Het heilig avondmaal wees terug als gedachtenis aan Zijn gebroken lichaam en vergoten bloed (Luc.22:16-20). Vóór de discipelen bereid waren deel te nemen aan de geheiligde symbolen van het avondmaal, moesten hun harten eerst gereinigd worden van alle zelfzuchtige ambitie en van alle onheilige gevoelens jegens elkander. Ieder moest eerst “zichzelf onderzoeken.” 1 Cor.11:28. Om deze reden was een voorbereidingsdienst nodig om nederigheid en onzelfzuchtige dienst te leren. Als zinnebeeld van een hogere reiniging der ziel (DA 646; WdE 567), begon Jezus de voeten der discipelen te wassen. Het doel van deze nederige dienst, van de kant van hun Heer en Meester, was hun harten te reinigen van alle kwade gedachten en daarin gewilligheid voor nederige christelijke dienst te planten. Zonder deze reiniging kon het hart niet in gemeenschap met Christus treden en bereid zijn om gemeenschap aan Zijn lichaam en bloed te hebben (Joh.13:4-17; 1 Cor.11:26-29; DA 650; WdE 569). Zij zouden “op onwaardige wijze eten en drinken en dientengevolge zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren.” Toen Jezus deze dienst had beëindigd, stelde Hij de voetwassing in als een geheiligde instelling, voorafgaande aan het heilig avondmaal, met de woorden: “Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij evenzo doen zult.” Joh.13:15. Een instelling om voort te zetten tot het beeld het tegenbeeld bereikt; de hogere reiniging, als al de verlosten zijn gewassen in het bloed van het Lam.

 

Jezus vervulde de zinnebeelden van het Pascha-Lam

 

De 14e Nisan was een lange bange dag van lijden die haar hoogtepunt vond in de kruisiging. Diezelfde nacht zochten de overpriesters hoe zij Hem door list gevangen konden nemen en hoe zij Hem konden overleveren aan de dood vóór het Pascha (Marc.14:1,10,11,43-46). Zij kochten Judas om, om Hem te verraden. Het was dezelfde Judas die een uur tevoren zijn voeten liet wassen. “Want uit nijd heeft hij Hem overgeleverd aan een bende knechten van de overpriester” (Matt.27:16), die, nadat zij valse getuigen gevonden hadden, Hem bonden en naar de hogepriester brachten (Joh.18:3,12,13). Zodra het licht was werd Hij vanaf het paleis van de hogepriester naar de raad gebracht, waar Hij (omdat hij gezegd had de Zoon van God te zijn) door de hogepriester van godslastering beschuldigd werd en om deze reden des doods schuldig werd geacht (Luc.22:66-71; Matt.26:63-66).

Toen het nog vroeg was, werd Hij in de rechtszaal van Pilatus geleid. De priesters zelf gingen daar niet binnen, omdat zij zich niet wilden verontreinigen waardoor zij niet aan het Pascha deel zouden kunnen nemen (Joh.18:28). Zij schenen niet te begrijpen, dat de dingen die een mens bezoedelen uit het hart komen zoals kwade gedachten, moord, valse getuigenis, laster enz. (Joh.18:28; Matt.15:18-20). Omdat zij de rechtszaal niet binnen konden gaan overreedden zij de menigte die zij beïnvloed hadden, Christus als een onruststoker en een bedrieger te beschouwen en te schreeuwen: “kruisigt Hem”. Een kreet waaraan zij zelf, toen Hij naar buiten werd gebracht, met luide stem deelnamen (Matt.27:20-25,63; Joh.19:6; Luc.23:18,23). Gedurende Zijn verhoor en daarna werd Hij gegeseld, gestompt, bespot en gehoond. Zijn vervolgers spuwden Hem in het gelaat en sloegen Hem op het hoofd. Zij zetten Hem een doornen kroon op en deden Hem een purperen mantel aan, terwijl zij spottend riepen: “Gegroet, Gij koning der Joden.” Matt.26:27; 27:28-31. Dit alles en veel meer verdroeg Hij kalm. Inplaats van te worden overspoeld door wreedheid en onrecht, dacht Hij niet aan Zichzelf maar aan anderen; en één van zijn laatste handelingen was de zorg voor Zijn moeder (Joh.19:25-27). Zelfs toen Hij aan het kruis was genageld, gingen Zijn vijanden door met beledigen en beschimpen. En hoewel Hij daar hing temidden van Zijn angst en lijden, had Hij geen onvriendelijke gevoelens voor hen, maar bad: “Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” Luc.23:33,34. In de bittere kwellingen vervulde Jezus geheel, zowel wat de gebeurtenis als wat de tijd betreft (GC 399; GS 373), de zinnebeelden van het Pascha en het brood der verdrukking (Deut.16:3,4) en de bittere kruiden. Hij Zelf was het Lam dat geroosterd werd. Laat uw verbeelding over elke scéne gaan. Wanneer we nadenken over Zijn offer voor ons, zal ons vertrouwen in Hem vaster worden, onze liefde levendiger, en we zullen méér vervuld worden van Zijn Geest. Wanneer we op den duur gered willen worden, zullen we lessen van berouw en nederigheid moeten leren aan de voet van het kruis (DA 83; WdE 58). Het lijkt bijna ongeloofwaardig dat de Joden, (in’t bijzonder de leiders van de tempeldienst) schuldig zijn aan het ter dood brengen van Hem, naar wie alle riten van de offerdiensten eeuwenlang hadden verwezen om hun geloof in Hem als hun Verlosser te tonen. Maar “de gehele raad” van het Sanhedrin (Marc.15:1), was vastbesloten Hem voor het Pascha ter dood te brengen; want indien het verhoor en de kruisiging niet terstond plaats vonden, dan zou een week uitstel noodzakelijk zijn in verband met de viering van het Pascha (DA 703; WdE 612).

