De
Klederen van de
Hogepriester
(14)
Zijn
eenvoudige linnen
gewaden
De hogepriester
had twee stel
klederen. Eén was
van eenvoudig wit
linnen
(Ex.39:27,28)
gelijk aan die van
de gewone
priester, met
uitzondering van
de tulband en de
gordel. De
priesters droegen
sierlijke
hoofddoeken
(Ex.39:28) maar de
linnen tulband van
de hogepriester
was min of meer
kegelvorming. De
gordel van de
gewone priester
diende louter om
rond het gewaad
gebonden te worden
en pastte alleen
om het middel.
Josephus zegt dat
de gordel van de
hogepriester over
de schouders liep,
kruiselings over
de borst onder de
armen door en twee
maal rond het
lichaam, van voren
vastgebonden,
terwijl de einden
afhingen tot aan
de voeten. Dit
maakte de
hogepriester
eerbiedwaardiger.
De hogepriester
droeg deze
eenvoudige kleding
slechts op Grote
Verzoendag, als
hij het heilige
der heiligen
binnenging om
dienst te doen
voor zijn eigen
zonde zowel als
die van het volk.
Dan verscheen hij
in het nederige
karakter van een
smekeling. Als hij
naderde in de
heilige nabijheid
van God,
gesymboliseerd
door de Schêchina,
deed hij dat in
zuivere witte
linnen kleding
(Lev.16:2-4)
zonder ornament of
versiering van
enig soort,
kleding die
uitdrukking gaf
aan eerbied en
nederigheid. Deze
klederen waren ook
de uitdrukking van
die volmaakte
reinheid, welke
gezocht werd voor
de verzoening van
die dag
(Lev.16:30-33).
Deze speciale
kleding, door de
hogepriester op
Grote Verzoendag
gedragen, had geen
tegenbeeld in het
werk van de
hemelse
Hogepriester sinds
1844 omdat, toen
Christus Zijn werk
in het heilige der
heiligen van het
hemelse heiligdom
begon, Hij niet
naar binnenging om
verzoening te doen
voor Zijn eigen
zonden; want Hij
had geen zonde.
Hij ging naar
binnen om
verzoening te doen
voor de zonden van
het volk. Daarom
wordt in dit
zinnebeeld van
Grote Verzoendag
Jezus
gepresenteerd als
gekleed met
kostbare gewaden,
met de
<%-2>klokjes en de
granaatappelen en
met de borstplaat
die schitterde als
diamanten (EW 251;
EG 301). Maar het
eenvoudige linnen
kleed van de
aardse
hogepriester was
een beeld van het
feit dat Jezus
Zichzelf
ontledigde en de
gestalte van een
dienstknecht
aannam (zie 1BC
1111 en
Fil.2:5-10).
Het
geborduurde
overkleed
Het met gouddraad
geborduurde gewaad
van de
hogepriester werd
direct over het
onderkleed
gedragen. Evenals
al de klederen van
de priesters en de
hogepriester was
deze mantel van
fijn linnen
gemaakt en uit één
stuk geweven. Het
was rijk
geborduurd.
In zijn
Bijbel-Dictionaire
beschrijft Smith
dit borduurwerk
als bewerkt op een
mozaïekachtige
wijze, in
vierkantjes zoals
stenen gezet
worden. Webster’s
dictionaire zegt:
“Geruit, gevormd
uit kleine
vierkantjes,
langwerpig of
rechthoekig,
gelijk
mozaïekwerk.” Het
hebreeuwse woord
voor borduren in
Ex.28:39 wordt
aangegeven met het
inweven van
gekleurde draden,
in vierkanten, om
edelstenen in goud
te vatten. Dit
moet een exclusief
soort borduurwerk
zijn geweest, dat
grote zorg en
bekwaamheid
vereistte.
Bij Jezus reikte
dit kleed tot aan
de voeten
(Openb.1:13). Geen
scheur mocht er in
de priesterlijke
gewaden zijn, want
dit zou de
voorstelling van
de hemelse dingen
ontsieren. De
hogepriester die
in een gescheurd
kleed durfde te
verschijnen, werd
aangezien voor
iemand die zich
van God had
gescheiden. Hij
werd niet langer
door God aanvaard
als een officiële
priester. Kajafas
veroordeelde
Christus als een
lasteraar en
drukte dit uit
door het scheuren
van zijn kleed,
maar in deze
handeling beging
hij zelf de zonde
van laster. Zelfs
na de dood van
Christus als
vervulling van de
profetie, werd
Zijn kleed niet
gescheurd
(Joh.19:23,24;
Psalm 22:19; WdE
587).
De
geborduurde gordel
In het oosten werd
grote waarde
toegekend aan de
gordel, die als
deel van de
militaire
uitrusting met het
zwaard en de boog
verbonden was. Dit
was vooral waar,
wanneer het werd
gedragen door een
souverein of zijn
zoon en erfgenaam.
