You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies)
     
Het Hemels Heiligdom   (15)

Waarom wij het hemels heiligdom moeten begrijpen

 

Het aardse heiligdom is belangrijk, omdat het Gods aanschouwelijke les is om de verlossing in het hemelse heiligdom te illustreren. Maar het hemelse heiligdom zelf is het ware heiligdom, “het grote origineel” (PP 357N), waar het verlossingswerk werkelijk aan de gang is. Hier doet Jezus nu Zijn laatste bede tot de Vader in het belang van onze verlossing. Speciaal in deze laatste uren van de genadetijd kan een ernstige studie van dit belangrijke onderwerp nauwelijks ontbreken om een levende belangstelling op te wekken voor het toekomstige leven, waardoor een sterke band ontstaat die de ijverige student met de hemel zal verbinden. Bovendien, daar het verlossingsplan “het grote centrale thema” van de Bijbel is, is een begrip van het aardse zowel van het hemelse heiligdom van fundamenteel belang voor een goed verstaan van de Bijbel. Zonder dit zullen we het licht verliezen dat dit onderwerp werpt op vele delen van de Schriften, die anders moeilijk te begrijpen zijn. Onze studie moet daarom nu zo gericht zijn, dat we inzicht krijgen, zoveel als maar mogelijk is, in het hemels heiligdom, als één grote eenheid met Christus als de centrale Figuur en de verlossing als het centrale onderwerp dat de delen verbindt. Een helder en duidelijk omschreven uiteenzetting van het heiligdom hierboven, zal ons in staat stellen Christus te volgen waar Hij nu dienst doet voor de verlossing van de mens. Dit zal ons geloof versterken in het afsluitingswerk van het evangelie; het zal ons helpen dwaling te ontdekken en te vermijden en op deze wijze een anker voor de ziel zijn. Zonder deze studie zullen we niet in staat zijn ons deel te doen in samenwerking met Christus; en speciaal in deze tijd waarin het  ons eeuwig lot beslist en dat momenteel in het hof hierboven gaande is. Zonder dit zal men «onmogelijk het geloof kunnen oefenen dat in deze tijd noodzakelijk is.» GC 488; GS 450.

Het aardse heiligdom, een type van het hemelse

 

Toen God aan Mozes aanwijzingen gaf voor het maken van het aardse heiligdom, vermaande Hij hem herhaaldelijk alle dingen te maken in overeenstemming met het voorbeeld dat hem op de berg getoond was (Ex.25:9:10; 26:30; 27:8; 6:4; Hand.7:44; Hebr.8:5). Dit heiligdom moest een exacte afbeelding zijn van dat wat aan hem getoond was. Men mocht niet van het voorbeeld afwijken, omdat ieder detail een fase van het verlossingswerk van Christus voorstelde. Het is daarom belangrijk, dat we niet alleen een helder begrip krijgen van dit voorbeeld, maar ook de relatie waarin het staat tot het hemels heiligdom duidelijk zien. Omdat de twee vertrekken in het aardse heiligdom een afbeelding waren van het ware of hemels heiligdom (Hebr.9:24), hebben sommigen verondersteld, dat het hemels heiligdom het voorbeeld was dat aan Mozes getoond werd. Anderen hebben geconcludeerd, daar het hemels heiligdom “het grote origineel is” dat zij als voorbeeld diende. Paulus maakt duidelijk dat de tabernakel die Mozes bouwde een schaduw was van de hemelse dingen en niet “de gestalte dier dingen zelf.” Hebr.10:1-5. Zo zijn de twee vertrekken, met handen gemaakt (het heilige en het heilige der heiligen van het aardse heiligdom), afbeeldingen van het ware (Hebr.9:11). Dus niet alleen de dingen in het aardse heiligdom, maar ook het gebouw zelf was een schaduw of afbeelding van het hemelse (PP 308N). Het is waar, dat God aan Mozes op de berg een gezicht toonde van het hemelse heiligdom, maar dit werd niet gegeven als een afbeelding, maar om hem beter begrip te geven van de relatie die er bestaat tussen het aardse en het hemels heiligdom, en om hem daardoor beter de heiligheid en het belang van zijn taak in het maken van alle dingen, in overeenstemming met het voorbeeld hem getoond, te doen inzien (PP 345E; PP 313,308N). Het heiligdom waarin Jezus dienst doet ten behoeve van ons, is het grote origineel waarvan het heiligdom dat Mozes bouwde een afbeelding was. Maar “een schaduw” is natuurlijk geen spiegelbeeld, het heeft een gelijkenis en is altijd aan de zijde der werkelijkheid maar nooit daaraan gelijk. Zo stierf Jezus op Golgotha en niet op een hemels brandofferaltaar. Zo is de aarde de voorhof (Openb.11:2) en is deze niet in de hemel. Deze aarde, waar het ware Offer werd geofferd op Golgotha, is de voorhof van het hemels heiligdom. De afbeelding van de hemelse dingen werd gereinigd met het bloed van kalveren en bokken, maar de hemelse dingen zelf met betere offeranden dan deze (Hebr.9:19,23). Wat is dan precies het voorbeeld? Dat is eigenlijk heel eenvoudig. God toonde aan Mozes het hemels heiligdom en liet daar licht op vallen en zei toen tegen Mozes: “Nu moet je de schaduw nabouwen.” “De schaduw” werd het model. En zo bouwde Mozes een “miniatuur” van de hemelse tempel (PP 308N). En dit was “de schaduw” van de hemelse dingen (Hebr.10:1). Het was een afbeelding en schaduw van de hemelse dingen (Hebr.8:5; Hebr.9:23-24). “Het plan, dat u daarvan op de berg getoond werd.” Ex.26:30.

