Israëls
voorbereiding tot dienst
(4)
Het eerste Pascha
Als
voorbereiding voor de aanvang van het
heilige werk, om de tabernakel te
bouwen, leidde God de Israëlieten door
ervaringen die bedoeld waren om hun
geloof te versterken en hen beter voor
te bereiden op hun taak. Een van de
voornaamste was de bevrijding uit de
egyptische slavernij en afgoderij.
Toen de juiste tijd daar was
ontblootte de Here Zijn arm om hen te
bevrijden. Om deze gebeurtenis te
markeren, moest ieder huisgezin in
gehoorzaamheid aan Zijn gebod een
éénjarig lam uitkiezen zonder gebrek
of smet. Op de veertiende dag van de
maand Abid, werd het tussen “de twee
avonden” geslacht; dat is tussen drie
uur ‘s middags en zonsondergang. Het
bloed werd gesprenkeld op de
deurposten van ieder huis waarbinnen
een Israëlitisch gezin woonde. Daarna
werd het met vuur geroosterd in de
nacht van de 15de Abib. Het
werd gegeten met ongezuurd brood en
bittere kruiden (Ex.12:1-9 SV).
De
bittere kruiden waren een blijvende
herinnering aan hun ervaring in de
bittere slavernij. Het ongezuurde
brood was brood der droefheid, want
het was haastig gemaakt. Het was
ongedesemd. (Deut.16:3; Ex.12:33,39).
Het geroosterde lam stelde de
vreselijke beproeving voor van het Lam
Gods, Dat werd gewond om onze
overtredingen, onderdrukt en gekweld
(Jes.53:4-12). Het bloed op de
deurposten gesmeerd, was een
bescherming voor de bewoners, een
symbool van het bloed van Christus,
vergoten voor hen om hen tegen de
zondemacht te beschermen. Deze dienst
werd het Pascha genoemd omdat, toen de
Heer alle eerstgeborenen van Egypte
sloeg, Hij aan de huizen van de
Israëlieten voorbij ging (“passeerde”)
vanwege het bloed op de posten. Het
was een gedenkteken, dat werd gevierd
als herinnering aan hun bevrijding.
Het was een instelling voor altijd
(Ex.12:14). En zij, wier zonden zijn
afgewassen door het bloed van
Christus, zullen het in eeuwigheid
vieren als hun grote bevrijding. Het
Pascha werd niet in de woestijn
gevierd (PP 406,485E; PP 369,437N;
Ex.12:25; Jozua 5:10).
Hierover
zei de Here tot Mozes: “Wanneer gij in
het land komt dat de Here u wil geven,
dan zult gij deze dienst van jaar tot
jaar houden. En wanneer uw kinderen u
zullen vragen, wat betekent deze
dienst? Verklaar dan aan hen de
goddelijke betekenis, die zelfs
kinderen kunnen begrijpen.”
Ex.12:25-27; 13:10. Als wij vandaag
deze dingen aan onze kinderen
verklaren, laat ons dan duidelijk
maken dat de plagen, aan Egypte
gezonden, niet tegen het volk maar
tegen hun afgoden gericht waren
(Ex.12:12). Zij ware bedoeld om de
Egyptenaren de macht van de ware God
te doen kennen, en de totale
hulpeloosheid van al hun valse
afgoden, welke zelfs niet de
eerstgeborenen van Egypte konden
beschermen, hoewel zij aan de afgoden
waren gewijd (Ex.11:4,5).
Bevrijding te middernacht
Het was te middernacht dat alle
eerstgeborenen van Egypte werden
gedood. Er was geen huis waar geen
dode te betreuren viel. Onmiddellijk
werd heel Egypte opgeroepen en de
koning zond aan Mozes een dringend
bevel het land met haast te verlaten,
opdat zij niet allen werden als doden
(Ex.12:29-33). Op dat moment waren
alle voorbereidingen voor hun vertrek
reeds getroffen. Het volk was verdeeld
in groepen onder aangewezen leiders.
Iedere man en vrouw had de Egyptenaren
bezocht en loon geëist voor hun
onbetaalde arbeid. De Here gaf hen
zo’n gunst bij de Egytenaren, dat hen
werd gegeven alles wat ze maar
vroegen, zilver, juwelen en goud. De
bijeengebrachte hoeveelheid was enorm,
«zo beroofden zij de Egytenaren.»