Toen Jonathan zijn
kleed aan David
gaf, gaf hij met
zijn zwaard en
boog, ook zijn
gordel (1
Sam.18:4). Dit was
niet slechts een
bekrachtiging van
hun verbond... van
broederschap voor
het leven, maar
ook een teken dat
hij aan David zijn
erfdeel had
overgedragen. Een
gordel van een zak
gemaakt, drukte
rouw uit; een
gordel van leder,
zoals die door
Elia en Johannes
de Doper werd
gedragen, was een
uitdrukking van
diepe nederigheid.
De gordel was ook
een symbool van
kracht en
overwinning (Psalm
18:39,40).
Kostbare gordels
werden soms als
beloning aan
soldaten gegeven.
Paulus verwijst
naar deze gewoonte
toen hij zei:
“Hebt uw lendenen
omgord met de
Waarheid.”
Ef.6:14. Zo zien
we, dat de gordel
een uitdrukking
was van
verschillende
emoties en
betekenissen. Hoe
dieper en meer
verheven het idee
dat er mee werd
uitgedrukt, hoe
rijker en meer
bewerkt de gordel
was. De gordel die
de hogepriester om
zijn geborduurde
kleed droeg, was
gemaakt van fijn
getweernd linnen
(met blauw, blauw
purper,
roodpurper,
veelkleurig
weefwerk en
toepasselijk
versierd met
naaldwerk)
(Ex.28:39; 39:29).
Zoals altijd
symboliseerde het
zuivere witte
linnen smetteloze
rechtvaardigheid,
en fijn getweernd
was
rechtvaardigheid
van de hoogste
orde; de
gerechtigheid van
Christus. Het
blauw, scharlaken
en purper
correspondeerde
met de koninklijke
kleuren van het
heiligdom zelf;
het duidde
gehoorzaamheid aan
goddelijke
waarheid aan, een
volledige en
onzelfzuchtige
offerande en
koninklijke
waardigheid. Dit
alles waren
kentekenen van
Jezus Christus
onze Hogepriester,
het grote
Tegenbeeld.
Een hogepriester
met minder bekleed
kon Christus niet
als onze
zondendrager
verzinnebeelden.
Daarom betreffende
Jozua, de
hogepriester, die
bekleed “met vuile
klederen” was,
beval de Here:
“Doet hem de vuile
klederen uit.” Hij
zeide tot hem:
“Zie, Ik neem uw
ongerechtigheid
van u weg, Ik trek
u feestklederen
aan.” En de engel
des Heren stond
erbij
(Zach.3:3-7).
Vuile klederen
presenteren zonde;
in dit geval de
zonden van Israël,
welke de
hogepriester in de
waardigheid van
zijn ambt moest
dragen (Num.18:1)
terwijl de zuivere
witte kleding de
gerechtigheid van
Christus
symboliseerde,
waarmee de
hogepriester moest
worden bekleed na
de zonden van
Israël te hebben
gedragen.
Het blauwe
gewaad van de Efod
Dit was het kleed
dat direct over
het geborduurde
kleed werd
gedragen. Het was
geweven en
helemaal blauw.
Deze kleur is
altijd het symbool
van de waarheid of
van de hemel zelf.
Gelijk aan het
geborduurde kleed
was het uit één
stuk. Het was
mouwloos en had
slechts openingen
voor de armen aan
de zijkant en aan
de bovenkant voor
het hoofd. Op de
zoom van het kleed
waren de klokjes
van zuiver goud
aangebracht, met
daartussen
granaatappelen van
blauw, purper en
scharlaken en
getweernd fijn
linnen. Beide
waren een
uitdrukking van
het karakter en
werk van onze
hemelse
Hogepriester
(Ex.28:31-35;
39:22-26). De
Bijbel vertelt
niet hoeveel van
deze ornamenten er
waren, maar de
joodse traditie
zegt, dat het er
72 waren
(klokjes). Anderen
verklaren dat er
72 ornamenten
waren, van elk 36
stuks. Dit lijkt
redelijker. Iemand
zei echter eens
wijselijk: “Het is
bescheidener stil
te zijn waar God
zwijgt, dan ons
over te geven aan
grenzeloze en
grondeloze
speculatie.”
Lessen van
de gouden klokjes
Wat betekenen de
gouden klokjes en
granaatappelen?
Omdat zij gelijk
in aantal waren,
heeft iemand eens
gesuggereerd dat
het de les
illustreerde, dat
er in onze
christelijke
ervaring evenveel
vrucht als geluid
van belijdenis
moest zijn. De
klokjes klonken
niet als schallend
koper, symbool van
gemis aan liefde
(1 Cor.13:1), maar
als zuiver goud,
wat een grote
waarde aanduidde.
De klokjes hadden
ook een speciaal
doel op de Grote
Verzoendag. Hun
vreugdevol geluid
beduidde aan het
volk, dat de
hogepriester zijn
werk veilig had
beëindigd en dat
God de offerande
voor de zonden
aanvaard had.