 

Geen zinnebeeld in de hemel

 

Uitgaande van teksten waarin staat dat Johannes de ark, het gouden reukofferaltaar en de zevenarmige kandelaar in de hemel zag, hebben sommigen verondersteld, dat Johannes deze artikelen zag, zoals zij in het aardse heiligdom waren. Wij zullen op dit punt niet verward worden indien we in gedachten houden dat er in de hemel geen zinnebeelden zijn,... deze behoren allen tot het aardse heiligdom. In de hemel zijn de werkelijke dingen, hun tegenbeelden. Ieder ding met het aardse verbonden was een aanschouwelijke les om het hemelse te illustreren. Toen dus Johannes de zeven vurige lampen voor de troon zag branden (tegenbeeld van de zevenarmige kandelaar) verklaarde hij onmiddellijk dat het de zeven Geesten van God waren (Openb.4:5). Als wij veronderstellen, dat er een gouden kandelaar in het hemels heiligdom is, zoals het zinnebeeld in het aardse, dan zouden we concluderen dat het doel van een kandelaar is om licht te geven. Van welk nut zou dan een kandelaar of kandelaren in de hemel zijn, waar de heerlijkheid van God de hele stad zo verlicht, dat zelfs de zon al zou zij zeven maal sterker schijnen niet nodig is? (Openb.22:5; 21:23; Jes.30:26).

De Bijbel vloeit over van beeldspraak. Om ons iets duidelijk te maken wordt ons soms eerst het silhouet, het schaduwbeeld, getoond. En als wij daarmee vertrouwd zijn kunnen wij de rest begrijpen. B.v. Johannes verklaart, dat hij vier beesten zag of levende creaturen; één aan elke zijde van de troon; een leeuw, een os, een vliegende adelaar en één die een gelaat had als van een mens (Openb.4:6,7). Maar wat stelt dit dan voor? Hij verklaart later, dat het verlosten van deze aarde waren (Openb.5:8,9). Wat Johannes in werkelijkheid zag waren geen beesten, maar menselijke wezens, die zo gerangschikt waren, dat de groepen op deze creaturen leken. Op dezelfde wijze zag hij de ark, de kandelaar, het gouden wierookaltaar, niet als zinnebeelden maar als hun tegenbeelden.