 

Het geheim van Zijn overwinning

 

Hoe kon Jezus, onder deze meest beproevende omstandigheden, zo volledig zonder zonden zijn? Was het niet omdat Hij bekend was met de Schriften? Toen Hij als een Lam ter slachting werd geleid wist Hij, dat Zijn uur gekomen was. En hoewel Hij mishandeld en verdrukt werd, deed Hij Zijn mond niet open (Jes.53:7). Hij wist dat Judas Hem zou verraden voor dertig zilverlingen, “een heerlijke prijs.” Zach.11:12,13. Hij wist dat de overpriesters Hem uit nijd en door list aan de kruisdood zouden overleveren (Psalm 69:4; Marc.15:10; Matt.27:18). Hij wist, dat in Zijn dorst Hem zure wijn te drinken zou worden gegeven (Psalm 69:21). In feite, begreep Hij de hele situatie vanuit de Schriften.

 

Toen Hij dan ook door de overpriesters en oudsten vals beschuldigd werd, antwoordde Hij niets... geen enkel woord (Matt.27:12,14; Marc.15:3,5). Hij wist welke dood Hij moest sterven (Joh.12:32,33; 18:11) en dat de Schriften vervuld moesten worden (Matt.26:52-56; Joh.13:18). Met een kalm geloof en standvastig vertrouwen in God, gaf Hij zich, zonder reserve, aan Zijn vervolgers over. Dit alles deed Hij voor uw verlossing en de mijne. Het was om de vreugde, (de vreugde van het zien van de geredde zielen) die voor Hem lag, dat Hij het kruis verdroeg en schande verachtte (Hebr.12:2). Hij stond op het punt om onze genadevolle en getrouwe Hogepriester te worden en het was door lijden, dat Hij volmaakt werd gemaakt. Omdat Hij op alle punten verzocht werd zoals wij verzocht worden (doch zonder te zondigen), kon Hij meevoelen met onze zwakheden en is Hij bekwaam hen te helpen die verzocht worden (Hebr.4:14,15; 2:18).

Jezus stierf niet geheel door de kruisiging, want toen de soldaten kwamen om Zijn dood en die van de andere gekruisigden te verhaasten, vonden zij Hem reeds dood (Joh.19:33). Hij stierf aan een gebroken hart, want van Hem is geschreven: “De smaad heeft mij het hart gebroken.” Psalm 69:21. Onze tijd van test en beproeving staat voor de deur en indien we dag bij dag het voorbeeld van Jezus volgen met de Schriften als onze veilige gids, dan zullen we uit de strijd te voorschijn komen “meer dan overwinnaars door Hem die ons liefheeft.” Rom.8:35-39.

 

Jezus het ware Pascha-Lam

 

Jezus het ware Pascha-lam, het Lam van God dat de zonden der wereld wegneemt (Joh.1:29), werd op het zesde uur van de 14e Nisan gekruisigd en stierf op het negende uur (Ex.12:6; Marc.15:33-37), letterlijk tussen twee avonden in. Een volmaakte vervulling. Niet slechts met betrekking tot de gebeurtenis, maar ook m.b.t. de tijd (GC 399; GS 373). Toen de luide kreet van de lippen van Jezus kwam “Het is volbracht”, deden de priesters dienst in de tempel. Het was het uur van het avondoffer. Het lam dat Christus verzinnebeeldde was gebracht om te worden geslacht. De aarde beefde en schudde en met een scheurend geluid scheurde het binnenste voorhangsel van de tempel door een ongeziene hand, van boven naar beneden (Matt.27:50,51).

Het heilige der heiligen is niet langer heilig. Beeld en tegenbeeld hebben elkaar ontmoet in de dood van Jezus, de Zoon van God (DA 756,757; WdE 663).

En toch, hoewel de tempelleiders getuige waren van al deze dingen, waren hun geestelijke ogen zo verblind, dat zij dit niet erkenden als het einde van de tempeldiensten. Zij waren inderdaad blinde leidslieden (Matt.23:13-16). Met Zijn bloed had Jezus de papieren getekend die het mensdom vrijmaakten (MH 90). De doodsklok voor satan had geklonken (GC 503; GS 463,464). Zijn dood was ‘s hemels aankondiging dat de betekenis van het Pascha (DA 723; WdE 631; PP 539E; PP 489N), en zijn viering voortaan een lege vorm zou zijn: een loutere klucht. Het hele systeem van offeranden in de ceremoniële wet was afgeschaft. Het Pascha dat Jezus met de twaalven at, was inderdaad het laatste door God erkende Pascha.