Ex.11:2,3; 12:35,36; PP 281E; Ed 37; K
34. Het
Pascha werd waargenomen met de
lendenen omgord, schoenen aan de
voeten en de staf in de hand
(Ex.12:11). Zo gebeurde het dat, toen
Farao zijn bevel uitvaardigde, de
slaven onmiddellijk na middernacht
vertrokken, beladen met de buit van
hun onderdrukkers. God voerde hen uit
met zilver en goud, Egypte was blij
toen ze vertrokken (PP 281E; PP 245N;
Psalm 105:37,38). Dit vervulde de
profetie dat ze aan het einde der 400
jaren van verdrukking met grote have
zouden uittrekken (Gen.15:14,15).
Israël ‘vertrok van Raämses op de 15e
van de eerste maand’ (Num.33:3). Zij
gingen weg ‘te middernacht’; zij
vertrokken ‘met haast’, want het bevel
was ‘dringend’! (Deut.16:1; Ex.12:33).
Zij werden ‘verdreven’ (Ex.12:39).
Maar hoewel in haast uitgetrokken,
vertrokken zij niet in wanorde.
‘Israël vertrok toegerust’ (in
ordelijke rijen, Moffatt) ... uit
Egypte (Ex.13:18).
Uit Egypte dezelfde dag
Wij
moeten duidelijk verstaan, dat de
uitdrukking “op de dag af” niet alleen
wordt toegepast op de 430 jaar van hun
omzwerving (Ex.12:40) maar ook op de
vierhonderd jaar van hun slavernij
(Gen.15:13). Beide perioden eindigden
op dezelfde dag. Op de aangewezen dag
ontblootte de Here Zijn machtige arm
om Zijn belofte te vervullen. Hij
bracht hen uit Egypte “met een sterke
hand”. Ex.13:14. God is “een
wonderbare Teller.” Dan.8:14. Volgens
de kanttekening van de King James
Version: Hij weet iedere gebeurtenis
van te voren en de exacte tijd wanneer
het zal geschieden. Hij maakt geen
fouten in Zijn plan.
Te
Sukkoth aangekomen bakten zij
ongezuurde broden van het deeg dat zij
hadden meegebracht, want omdat zij
waren “verdreven”, hadden zij voor
zichzelf geen teerkost bereid
(Ex.12:39). Vanaf Sukkoth, inplaats
van oostwaarts te gaan, leidde de wolk
hen zuidwaarts naar de rand van de
woestijn Etham (Ex.13:20). Dit bracht
Farao tot de conclusie dat zij in het
land verdwaald waren. Van hier werden
zij geleid naar Pi-Hachiroth om zich
daar te legeren bij de zee. De
plaatsen langs de Rode Zee, aan de
oostelijke grens van Egypte, waren
vestingsteden bezet door wachten die
naderend gevaar moesten signaleren.
Nadat de Hebreeën enige dagreizen uit
Egypte waren vertrokken (I SP 1870,
206), zonden deze wachten een
boodschap naar Farao dat het volk,
inplaats van God te dienen in de
woestijn, zoals Mozes geëist had,
gevlucht was (Ex.14:5). Onmiddellijk
volgde het leger van de koning in
wilde achtervolging, met het plan een
deel van de buit terug te veroveren en
indien nodig enigen van hen te doden.
Zij
overvielen Israël bij de zee
(Ex.14:3-9; 15:9). De derde nacht
nadat Israël Raämses verlaten had,
werden zij door bergketens ingesloten
terwijl de Rode Zee voor hen lag (4T
21).
Met voor
zich onoverkomelijke moeilijkheden,
luidde het bevel van de Here: “Trek
op.” Ex.14:15. Om dit mogelijk te
maken werd een nieuw wonder gewrocht.
De wolkkolom plaatste zich tussen de
legers en vormde voor Farao een pilaar
van duisternis, maar was licht aan de
kant van Israël gedurende de gehele
nacht (Ex.14:21). God stolde de
wateren van de zee zodat Israël over
het droge kon gaan (Ex.15:8). “In de
morgenwake”, dat is vlak voor
zonsopgang, poogde het leger van Farao
te volgen maar zij werden door de zee
verzwolgen (Ex.14:10-31).