 

Twee afdelingen in het hemels heiligdom

 

Zoals in het aardse heiligdom twee onderscheiden plaatsen waren, het heilige en het heilige der heiligen, zo heeft ook in het tegenbeeld elke afdeling van Christus’ werk haar bepaalde plaats in het hemels heiligdom (PP 357E; PP 321N). Toen Christus ten hemel voer, nadat Hij Zichzelf als een offerande op aarde geofferd had, ging Hij direct binnen het eerste voorhangsel; de deur in het heilige van het hemels heiligdom, waar Hij als Hogepriester gezalfd werd, om Zijn werk als Middelaar te beginnen. Aan het einde van de 2300 jaardagen verplaatste Hij Zich naar de ruimte achter het “tweede voorhangsel.” Hebr.9:3.

Hij ging het heilige der heiligen, de tweede afdeling van het heiligdom binnen, waar Hij Zijn werk als Priester in het dienstwerk van de Grote Verzoendag, dus ook als rechter, begon in 1844 (Dan.7:9,10,13). Daar pleit Hij nog voor de Vader met Zijn bloed, in het belang van zondaars (GC 429; GS 400). Zo werd Hij onze rechter-advocaat en zet Zijn werk zó voort, tot aan het einde van de genadetijd. Dan gaat het decreet uit: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht. Wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid.” Openb.22:11. Dan is ook het lot van heel het mensdom bepaald (zie GC 429 met betrekking tot hoofdstuk 23).

 

Een veilige gids tegen dwaling

 

De veiligste en zekerste weg om de duisternis der dwaling te verdrijven, is het zoeklicht der waarheid erop te richten, wat een helder bijbels begrip geeft. Dit beginsel is ook van toepassing op het heiligdom. Laten wij eens een paar dwalingen onderzoeken om dit te illustreren. Ten eerste: daar zijn zij die veronderstellen dat, toen Christus als onze voorloper Zijn werk als Hogepriester begon, Hij dit direct deed in de tweede afdeling, het heilige der heiligen achter het voorhangsel (Hebr.6:19,20). Zij zien klaarblijkelijk het feit over het hoofd, dat er twee afdelingen waren en twee voorhangsels. Het voorhangsel aan de ingang van het heilige der heiligen was “het tweede voorhangsel.” Hebr.9:3. Zij vergeten ook, dat de hogepriester slechts eenmaal per jaar achter het tweede voorhangsel kwam, aan het einde van zijn jaarlijkse bediening; niet aan het begin daarvan (Hebr.9:1-8).

 

Laat ons de teksten onderzoeken die sommigen verward hebben. In Hebr.9:11,12 zegt Paulus, dat Christus bij Zijn hemelvaart “eens en voor altijd het heiligdom binnenging.” De uitdrukking hier vertaald als “heiligdom” is letterlijk “heilige plaatsen.” Het is hetzelfde woord dat vertaald is met heilige der heiligen in Hebr.9:8, en “heiligdom” in Hebr.8:2, waar het eenvoudig verwijst, niet naar enige afdeling van het heiligdom, maar naar de ware tabernakel in de hemel.

Het woord “heilige der heiligen”, in Hebr.9:3 vertaald, is een ander woord en verwijst naar de meest heilige plaats van het aardse heiligdom. Wij moeten voor ogen houden, dat de aardse hogepriester gedurende het hele jaar diende in het heilige, en aan het einde van het jaar ging hij het heilige der heiligen binnen. Het is dus voor de hand liggend, dat Christus (het tegenbeeld van de aardse hogepriester), Zijn bediening als Hogepriester in de eerste afdeling van het hemels heiligdom begon en niet in de tweede. Omdat in het hemels heiligdom niet de letterlijke zinnebeelden der dingen van het aardse zijn, verklaren anderen, dat er helemaal geen heiligdom in de hemel is. Zo’n verklaring is geheel zonder bijbels gezag, maar duidelijk een misverstand, gebaseerd op een onjuist begrip betreffende de aard van de ware tabernakel. Een juist begrip van de aard van het aardse heiligdom als afbeelding van het ware heiligdom, zou ons kunnen helpen om zulke dwaling te vermijden. Geen heiligdom in de hemel? Onmogelijk! Het heiligdom is onontbeerlijk voor het verlossingswerk en dat werd in het aardse heiligdom uitgebeeld. Maar we moeten altijd in gedachten houden, dat het ware heiligdom groter en volmaakter is, niet gemaakt met mensenhanden, dat is; niet van onze bouwmaterialen die met handen gemaakt worden (Hebr.9:11,24). Zo zijn de dingen in het aardse heiligdom niet de gestalte der dingen zelf, voor wat betreft het hemels heiligdom (Hebr.10:1), maar een schaduw en miniatuur van deze dingen. Inplaats van dat er geen heiligdom in de hemel zou zijn, is het hemels heiligdom evenwel groter dan het aardse, zoals een gebouw groter is dan zijn blauwdruk. Zonder twijfel zou het begrijpen van de geestelijke betekenis van het aardse heiligdom, en zijn relatie tot het “ware” heiligdom, het joodse volk ervan weerhouden hebben Christus te verwerpen. Evenzo zal het Gods huidige volk sparen voor dwaling en nederlaag.