Lessen van
de granaatappelen
Waarom beval God
dat het tweede
ornament een
granaatappel zou
zijn en geen
andere vrucht? De
granaatappel is
een ronde vrucht
ter grote van een
appel. Haar
purperrode schil
is volledig
volgepakt met
zaadjes, die elk
in een bloedrood
zakje met
heerlijk, soms
bitter smakend sap
is gevat. Elke
vrucht is
werkelijk een
zaadmand met
kostbaar zaad. Het
zaad is het Woord
van God
(Luc.8:11). Bij
het tellen van een
gewone
granaatappel,
bleek het 650
zaadjes te
bevatten, hetgeen
betekent dat het
woord van God
letterlijk
volgepakt zit met
kostbare beloften.
Het bloedrode sap
duidt op het bloed
van Jezus
Christus, dat
reinigt van alle
zonden. Het fijn
gevlochten linnen
in koninklijke
kleuren van blauw,
purper en
scharlaken waarvan
deze ornamenten
gemaakt waren,
heeft hier
dezelfde betekenis
als érgens anders
in het
heiligdom...
hemelse waarheid,
koninklijk en
offervaardig. Het
scharlaken duidt
niet alleen op het
offer en het werk
van Christus, maar
ook op de
opoffering van
Zijn volgelingen;
zelfs tot de dood
die dikwijls
noodzakelijk is om
de waarheid van
God uit te dragen
aan hen die in de
duisternis zijn.
Het linnen is niet
alleen een
voorstelling van
de gerechtigheid
van Christus, maar
ook van de
gerechtigheid die
vereist wordt van
allen die God
roept voor Zijn
werk. “Reinigt u,
gij die de vaten
des Heren draagt.”
Jes.52:11. Zij
zaaien het
kostbare zaad
langs alle wateren
en brengen oude en
nieuwe waarheden
uit het woord van
God. “Hij gaat al
wenende voort die
de zaadbuidel
draagt, voorzeker
zal hij komen met
gejuich, dragende
zijn schoven.”
Psalm 126:6.
Anderen
lessen van deze
ornamenten
De klokjes en
granaatappels
hingen niet aan de
witte linnen
kleding, noch aan
de gouden efod,
maar zij hingen
aan het blauwe
gewaad, blauw een
symbool van Gods
eeuwige waarheid.
Hoe prachtig is de
gedachte in de
granaatappel-zaadbuidel
uitgedrukt, als
uur na uur de
hogepriester zijn
dagelijkse
plichten vervulde,
in het belang van
de berouwvolle
zondaar, en “zaad”
verspreidde van
hoop en moed,
troost en
onderwijzing uit
het woord van God,
die wondervolle
zaadbuidel! Met
wat voor
blijdschap neemt
hij van zijn
“zaadbuidel” en
geeft aan de
berouwvolle
zondaar het zaad
van bemoediging:
“Het bloed van
Jezus Christus,
Zijn Zoon, reinigt
ons van alle
zonden.” 1
Joh.1:7. Een
andere: “Uw geloof
heeft u behouden,
ga heen in vrede.”
Marc.5:34. “Zondig
niet meer, opdat u
niet iets ergers
overkome.”
Joh.5:14. Als de
zondaar het Woord
in zijn hart
ontvangt en het
vreugdevolle
geluid van de
klokjes hoort,
komt dat
inspirerende zaad:
“Vreugde zal er in
de hemel zijn over
één zondaar die
zich bekeert.”
Luc.15:7. Als de
gouden klokjes aan
de zoom van het
blauwe kleed van
de hogepriester,
hun blije geluid
uitzenden, wordt
het antwoord in de
hemel gegeven door
de engelen, als
zij de snaren van
hun harpen bewegen
(Luc.15:7).
Dit doet denken
aan het
kinderliedje:
“Luidt de klokken
van de hemel daar
vandaag blijdschap
want de verdwaalde
is nu verzoend.”
En dan het koor:
“Glorie, glorie
hoe de engelen
zingen” Glorie,
glorie hoe hun
harpen klinken!”
Als u nooit een
groep onschuldige
kinderen hoorde
die met hun lieve
stemmen dat lied
zongen, dan heeft
u een hemelse
trilling gemist!
De Efod
De Efod die boven
op het blauwe
gewaad gedragen
werd was het
bijzondere
officiële
kledingstuk van de
hogepriester van
Israël. Het woord
efod wordt soms
vertaald met
“overgooier”, dat
korter is dan het
blauwe kleed en
mouwloos (PP
314N). Het was het
kostbaarste en
prachtigste van
zijn gewaden,
geheel van goud,
blauw purper en
scharlaken en van
getweernd fijn
linnen gemaakt
(Ex.39:3). Iedere
draad daarvan
verzinnebeeldde
het volmaakte
karakter van
Christus. Dit
schitterende
materiaal, rijk
geborduurd met
echte gouden
draden,
vereenzelvigde de
hogepriester
persoonlijk en
officieel met de
poort van de
voorhof, de deur
van de tabernakel,
het voorhangsel en
de prachtige
binnenste
dakbedekking van
het heiligdom,
waar alles van
hetzelfde kostbare
materiaal en met
vakmanschap
gemaakt was als de
efod. Dit
verklaart
misschien ten dele
het feit, dat bij
de dood van de
hogepriester zijn
klederen aan zijn
zoon werden
overgedragen
(Ex.29:29).