Het lied van Mozes
Ter
herinnering aan deze gebeurtenis
schreef Mozes onder de inspiratie van
de Heilige Geest een van de
opmerkelijkste liederen, een lied dat
nu nog zijn naam draagt, “Het lied van
Mozes.” Toen beval hij het te gedenken
en het te leren aan de kinderen en
kindskinderen. Het moest niet vergeten
worden, want het was een getuige tegen
hen als zij van God zouden afdwalen
(Deut.31:19-22; PP 467-468E; PP 423N;
Ed 39; K 38). Het lied drukte
dankbaarheid uit aan God voor Zijn
bevrijding, maar het wees ook
voorwaarts; niet alleen naar het
aardse maar ook naar het hemelse
heiligdom (Ex.15:17,18).
Ik zal de Here zingen
Want Hij is hoog verheven
Hij heeft de wagens en
zijn leger in de zee geworpen,
en de keur van zijn hooflieden
zijn verdronken in de Schelfzee,
De Here... is mij tot heil geweest...
daarom zal ik Hem een liefelijke
woning maken
(Het
aardse heiligdom)
Ex.15:1,4,2 SV.
Die zult Gij inbrengen,
en hen planten op de berg van uw
erfenis,
ter plaatse welke Gij, o Here!
gemaakt hebt tot uw woning;
het heiligdom hetwelk uw handen
gesticht hebben,
o Here!
(Het
hemels heiligdom)
Ex.15:17
SV.
Alle
vrouwen namen deel aan dit grote koor
onder leiding van Miriam
(Ex.15:20,21). Over de woestijn en de
zee klonk het vreugdevolle refrein.
Het schijnt, dat Israël een groot deel
van deze wonderlijke dag besteedde aan
het zingen van dit onsterfelijke lied.
Het was een dag van grote vreugde. Het
tegenbeeld van dit lied “Het lied van
Mozes en van het Lam” (Openb.14:2,3),
zal gezongen worden rond de eeuwige
troon wanneer alle vijanden van Gods
volk vernietigd zijn en Zijn eeuwig
heiligdom is gevestigd (PP 467-468E).
Dat zal een dag zijn van nog grotere
vreugde (PP 423N).
Aankomst bij de berg
Israël
bereikte de berg Sinaï in de derde
maand op de derde dag van de maand
(Ex.19:2). Hier legerden zij zich
tegenover de berg (Ex.19:2), en bleven
er ongeveer een jaar. Nadat zij het
kamp hadden opgeslagen, brachten zij
de eerste twee dagen door met het
wassen van hun kleren en van zichzelf
(Ex.19:10,14). Dit was de
noodzakelijke lichamelijke en
geestelijke voorbereiding om de Here
te ontmoeten, die op de derde dag van
de maand Sivan bij hun aankomst was
verschenen in een dikke wolk op de
Sinaï en aldaar Zijn wet uitsprak
(Ex.19:9; Deut.10:4-10,13). De
wetgeving vond dus plaats op de vijfde
van de derde maand.
Het eerste Pinksterfeest
Het
hebreeuwse woord voor Pinksteren
betekent vijftigste. Het werd zo
genoemd, omdat deze verordening op de
vijftigste dag gevierd moest worden,
vanaf de morgen na de dag dat het
Paaslam gegeten was. Het werd ook het
wekenfeest genoemd, omdat het zeven
complete Sabbatten waren
(Lev.23:15-16). Dit eerste
Pinksterfeest viel op de vijfde Sivan;
de derde dag na Israëls aankomst bij
de Sinaï. (Ex.19.16). Op de morgen van
deze dag bracht Mozes het volk buiten
het kamp om God te ontmoeten. Zij
namen hun plaats in aan de voet van de
berg, buiten de afzetting welke God
aan Mozes had opgedragen uit te zetten
(Ex.19:12). Op de berg rustte een
dikke wolk en op de top de
heerlijkheid van God, gelijk een
verterend vuur (Ex.19:9; 24:17). Hier
waren de Vader en de Zoon aanwezig
omringd door een menigte engelen, om
zich tot het volk te richten (PP
304,339E; PP 269,304N). “Gods wagens
zijn tweemaal tienduizend, duizenden
bij duizenden” zegt de psalmist later
(Psalm 68:18). De scene later
beschrijvende zegt Mozes: “Hij kwam
uit het midden van heilige
tienduizenden.” Deut.33:2. David in
zijn poëtische stijl schreef: “Hij
neigde de hemel en daalde neder.”