 

De grotere en meer volmaakte tabernakel

 

Omdat de dingen in het aardse heiligdom niet de letterlijke uitbeelding zijn van het hemelse heiligdom en omdat de heilige plaatsen met handen gemaakt (dat is het gebouw zelf), slechts een zinnebeeld waren van de ware tabernakel, waarop lijkt dan het hemels heiligdom? Paulus beschrijft het als een groter en meer volmaakte tabernakel, niet met mensenhanden gemaakt (Hebr.9:11). Het was dan ook niet bedekt met dassenhuiden, huiden van rammen en geweven geitenhaar en linnen met geborduurde cherubijnen-figuren. Echter totaal verschillend! In de grotere en meer volmaakte tabernakel, zijn geen geborduurde engelen maar echte engelen. De afbeelding of schaduw van de hemelse dingen, aan Mozes op de berg getoond, was even verschillend van de ware tabernakel als het patroon van een kleed verschilt van het werkelijke kleed. Het was slechts een schaduw van het ware, gegeven om de mens in staat te stellen het werkelijke heiligdom in de hemel te begrijpen. Dat wat God aan Mozes toonde was een zinnebeeld, een model van het ware, een schaduw of silhouet met uitdrukkelijke aanwijzingen.

 

Het hemelse heiligdom volgt het aardse op

 

De eerste tabernakel (Hebr.9:2), was door Mozes te Sinaï gemaakt. De tempel van Salomo, en later de tempel van Zerubbabel en de tempel van Herodes, waren met hun kenmerkende indeling, naar het zelfde voorbeeld gebouwd.

Dit waren alle aardse heiligdommen. Het aardse heiligdom was in al haar delen een afbeelding van het hemelse, de ware tabernakel die de Heer heeft opgericht en niet een mens (Hebr.8.2). Het type ging over op het antitype met de dood van Christus toen het voorhangsel van de tempel scheurde. Dit was de aankondiging van de hemel, dat het werk van het aardse heiligdom geëindigd was en dat de dienst van het hemels heiligdom haar plaats had ingenomen. Christus’ bediening als Hogepriester in het hemels heiligdom begon niet voordat Zijn offer was gebracht. Toen Hij aan het kruis luid uitriep: “Het is volbracht” Joh.19:30, ontmoetten al de offers van de voorhof hun tegenbeeld in Hem, het ware offer. Het offer van Christus in de voorhof van de aarde gebracht, maakte een einde aan al het bloedvergieten voor de zonde (Hebr.9:12). De zinnebeeldige offers, hoewel voor een tijd door de ongelovige Joden voortgezet, hielden automatisch op het ware offer te verzinnebeelden. En dat werd met de uitspraak van Christus vervuld kort voor Zijn verraad, met Zijn uit het hart komende pathos: “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt welke tot u zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij wilde het niet. Zie uw huis wordt aan u overgelaten.” Matt.23:37,38. Nooit meer werd de heerlijkheid van God in het aardse heiligdom gemanifesteerd. Nooit meer zou het de woonplaats van God op aarde zijn. De dienst van het hemels heiligdom stond op het punt het aardse op te volgen.