De
chrysopraasstenen
De vóór en
achterkant van de
efod waren met
twee
chrysopraasstenen
aan elkaar
verbonden op de
schouders. Op
iedere steen waren
zes namen van de
stammen van Israël
gegraveerd
(Ex.28:10; 39:6).
Deze stenen waren
bijna wit met roze
strepen, gelijk
een agaat. Zij
waren in een
gouden zetting
gevat en de namen
waren gegraveerd
als
zegelgraveerwerk
(Ex.39:3,7). Het
signatuur van een
zegel wordt door
een koning
gebruikt om
officiële
documenten te
verzegelen. Het
geeft waarde aan
de documenten en
laat het gezag van
de
regerings-ambtenaar
zien. Op dezelfde
wijze duiden de
namen op de
chysopraasstenen
aan, dat zij die
op deze wijze
voorgesteld
worden, apart
waren gezet en
officieël
verzegeld, om
trouwe
dienstknechten van
de hemelse Koning
te zijn. Tekenen
van eer en gezag
worden dikwijls op
de schouders van
regeringsbeambten
gedragen, of door
anderen die een
onderscheiding
verkregen hebben.
Zoals de Messias
de heerschappij op
Zijn schouders
droeg (Jes.9:5),
zo waren ook de
schouderstenen van
de hogepriester
een uitdrukking
van de door God
gegeven eer en
verantwoordelijkheid.
De lastdragende
schouder betekent
onderwerping aan
dienst. Issaschar
“boog zijn
schouder om te
dragen en leent
zich tot slaafse
herendienst.”
Gen.49:15. De
chrysopraasstenen,
aan de schouder
van de efod
vastgemaakt,
beduidden dat de
hogepriester de
lichamelijke
lasten van Israël
droeg, zoals de
hemelse
Hogepriester onze
lasten draagt!
“Werp uw
bekommernissen op
Hem en Hij zal
voor u zorgen”
(Psalm 55:23) is
geen ijdele
belofte; en voor
ieder van ons is
het lastdragen
voor God een hoge
en hemelse eer! De
namen van Israël
in de
chrysopraasstenen
waren “naar de
volgorde van hun
geboorte
gegraveerd.”
Ex.28:10. Ruben de
oudste tot en met
Benjamin de
jongste. Zoals de
lammeren van de
kudde op de
schouders werden
gedragen, zo
werden ook de pas
bekeerden in het
gezin van God
gedragen
(Luc.15:4-6). Deze
namen stellen de
nieuwe recruten
voor, die zich
voorbereiden op de
roeping van hun
machtige Generaal,
om in Zijn
koninklijk leger
te worden
ingelijfd, zoals
verzinnebeeld in
de
borstplaatjuwelen.
Beide stenen en de
borstplaatjuwelen
waren “voor een
herinnering
gegraveerd,” iets
dat God nimmer zou
vergeten! “Al
heeft u Mij
vergeten, nochtans
zal Ik u niet
vergeten want Ik
heb u niet
gegraveerd op
kostbare stenen,
maar wat meer is
in de palmen van
Mijn handen.”
Ex.28:12,29;
Jes.49:15,16. God
zal hen die zich
op Zijn dienst
voorbereiden of
die in Zijn dienst
staan nooit
vergeten! Dit is
de belofte van de
Heer aan Sion.
De
borstplaat der
beslissing
Evenals de efod
was de borstplaat
van goud gemaakt
(goud, blauw,
purper, scharlaken
en fijn gevlochten
linnen). Dit rijk
geborduurde stuk
brokaat was
vierkant en
dubbel, iedere
zijde ongeveer 22
cm lang. In gouden
kassen (Ex.39:13)
waren vier rijen
kostbare stenen
gevat. Op elk van
de stenen was de
naam van één van
de stammen van
Israël gegraveerd
(Ex.28:15-21). Zij
glinsterden als
diamanten,
weerkaatsten het
licht en
vergrootten de
daarin gegraveerde
namen (EG 301).
Deze juwelen, elk
van 5 keer 7.5 cm,
waren niet alleen
prachtig, maar ook
van onschatbare
waarde. Hebreeuwse
schrijvers zeggen
dat het vaandel
van elke stam
dezelfde kleur
droeg als de
juwelen in de
borstplaat van de
hogepriester.