Psalm 18:10. Uit de wolk bliksemde het
en de donder rolde en de berg Sinaï
stond geheel in rook, omdat de Here
daarop neerdaalde in vuur. De rook
ervan steeg op als de rook van een
oven en de hele berg schudde zeer en
de echo’s duurden lang en werden
luider en luider, zodat het volk
beefde (Ex.19:17-19). Deze
manifestatie van goddelijke kracht en
heerlijkheid duidde aan, dat God iets
van groot gewicht tot het volk te
zeggen had.
God spreekt Zijn wet uit
Uit de
wolk werd een stem gelijk een trompet
gehoord (Ex.19:16). Christus en de
Vader stonden zij aan zij en
verkondigden de wet van God, de tien
geboden (HS 231; Ex.20:1-7). Vanwege
de vurige scene rondom de wolk,
verklaarde Mozes zeer juist; Van Zijn
rechterhand ging een vurige wet uit
(Deut.33:2). De aanblik was zo vrees
aanjagend en zo ontzagwekkend was de
stem van God, dat zelfs Mozes zei: “Ik
ben enkel vrees en beving.”
Hebr.12:21. Sinds de stem van de
Eeuwige die werelden schiep, was er
nooit zo’n verheven schouwspel
geweest. De tien geboden, gesproken
met Gods eigen stem vanaf de Sinaï
(Ex.19;9; Ex.20:22), was de grondwet
van Jehova de constitutie voor de
regering van het volk en de kerk die
God toen organiseerde (PP 303E; PP
268N). Dit is de enige keer, dat God
met hoorbare stem zich tot Zijn
vergaderd volk op aarde richtte, een
gebeurtenis die bedoeld was om de
mensen een indruk te geven van de
plechtigheid en de heiligheid van Gods
wet; Zijn eeuwige wet die het hele
universum regeert. Het Pascha was een
herdenking en een zinnebeeld. Het wees
niet alleen terug naar de bevrijding
uit de Eyptische slavernij, maar het
wees ook vooruit naar de grotere
bevrijding welke Christus zou
volbrengen, door Zijn volk te
verlossen uit de slavernij van de
zonde (PP 277E; PP 241N). Zo is ook
het Pinksterfeest een terugblik en een
vooruitzien. ‘Als een herinnering’,
zegt Webster: «Het werd ingesteld om
een herinnering te zijn van de gave
der wet, op de vijftigste dag na
Israëls vertrek uit Egypte.» Daarmee
stemmen overeen Fausset’s Bible
Encyclopedia, Smith’s Bible
Dictionairy, Clark’s Commentary en de
meeste van de latere joodse
schrijvers. Van die tijd af was het
Pinksterfeest een jaarlijkse
herinnering van Israëls verbond met
God, om Zijn wet te gehoorzamen...
(Ex.19:8; 24:7), en een geheiligde
verplichting haar aan alle volken te
leren. Zinnebeeldig wees het vooruit
naar de tijd waarop Christus’
vertegenwoordiger, de Heilige Geest,
de christelijke kerk zou heiligen om
de wet aan de wereld uit te dragen, en
deze aan iedere natie onder de hemel
te doen kennen als door Jezus Christus
de Maker van de wet vervuld
(Hand.2:5-13; Matt.5:17). Het gehele
volk was aanwezig; God zelf was de
spreker. Zijn predikatie kort en
nadrukkelijk. Het onderwerp was de wet
der tien geboden (Ex.19:9; 20:22). Het
nam voor God niet veel tijd in beslag
die tien geboden uit te spreken. De
“Tien Woorden” worden ze genoemd
(Deut.4:13). In het hebreeuws doet men
er, als men ze luid langzaam en met
toepasselijke nadruk voorleest, minder
dan tien minuten over. Maar de
ontzagwekkende vertoning op de berg de
rollende donder en de majesteit van
Gods stem verschrikte het volk van God
zo zeer, dat zij Mozes dringend
verzochten: “Spreekt gij met ons en
wij zullen horen, opdat God niet
spreekt en wij sterven zullen.”
