U bevindt zich hier:

Alternatieve Geneeswijzen

Adviezen over dieet en voeding

Stoppen met Roken

Algemeen:

Startpagina

Disclaimer

door J. Voerman

"Gelooft gij dat uw lichaam een tempel des Heiligen Geestes is en dat gij God moet eren door u te onthouden van alcoholhou­dende dranken, tabak in elke vorm en van onrein voedsel?" Deze vraag zal ons christenen niet onbekend in de oren klinken. Waar het ons nu om gaat is het gebruik van alcoholhoudende dranken. Heeft de kerk het recht om van een ieder die gedoopt wil worden te vragen zich te onthouden van alcoholhoudende dranken?

De Bijbel is voor ons de maatstaf voor het christelijke geloof. Wanneer de Bijbel duidelijk maakt dat God vraagt dat we géén bedwelmende dranken zullen gebruiken….

Noach
Als we de Bijbel openslaan, dan zien we dat het wijngebruik in de Schrift begint met een zeer treurig voorval in het leven van Noach. Het is géén beste start in de Bijbel omtrent het gebruik van wijn. Al dadelijk krijgen we te maken met onmatigheid Noach gebruikte zoveel van het bedwelmende vocht dat hij dronken werd en op beschamende wijze zijn roes lag uit te slapen. We zijn allen bekend met dit voorval. Nu wordt Noach in Gen. 6:9 geïntroduceerd als een rechtvaardig en onberispelijk man, en...., staat er dan bij.. Noach wandelde met God!

In 2 Petr 2:5 wordt Noach de prediker der gerechtigheid ge­noemd. En toch, ondanks het feit dat Noach een man Gods was, werd hij tóch het slachtoffer van de bedwelmende drank. En de gevolgen lieten niet lang op zich wachten: het huiselijk geluk werd aangetast, de vrede verstoord en de vloek des vaders daalde neer op het hoofd van Cham.
Het wijngebruik in de Bijbel begint nou niet bepaald rooskleurig. Maar wat denkt u, waarom zou deze geschiedenis in de Bijbel opgetekend staan? Is het om ons duidelijk te maken dat het géén kwaad kan, als we zo af en toe een paar glaasjes sterke drank gebruiken? Zou dat de les zijn waarmee de Bijbel begint? Of is het juist om aan te geven dat je je met sterke drank op glad ijs gaat begeven? Ja, dat ijs is zelfs zó onvoorstelbaar glad dat een recht­vaardig en onberispelijk man die met God wandelde er het slachtof­fer van werd! En wij, die door degeneratie van enige duizenden jaren zijn verzwakt - zou het voor ons dan veilig kunnen zijn, als we onszelf gaan voorhouden dat een matig gebruik geen enkel pro­bleem vormt en daarom rustig is toegestaan?

Gedachtig de geschiedenis van Noach, kunnen we dan volhou­den dat een matig drankgebruik onschuldig is? Noach heeft het geweten! De Geest der Profetie spreekt ronduit over de zonde van Noach. Het is niet goed geweest dat Noach zich bedronken heeft aan de wijn, dat is zonder meer duidelijk. En daarom is het een slechte zaak als wij het voorbeeld van Noach zouden volgen.


Jozef

U kent de geschiedenis dat Jozef als slaaf werd verkocht naar Egypte. Ondanks alle ellende die Jozef moest doormaken Weef hij trouw aan God. Na verloop van tijd beloonde God de onwankelbare trouw van Jozef en hij werd zelfs aangesteld als onderkoning van Egypte.

Omdat er hongersnood was in het land, kwamen de broers van Jozef naar Egypte om voedsel te kopen. Jozef bereidt dan voor zijn broers een maaltijd. Laten we lezen wat de Schrift daarover te zeggen heeft in Gen. 43:34: "Men bracht hun van de gerechten die vóór hen stonden, en het gerecht voor Benjamin was vijfmaal zo groot als het gerecht van ieder hunner." En dan staat er: "Zo dron­ken zij en werden dronken met hem."