Aäron zal de namen
van de kinderen
Israëls in de
borstplaat der
beslissing op zijn
hart dragen,
wanneer hij het
heilige binnengaat
tot een
voortdurende
gedachtenis
(Ex.28:29). Op
dezelfde wijze
houdt Christus
onze hemelse
Hogepriester Zijn
volk voortdurend
in gedachten. Hij
draagt de namen
van iedere
berouwvolle
zondaar die in Hem
gelooft op Zijn
hart (PP 351E; PP
314N). Hij denkt
voortdurend aan
iedere arme en
noodlijdende
(Psalm 40:18). Hij
draagt niet alleen
hun lichamelijke
lasten maar ook de
zorgen die hun
hart drukken.
Deze twaalf
borstplaatjuwelen,
geen twee aan
elkaar gelijk,
gedragen op het
hart van de
hogepriester,
stellen Gods
bijzondere schat
voor, “Mijn
juwelen.” (KJV
Mal.3:17). Zij
komen overal
vandaan; uit de
twaalf stammen en
uit elk volk, elke
stam en natie. Uit
de eilanden der
oceaan en uit de
donkere oerwouden.
“Zij zijn Mij ten
eigendom... op de
dag die Ik
bereiden zal, zegt
de Here der
heerscharen”.
Mal.3:17.
De
volgorde der namen
De namen, in de
borstplaat
gegraveerd, waren
overeenkomstig de
twaalf stammen
(Ex.28:21). Alleen
zij behoorden tot
de getelden die
oud genoeg waren
om voor Israël te
strijden
(Num.1:3). En zij
waren volwassen
genoeg om de
geestelijke strijd
des Heren te
strijden. In hun
strijd en dienst
voor Hem draagt
Christus hen
voortdurend op
Zijn hart. Hij
houdt hen
voordurend in
gedachtenis
(Ex.28:29). De
volgorde van deze
namen is
natuurlijk
dezelfde als de
legering van de
stammen rond de
tabernakel, toen
zij van plaats tot
plaats trokken
(Num.2:3-13).
De Urim en
de Tummim
En gij zult in het
borstschild der
beslissing de Urim
en de Tummim
leggen; zij zullen
op het hart van
Aäron zijn,
wanneer hij voor
het aangezicht des
Heren komt, en
Aäron zal de
beslissing voor de
Israëlieten
voortdurend op
zijn hart dragen
voor het
aangezicht des
Heren
(Ex.28:29-30).
In het Oude
Testament vinden
wij een aantal
gevallen, waarin
gebruik gemaakt
wordt van de
mogelijkheden die
binnen het bereik
lagen van iedere
Israëliet, door de
Urim en de Tummim.
Wij lezen van
koning Saul het
volgende. “En Saul
vroeg de Here,
maar de Here
antwoordde hem
niet, noch door
dromen noch door
de Urim noch door
de profeten.” 1
Sam.28:6. Dat
betekent dat Saul
nu aan het einde
van zijn leven
afgesneden was van
drie bronnen van
informatie, die
hem in het begin
van zijn
koningschap wel
ter beschikking
stonden. De
profeet, de Urim
en de droom. Maar
nu, aan het einde
van zijn leven, is
Samuël gestorven;
Saul heeft de
priesters gedood,
op één na, en dié
heeft de efod met
de Urim bij zich.
De Here antwoordt,
hem ook niet meer
door een droom,
omdat hij geen
acht heeft
geslagen op een
boodschap van God
en daardoor
ongehoorzaam is
geworden aan de
God van Israël. Al
deze dingen
stonden niet
alleen de koning
ter beschikking
maar iedere
Israëliet. In het
Nieuwe Testament
hebben wij een
soortgelijke
informatiebron.
“Indien echter
iemand van u in
wijsheid te kort
schiet, dan bidde
hij God daarom,
die aan allen
geeft,
eenvoudigweg en
zonder verwijt, en
zij zal hem
gegeven worden.
Maar hij moet
bidden in geloof,
in geen enkel
opzicht
twijfelende, want
wie twijfelt,
gelijkt op een
golf der zee, die
door de wind
aangedreven en
opgejaagd wordt.
Want zo’n mens
moet niet menen,
dat hij iets van
de Here zal
ontvangen,
innerlijk verdeeld
als hij is,
ongestadig op al
zijn wegen.”
Jac.1:5-8.
Maar nu
specifiek de Urim
en de Tummim
David kende het
gebruik van de
Urim en de Tummim.
Op zekere dag komt
de priester
Abjathar bij David.
Hij is de enige
die ontkomen is
uit de moordpartij
in Nob, waarbij de
priesters des
Heren gedood
werden. Maar
Abjathar komt niet
alleen; hij heeft
de efod bij zich
(1 Sam.23:6). En
vanaf dat moment
speelt de efod een
belangrijke rol in
alle
“beslissingen” die
David neemt. In 1
Sam.23 vanaf vers
1 kunt u een
aantal gevallen
lezen. David gaat
tegenover de efod
staan (1
Sam.23:10) en
stelt de vragen
aan de Urim en de
Tummim met de
volgende aanhef:
“Here God van
Israël” en dan
volgt de vraag. En
het merkwaardige
is dat David
steeds
onmiddellijk
antwoord ontvangt.