Ex.20:19. God verhoorde hun roepen, en
hoewel Hij meer te zeggen had, die
morgen, luisterde Hij naar hun verzoek
en in Zijn medelijden en tedere
genade, berispte Hij hen niet om hun
vrees. Hij begreep hun moeite, zoals
Hij altijd onze moeilijkheden
begrijpt. God wees hun smeking niet af
en inplaats van direct tot hen te
spreken riep Hij Mozes tot Zich. Na
hen speciale aanwijzingen te hebben
gegeven voor het bouwen van een
altaar, zei Hij tot Mozes: “Aldus zult
gij tot de kinderen Israëls zeggen:
Dit zijn de verordeningen die gij hun
zult voorhouden.” Ex.20:22; 21:1.
Mozes ontving de verordeningen en las
ze aan Israël voor
God
droeg Mozes op de verordeningen in een
boek te schrijven. Ze zijn weergegeven
in de hoofdstukken 21,22,23. Deze
burgerlijke wetten werden
verordeningen genoemd om Israël een
gids te geven over het recht
betreffende hun onderlinge relatie.
Mozes las deze verordeningen voor aan
de meest invloedrijken van het volk en
die beloofden of verbonden zich
daaraan te houden. Zo eindigde deze
onvergetelijke dag (Ex.24:3-7).
Op de berg bij God
Vroeg in
de morgen van de zesde Sivan werd een
altaar onderaan de berg gebouwd, in
overeenstemming met de aanwijzingen
die God aan Mozes had gegeven. Daarop
werden offers gebracht en het verbond
op gepaste wijze bekrachtigd
(Ex.20:24-25; 24:4-8). De heerlijkheid
van God, die de aanblik had als van
een verterend vuur, rustte nog op de
top van de berg en zes dagen lang
bleef de wolk daar hangen
(Ex.24:16,17). Gedurende deze tijd
ging Mozes met zeventig oudsten, en
een paar anderen die door God
aangewezen waren, de wolk binnen waar
zij een tijd doorbrachten met
zelfonderzoek, meditatie en gebed.
Voor Mozes was deze tijd een
voorbereiding voor nauwere omgang met
God (Ex.24:9). Terwijl al het volk de
heerlijkheid van God zag, werd aan
deze uitverkorenen een nader inzicht
gegeven. De God van Israël was boven
hen. Onder Zijn voeten zagen zij als
het ware een plaveisel van
saffierstenen als de hemel zelf in
klaarheid (Ex.24:1,3,10).
Aan het
einde van de zes dagen, op de zevende
dag, op de Sabbat (PP 313E; PP 277N),
ging Mozes op goddelijk bevel alleen
de wolk binnen waar God was. Mozes
bleef op de berg, veertig dagen en
veertig nachten (Ex.24:18). Gedurende
die tijd ontving hij de tafels van
steen en voltooide de complete
aanwijzingen voor het maken van het
heiligdom; de aardse woonplaats voor
God.
Het voorbeeld aan Mozes gegeven
Het
aardse heiligdom moest een afbeelding
zijn van de dingen in de hemel
(Hebr.9:23). Een zinnebeeld van de
grotere en meer volmaaktere
tabernakel, niet met mensenhanden
gemaakt (Hebr.9:9-11). Het moest een
miniatuur-presentatie zijn. God gaf
ook aan Mozes gedetailleerde
instructies voor de bouw van het
heiligdom. Mozes schreef alle
aanwijzingen in een boek en las het
aan de meest invloedrijken van het
volk voor (1SP 269). Ons ter lezing
zijn ze weergegeven in het boek
Exodus, de hoofdstukken 25 t/m 31. God
presenteerde aan Mozes een
miniatuurmodel, een beeld van het
hemelse heiligdom en beval hem alle
dingen te maken volgens het voorbeeld
dat hem op de berg getoond is (1SP
269). Dit toont overduidelijk, toen
Mozes op de berg was, God hem een
miniatuurmodel toonde (een schaduw van
het hemels heiligdom) en instructies
dicteerde die Mozes in een boek
schreef, als een leidraad bij de bouw
van het aardse heiligdom.