 

De weg tot de ware tabernakel opengelegd

 

Voordat de aarde werd gegrondvest, hadden de Vader en de Zoon een verbond gesloten om de mens te verlossen, indien hij door satan werd overwonnen (DA 834; WdE 732). Het was in die geheime raad, dat Christus het Lam van God, Zichzelf offerde om de losprijs voor hen te zijn (Zach.6:13; GC 416,417; GS 389). Maar allen zullen het er over eens zijn, dat Christus niet eerder werd geslacht dan aan het kruis. Op deze wijze werd in die raad des vredes iedere voorziening voor ‘s mensen complete verlossing gemaakt.

 

In Zijn oneindige liefde en voorkennis plande de Vader het hemels heiligdom, waarin de gehele hemel zou samenwerken (PP 63,64E; PP 37,38N) en op de aangewezen tijd zou dit heiligdom werkelijk gaan functioneren, of te wel, de weg daarheen zou worden opengelegd. Zolang de eerste tabernakel nog bestond lag de weg naar het hemels heiligdom nog niet open (Hebr.9:8). Zolang het zinnebeeld (het aardse heiligdom) Gods doel vervulde, was er geen behoefte aan een tegenbeeld. Het beeld ontmoette zijn tegenbeeld bij de dood van Christus, toen ook het voorhangsel scheurde. De Here richtte de ware tabernakel in de hemel op. Toen lag de weg naar het hemels heiligdom open; op dat moment maakte het aardse heiligdom plaats voor het hemels heiligdom. Toen werd het aardse priesterschap opgevolgd door het priesterschap van Christus en de bediening van het aardse ging over naar het hemelse heiligdom (WdE 130; DA 166). Dus, terwijl het hemels heiligdom vanaf de dagen van de eeuwigheid werd ontworpen, zou men ook gepast kunnen zeggen, dat het heeft bestaan vanaf de eeuwigheid en dat het niet werkelijk kon gaan functioneren dan na de dood, opstanding en hemelvaart van Christus, toen Hij tot Hogepriester gezalfd werd. Hierover zegt M.L. Andreasen in zijn boek, het Boek der Hebreeën blz. 328, bij Hebr.9:8. Het betekent, dat de weg naar het ware heiligdom (in de hemel) nog niet open lag, zolang de mozaïsche dienst van de aardse tabernakel nog in Gods plan functioneerde. Op blz 330 verklaart hij verder: «De weg naar het hemels heiligdom zou geopend worden, zodra het aardse heiligdom zijn aangewezen functie vervuld had.»

 

Het hemels heiligdom gezalfd

 

De éénjarige ram die de priester ‘s morgens en ‘s avonds offerde, als een toewijding van Israël aan God, verzinnebeeldde Christus aan het begin van Zijn aardse leven, toen Hij de voorhof van de aarde binnenging, om het Offer te worden dat God voor de wereld gaf (Joh.3:16). De ram van toewijding, een volwassen mannelijk schaap, dat Mozes offerde toen het aardse heiligdom werd opgezet, verzinnebeeldde Christus, als offer aan God aan het einde van Zijn aardse leven. De dienst in het aardse heiligdom kon pas beginnen, toen dit laatste offer gebracht was, en toen zowel het heiligdom als de priesters waren gezalfd (Ex.40:9-15,29). Zo kon ook de dienst in het hemels heiligdom niet eerder beginnen, dan nádat Christus het ware Offerlam, op Golgotha was geofferd en Hij was opgevaren; en tot Hogepriester was gezalfd en “iets allerheiligst” het hemels heiligdom gezalfd was (Dan.9:24). Dit was de laatste profetische gebeurtenis voor het einde van de 70 weken.

 

De ware tabernakel opgezet

 

De Here Zelf richtte de ware tabernakel op (Hebr.8:2). Zoals Mozes, die het beeld Gods was, de eerste tabernakel te Sinaï oprichtte, zo ook richtte God de ware tabernakel op; het tegenbeeld. God richtte de ware tabernakel op, hetgeen betekent: “Hij organiseerde