David vraagt:
“zullen de burgers
van Kehila mij aan
Saul
uitleveren?... De
Here zei: Zij
zullen u
uitleveren.” 1
Sam.23:10-13. En
zo ontkomt David
altijd aan Saul.
D.w.z. David legde
de beslissing van
zijn dagelijkse
leven in het
antwoord van de
Urim en de Tummim.
In 1 Sam.30:7-10
ziet u een
soortgelijk iets.
David gehoorzaamde
het antwoord van
de Urim en hij
heeft een geweldig
succes! In
Deut.33:8-11 ziet
u, dat met de Urim
en de Tummim een
onvoorwaardelijke
gehoorzaamheid
verbonden is. De
stam van Levi
kreeg haar op die
voorwaarde. Voor
Levi stond God op
de eerste plaats
en iedereen was
daaraan
ondergeschikt, of
dat nu vader of
moeder, broer of
kind was. Toen God
dat gezien had
kreeg Levi de Urim
en de Tummim. Maar
zij was voor elke
Israëliet
(Num.27.21).
In twijfelgevallen
moest de Urim
geraadpleegd
worden (Ezra
2:59-63;
Neh.7:61-65). U
zult zich afvragen
hoe werkte dat nu?
Ellen White geeft
ons daar antwoord
op: «Rechts en
links van de
borstplaat
bevonden zich twee
stenen van
buitengewone
helderheid. Deze
werden de Urim en
de Tummim genoemd.
Door middel van
deze stenen werd
Gods wil bekend
gemaakt aan de
hogepriester.
Wanneer vragen
werden gesteld
voor het
aangezicht van de
Here, omringde een
cirkel van licht
de kostbare steen
rechts, als teken
van Gods
goedkeuring of
toestemming,
terwijl een
schaduw op de
linkersteen een
bewijs was, dat
God zijn
goedkeuring
onthield of het
verzoek weigerde.»
PP 314N.
De vraag die nu in
alle redelijkheid
gesteld kan worden
is deze: Is er in
de Nieuw
Testamentische
bedeling een
soortgelijk iets?
Hoe kom ik achter
mijn plicht? In de
eerste plaats is
daar natuurlijk
het woord van God.
Waar een woord van
God is, daar is
natuurlijk geen
nieuwe uitspraak
nodig. Dat zou
niets meer of
niets minder zijn
als God verzoeken.
In Ezechiël 20
zien wij een
voorbeeld van
mensen die naar de
profeet gaan, om
een uitspraak aan
de profeet te
ontlokken over een
onderwerp. Maar de
Here is er niet
erg tevreden over
en de Here zegt
tegen de profeet:
“Zeg maar tegen
hen zo waar Ik
leef, Ik laat Mij
door u niet
raadplegen, luidt
het woord van de
Here Here.”
Ezech.20:3. En uit
de rest van het
verhaal blijkt dat
het antwoord heel
duidelijk
geschreven stond
in de geschiedenis
van Israël.
Maar niet al onze
plichten staan
zwart op wit. Wat
dan? In Jacobus
wordt ons verteld,
dat wij tot God
kunnen gaan en die
wijsheid zeker
ontvangen zullen.
Onze hemelse
Hogepriester
draagt op Zijn
borst ook de
beslissing voor uw
leven. Als u deze
wilt leren kennen
en de beslissing
neemt om die
beslissing te
volgen, dan zal
Hij u die
beslissing bekend
maken en de kracht
om haar ten
uitvoer te
brengen. Luister
wat Ellen White
zegt:
«De Here wil ons
even bereidwillig
wijzen op onze
plicht als Hij dat
aan een ander wil
doen. Als wij in
geloof tot Hem
komen, zal Hij
Zijn
verborgenheden aan
ons persoonlijk
bekend maken. Onze
harten zullen
branden in ons,
als Hij ons nadert
om met ons te
spreken, zoals Hij
dat met Henoch
heeft gedaan. Zij
die zich voornemen
niets te doen wat
God kan mishagen,
zullen precies
weten wat te doen
nadat zij hun
problemen aan God
hebben voorgelegd.
Zij zullen niet
alleen wijsheid
maar ook kracht
ontvangen. Zij
zullen kracht
ontvangen om te
gehoorzamen en te
dienen, zoals
Christus beloofd
heeft.» WdE 555
(oude WdE 585).
En de dienstmaagd
des Heren zegt
dit: “Ik ontvang
dikwijls brieven
van personen die
mij hun
moeilijkheden en
zorgen vertellen,
en mij vragen of
ik God wil vragen
wat hun plicht is.
Degenen over wie
God mij geen licht
gegeven heeft, heb
ik dikwijls
geantwoord: Ik ben
niet door God
aangewezen om dit
werk te doen. De
Here Jezus heeft u
uitgenodigd om al
uw moeilijkheden
voor te leggen aan
Iemand Die elke
omstandigheid van
uw leven kent.”
Jac.1:5-8.