God gaf Mozes een volledig
gedetailleerde beschrijving. Zoals
reeds opgemerkt symboliseerden de
verschillende delen van het gebouw
zelf ook het verlossingswerk. Als dit
niet waar is waarom besteedde de
goddelijke architect dan zo veel
ruimte in het geïnspireerde woord, om
zo’n minutieuze beschrijving te geven
van elk afzonderlijk deel van deze
geïnspireerde les? Waarom eiste Hij
zo’n nauwkeurigheid van elk detail,
zo’n vakmanschap zo’n wijsheid en
volmaaktheid in de uitvoering van Zijn
plan? Waarom was Hij zo nadrukkelijk
in Zijn vermaning aan Mozes en
herhaalde het dikwijls in Zijn gebod
“zie toe, dat alles gemaakt wordt naar
het model zoals Ik het u op de berg
toonde.” Ex.25:9,40; Hebr.8:5.
Achttien keer wordt in Ex. 39 en 40
verklaard, dat de details van het
heiligdom werden gemaakt “zoals de
Here Mozes geboden had”. Niet alleen
de diensten van het heiligdom, maar
ook het heiligdom zelf, moest dienen
als voorbeeld en schaduw van hemelse
dingen (Hebr.8:5; PP 351E; PP 315N).
Daarom gaf de Here door Mozes de meest
precieze instructie betreffende ieder
onderdeel. Het Jamieson, Fausset en
Brown commentaar verklaart het op deze
wijze: «Het is onmogelijk om
rekenschap af te leggen voor de
omstandigheid van Gods afdaling in
zulke precieze details, uitgezonderd
de veronderstelling dat de tabernakel
van een zinnebeeldig karakter zijn
moest.» Om de nadruk te leggen op de
volheid van de geestelijke betekenis
zegt A.T. Pierson, een vooraanstaand
Bijbelonderzoeker: «De beschrijving
van het ritueel en de inhoud van de
tabernakel neemt meer plaats in in de
Bijbel, dan enig ander onderwerp in
het Oude en ook in het Nieuwe
Testament; en daar moet een reden voor
zijn. Ieder onderdeel van de
tabernakel wordt beschreven en zeven
maal wordt er een verwijzing gemaakt
naar het op de berg getoonde model om
te benadrukken, dat in geen enkel
onderdeel hoe klein ook van het
voorbeeld mocht worden afgeweken
(Ex.25:9,40; 26:30; 27:8; Num.8:4;
Hand.7:44; Hebr.8:5; 1
Kron.28:11,12,18,19).»
Gods
Living Oracles, blz.130.
Wat
betekent dit alles? Is het niet, dat
God het belang van deze studie wilde
benadrukken, temeer daar vele dingen
ook nog herhaald werden? Zeker is dat
God niet zonder oorzaak zoveel woorden
gebruikt. “Alle woord Gods is
gelouterd.” Spreuken 30:5. “De woorden
des Heren Zijn zuivere woorden,
gedegen zilver, in een smeltoven in de
aarde zevenvoudig gelouterd.” Psalm
12:7. Waarom dan deze herhaling?
Waarom herhaalde God aan Farao de
droom over de jaren van overvloed en
de jaren van hongersnood? Dat die
droom aan Farao tweemaal werd
herhaald, wordt ons verteld: “Omdat de
zaak bij God vaststaat.” Gen.41:32. De
droom bevatte informatie die
belangrijk was voor het lichamelijk en
tijdelijk welzijn van de koning. En
het volk en het heiligdom bevat
waarheden die belangrijk zijn voor ons
geestelijk en eeuwig leven. Door te
herhalen wil God tonen dat deze dingen
onwankelbaar zijn. Om deze reden moet
de student graven en diep graven om de
schatten te vinden die in het
heiligdom verborgen zijn.
Een schaduw van de dingen die komen
zullen
Het
heiligdom is zeer treffend een
silhouet van Christus genoemd. Paulus
spreekt daarvan als een schaduw van de
dingen die komen, maar de
werkelijkheid is van Christus
(Col.2:17). Christus is inderdaad de
sleutel tot de zinnebeelden, gelijk
Hij de sleutel is op de gehele Bijbel.
Met deze sleutel in de hand des
geloofs, zal onze studie rijk beloond
worden! Het heiligdom beeldt niet
alleen het werk van Christus uit; het
is ook een uitbeelding van het werk
van de Vader, de Heilige Geest en de
engelen om ons te redden. Het is ook
een voorstelling van de ervaring van
iedere ware gelovige, evenals van de
kerk in al haar perioden. Alle
gelovigen tezamen vormen een goed
ineensluitende tempel heilig in de
Here, een woonstede Gods in de Geest
(Ef.2:21,22). “Een woonplaats van God,
van de Heilige Geest.” 1 Cor.6:19.
Gods laatste woord aan Mozes
Gedurende de veertig dagen dat Mozes
op de berg was, werd niets betreffende
het bouwen van het heiligdom aan zijn
verbeelding of eigen inzicht
overgelaten. Ieder detail werd door
God gedicteerd. Aan het einde van deze
veertig dagen zou hij naar het volk
terugkeren en hen de instructie
meedelen. Maar, heb even geduld! God
heeft een laatste woord van groot
belang - een gebod - dat leven of dood
inhoudt voor Zijn volk. In hun ijver
aan de bouw van de tabernakel zouden
zij iets kunnen vergeten... Daarom
zond Hij een waarschuwing, dat niets
van het zo heilig werk als het bouwen
van een huis voor God, op Sabbat
gedaan mocht worden. Zeker, zo
benadrukte Hij “Mijn Sabbatten moet
gij onderhouden, want dat is een teken
tussen Mij en u van geslacht tot
geslacht zodat gij weet dat Ik de Here
ben die u heiligt. Gij zult de Sabbat
onderhouden, want deze is iets heiligs
voor u; wie hem ontheiligt zal zeker
ter dood gebracht worden, want ieder
die daarop enig werk verricht zal
uitgeroeid worden uit het midden van
zijn volksgenoten.” Ex.31:13-14. Dit
was het hoogtepunt van het lange en
zeer belangrijke onderhoud tussen
Mozes en God.
Zijn wet gebeiteld in tafelen van
steen
Hoewel
Israël de heerlijkheid had gezien die
op de berg rustte en Zijn stem gehoord
had, toen Hij Zijn wet uitsprak,
vertrouwde God Zijn wet niet toe aan
het geheugen van het volk, dat zo
lichtvaardig zijn eisen vergat, maar
schreef ze op tafelen van steen (PP
364E). Toen Hij geëindigd had met
Mozes te spreken op de berg, gaf Hij
hem twee stenen tafelen der
getuigenis, beschreven door de vinger
Gods (Ex.31:18). Dit “getuigenis”
waren de tien geboden (Ex.34:28). De
tafelen waren het werk van God en het
schrift was het schrift van God
(Ex.32:15,16). Gegrift, dat is
gebeiteld, in een ingezonken patroon,
diep ingedrukt of onuitwisbaar gelijk
aan het graveerwerk waardoor de
chinese kunstenaars zo beroemd zijn
geworden.
Wat een
prachtige illustratie is dat
onuitwisbare handschrift van het nooit
veranderende karakter van Gods wet.
Het kan niet worden uitgewist, het kan
niet veranderd worden, het is door God
Zelf geschreven.
En Mozes
keerde terug van de berg en de twee
tafelen der getuigenis waren in zijn
hand (Ex.32:15). Toen door de afval
van Israël de tafelen gebroken waren,
heeft Mozes op bevel van God twee
andere tafelen uitgehouwen gelijk aan
de vorige. Toen ging hij vroeg in de
morgen de berg op en God schreef de
woorden opnieuw, gelijk die waren op
de eerste tafelen (Ex.34:1,2,4). Is
dit niet een wonderbaarlijke
demonstratie van Gods geduld en genade
voor degenen die Zijn wet breken?
(Uit het boek
“HET PAD NAAR DE TROON VAN GOD” Sarah
E. Peck)