«Ik zal mijn Heer
niet ontmoedigen
door het volk aan
te moedigen om
naar mij te komen
voor raad, terwijl
zij een
voortdurende
uitnodiging hebben
om te gaan tot Eén
Die in staat is om
hen en al hun
moeilijkheden te
dragen.» TM 487.
Leer uw
Hogepriester
kennen en Zijn
beslissing voor u,
in uw leven.
De stenen van
Eden, de
borstplaat en het
nieuwe Jeruzalem
In Exodus
28:15-21, Ezechiël
28:13 en in
Openbaring
21:19-20 komen de
edelstenen voor
die in het
borstschild van de
hogepriester
zaten. In Ezechiël
28 worden 9
verschillende
edelstenen genoemd
en in Openb.21
alle 12. Het loopt
dus van Eden (Ezechiël
28:13) via de
hogepriester naar
het nieuwe
Jeruzalem.
Ephraïm en Dan
afgesneden...
Waarom?
In de lijst van de
stammen van
Openbaring 7 en
die welke namen
zijn geschreven
boven de poorten
van de heilige
stad, neemt Jozef
de plaats van
Ephraïm in van wie
geschreven is:
“Verknocht aan
beelden is Efraïm.
Laat hem
geworden.”
Hos.4:17-18. Een
ieder die met zijn
afgoden verbonden
blijft, de afgoden
van zilver, goud,
alcohol, tabak,
koffie, thee,
heroïne, juwelen
of wat voor afgod
dan ook, zal op
den duur hetzelfde
vonnis ontvangen
“laat hem
geworden.” “Dan”
staat symbolisch
voor een
hielenbijter, een
slang op de weg en
een adder op het
pad, die in de
hielen van het
paard bijt zodat
de ruiter
achterover valt
(Gen.49:17). Hij
valt af en Levi
neemt zijn plaats
in. Wat een
waarschuwing aan
een ieder die zich
overgeeft aan
afbrekende
kritiek, en
achterklapperij of
roddel in elke
vorm. Het zou op
z’n minst raadzaam
zijn om, vóór we
op dit punt
verleid worden,
deze welbekende
woorden te
overdenken:
“Er is veel goeds
in het slechtste
van ons,
en zoveel slechts
in het beste van
ons,
dat het nauwelijks
iemand van ons
betaamt,
om te spreken over
de rest van ons.”
Wanneer wij ons
herinneren, dat
satan “de slang”
is “de aanklager
van onze
broederen”,
(Openb.12:10)
zouden we dan niet
voor altijd zo’n
geest afwerpen,
opdat we niet met
hem gerangschikt
en tenslotte met
hem verworpen,
zullen worden en
onze plaats onder
de verlosten van
Israël verliezen?
Chrysopraasstenen
en de borstplaat
samengebonden
Toen de borstplaat
gereed was, werd
een ring van
zuiver goud op
elke hoek
geplaatst, twee
boven en twee
onder. De twee
bovenste
“gevlochten
kettinkjes” van
zuiver goud waren
met ringen
vastgemaakt. Deze
kettinkjes reikten
tot de ringen van
de stenen in de
schouderstukken
van de efod,
waaraan ze met
gouden ringen
waren vastgemaakt
en welke de
onyx-stenen met de
borstplaat
verbonden. Deze
kettingen waren
dubbel sterk
gemaakt als
snoeren;
vlechtwerk van
zuiver goud
(Ex.28:13,14;
39:15-18). Zo
verbindt Christus
Zijn kinderen
tezamen; jong en
oud. Volgens Zijn
woord zal “niemand
hen uit Mijn
Vaders hand
rukken.”
Joh.10:29. Wat
belangrijk dat
deze kettingen van
gevlochten goud
waren. Met de twee
onderste ringen
werd de borstplaat
met gouden ringen
aan de twee zijden
van de efod
vastgemaakt, op de
bijzondere gordel
met een
blauw-purperen
snoer (Ex.28:28).
Denk eraan: een
blauw snoer
verzinnebeeldt
gehoorzaamheid aan
hemelse waarheid;
het werd door
Israëls krijgers
dicht aan de
gordel gebonden.
Dat deel van de
militaire
uitrusting waaraan
het zwaard was
bevestigd (en in
overdrachtelijke
zin het zwaard des
Geestes), is het
Woord van God (Ef.
6:17). Zo verenigd
en toegerust,
waren Israëls
strijders zeker
van de overwinning
in hun geestelijke
oorlogen.
De gordel
aan de Efod
Deze gordel
(Ex.28:8) was
ongeveer een hand
breed, tweemaal
rond het bovenste
deel van de heupen
gedraaid en van
voren vastgemaakt;
de lange uiteinden
hingen naar
beneden af.
Evenals de efod
waren zij in
koninklijke
kleuren rijk
geborduurd met
draden van goud,
Christus
voorstellende, Die
immers rond de
borst met een
gouden gordel was
omgord (zie
Openb.1:13). Zo’n
gordel was het
kenmerk van
uitnemende eer,
majesteit en
koninklijkheid. De
rijke gouden
gordel van
Christus duidt op
Zijn excellente
bediening als
Hogepriester.
De tulband met
daarop de heilige
diadeem
De tulband was
evenals de andere
kleding van fijn
linnen gemaakt;
aan de voorkant
daarvan werd met
een blauw snoer
een gouden plaat,
“de heilige
diadeem”,
vastgemaakt waarin
gegraveerd stond
“Den Here Heilig.”
Ex.39:30,31.
Deze plaat met
haar blauwe
koorden, verbonden
met de tulband,
moest op het
voorhoofd van
Aäron zijn, een
symbool dat hij
als hogepriester
het woord van God
begreep en het
gehoorzaamde, een
ware
vertegenwoordiger
van Christus.
Wanneer aan het
begin van de
duizend jaren de
verlosten met
Christus als
priesters zijn
verbonden
(Openb.20:4,6),
dan zullen zij ook
een heilige kroon
dragen. Bij de
aanvang van deze
heilige dienst,
plaatst Jezus op
elk hoofd de kroon
der heerlijkheid,
Zijn eigen nieuwe
naam dragende en
met de inscriptie
«De Here heilig.»
GC 646, GS 596;
Jes.62:2;
Openb.2:17; 3:12;
22:4. Diegenen die
uiteindelijk deze
heilige kroon
zullen dragen,
zullen in hun
dagelijks leven op
aarde dàt zijn wat
het vóórstelt.
De heilige diadeem
had echter nog een
diepere betekenis
in het
verlossingsplan.
Mozes zegt
uitdrukkelijk:
“Zij zal op het
voorhoofd van
Aäron zijn en
Aäron zal de
schuld dragen,
gelegen in de
heilige dingen die
de Israëlieten
zullen heiligen in
alle gaven van hun
geheiligde dingen;
ja, zij zal
voortdurend op
zijn voorhoofd
wezen, zodat zij
welgevallig zijn
vóór het
aangezicht des
Heren.” Ex.28:38.
De Israëlieten
brachten veel
heilige gaven,
maar in al die
gaven was ook
schuld met zonde
bevlekt. Gaven van
tienden, offers,
gebeden,
aanbidding, lof,
eerstelingen, ja,
àl hun heilige
gaven waren met
zonden bevlekt. In
Haggaï 2:11-15
vertelt de Here
dat alles wat het
volk offert, al is
het nog zo goed,
het onrein is: “Zo
staat het met al
het werk van hun
handen, en wat zij
daar offeren, dat
is onrein” (Haggaï
2:15), niet in en
van zichzelf, maar
omdat het van
zondige mensen
komt is het
onrein. Welnu,
deze onreinheid,
deze zonden in de
goede werken -
“want niemand op
aarde is zo
rechtvaardig, dat
hij goed doet
zonder te
zondigen”
(Pred.7:20) -,
deze zonden werden
gedragen door de
hogepriester op de
heilige gouden
diadeem
(Ex.28:38). Opdat
Israël welgevallig
zou zijn voor Gods
aangezicht. Dus de
hogepriester
werden de zonden,
in de goede werken
gelegen,
toegerekend, en
hij droeg ze; en
het volk was
dáárdoor
welgevallig voor
God. M.a.w. het
volk stond
schuldeloos en de
priester schuldig
door deze heilige
diadeem. In het
Nieuwe Testament
vinden wij overal
deze
schuldwisseling.
Goede werken zijn
Gode aangenaam
door Jezus
Christus.
Geestelijke
offers, die Gode
welgevallig zijn
“door” Jezus
Christus (1
Petr.2:5; 1
Petr.4:11;
Filipp.1:11;
Col.3:17 en
Jac.5:16).
In het licht van
Num.28:22 vindt er
in 2 Kron.26:20
iets bijzonders
plaats. Uzzia
wordt melaats aan
zijn voorhoofd.
Hij was het
heilige
binnengegaan en
had zonde op zich
geladen
(Num.28:22), en
werd melaats op de
plaats waar de
hogepriester de
zonde droeg. Wij
zijn Gode alleen
aangenaam door
Jezus Christus de
middelaar, omdat
wij zondaren zijn.
Wat een reiniging
moet er dan
plaatsvinden
voordat de
middelaar terug
kan treden en de
genadetijd kan
eindigen, (zie GS
575; EG 76) en op
ons voorhoofd het
zegel “de Here
heilig” geplaatst
kan worden. “Die
heilig is, hij
worde nog meer
geheiligd.”
Openb.22:11.
Dus nog eens: de
woorden op de
heilige diadeem,
de gouden plaat
“de Here heilig”,
sloegen niet op de
hogepriester, maar
op het volk dat de
hogepriester
vertegenwoordigde.
Dat was de Here
welgevallig en “de
Here heilig” en de
priester werd “in
hun plaats” met
schuld beladen.
Hiermee werd de
“toegerekende
gerechtigheid”
uitgebeeld.
(“HET PAD NAAR DE
TROON VAN GOD”
Sarah E. Peck)