Nou, nou, die Jozef toch, die heeft zijn broers daar mooi dron­ken gevoerd. Dat zal daar best wel een lollige boel zijn geweest. Kunt u zich dat van Jozef voorstellen? Dat valt ons toch wel tégen van Jozef, nietwaar? Door de Geest der Profetie wordt Jozef be­schreven als een man met een geweldig karakter. Hij blonk uit in getrouwheid, in vastberadenheid, oprechtheid, edelmoedigheid -iemand die onder alle omstandigheden vast hield aan zijn beginse­len. Zou deze man zijn broers dronken hebben gevoerd? Dat komt wel een beetje wrang over.

Maar klopt de Bijbel dan niet? Is hier een fout ingeslopen? We moeten niet vergeten dat de Bijbel door God is geïnspireerd. Het Oude Testament werd oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven. Om de Bijbel in onze eigen taal te kunnen lezen moest de oor­spronkelijke Hebreeuwse tekst worden vertaald. En de grote vraag is nu: Is die vertaling door God geïnspireerd, zoals de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst?

Er zijn heel wat Bijbelvertalingen in omloop die onderling soms wel eens hele grote verschillen aantonen. Wanneer wij een katho­lieke bijbelvertaling raadplegen, dan treffen we daar soms woorden in aan die kenmerkend zijn voor het katholieke geloof.

En als wij de bijbel van de Jehovah's Getuigen lezen dan komen we daar heel duidelijke woorden in tegen die de zienswijze van de Wachttoren vertolken. Bijvoorbeeld in plaats van kruis is er sprake van martelpaal. En teksten waaruit duidelijk blijkt dat Chris­tus aan God gelijk is, zijn zodanig weergegeven, dat de Godheid van Christus er nog nauwelijks in valt te bespeuren.

En daarom geloven wij dat de Bijbel in zijn oorspronkelijke vorm door God is geïnspireerd maar dat de vertaling niet door God geïnspireerd is en zelfs fouten kan bevatten. En zo kunnen er dan ook vertalingen zijn, die met elkaar in strijd zijn. Laten we nu Gen. 43:34 nog eens wat nader gaan bekijken. De tekst zegt ons: "Zo dronken zij en werden dronken met hem." De broers werden niet alleen dronken - neen, ze werden dronken met hem - dat wil zeggen dat ook Jozef zélf dronken werd. Een mooie boel! Die bedienden zullen wel vreemd opgekeken hebben. Jozef, als onderkoning van Egypte, volkomen laveloos - en dan ook nog zo'n vreemd stomdronken gezelschap uit Kanaën.

Wat zullen die bedienden wel niet gedacht hebben. Jozef, die altijd zo bedachtzaam was - zo betrouwbaar - zo evenwichtig. Jozef, die zich altijd, zelfs ook onder de moeilijkste omstandighe­den respectabel en principieel wist te gedragen, is hij nu zo grandi­oos uit de band gesprongen?

Als we het verband goed lezen, dan is er niet bepaald sprake van dat er wijn of bedwelmende drank wordt gepresenteerd. Daar wordt met geen woord over gerept. Laten we vanaf vers 30 eens rustig gaan lezen wat de Schrift te zeggen heeft. In vers 31 is duidelijk sprake van een maaltijd: "Dient het maal op." En in vers 32 wordt gezegd dat het werd opgediend en dat zij aten. Er is dus duidelijk sprake van het gebruiken van een maaltijd. Er wordt gezegd dat er gerechten worden gebracht en het gerecht voor Benjamin was vijfmaal zo groot! En dan staat er aan het eind: "zo dronken zij en werden dronken met hem!"

De vraag is nu: Kun je van een maaltijd dronken worden? Die broers van Jozef kwamen uit Kanaën, waar grote hongersnood heerste. Ik kan me indenken dat ze méér belang hadden bij een stevige maaltijd dan bij veel drinken. En zelfs als we er vanuit mogen gaan dat Jozef sterke drank heeft gepresenteerd dan is het heel moeilijk voor te stellen dat ze flink dronken zijn geworden, want ze gebruikten een maaltijd erbij en ik kan me voorstellen dat de maaltijd het bedwelmende effect grotendeels neutraliseert! Kort­om, het is zeer moeilijk om je onder de gegeven omstandigheden een dronken gezelschap voor te kunnen stellen.

Maar wat is dan de betekenis van de uitspraak in vers 34 "en werden dronken?" Je gaat je afvragen: Is dit dan wel goed ver­taald? Kijk, en dat is nu waar het om gaat! Dat Hebreeuwse woord­je wat hier is vertaald met "dronken" - kan heel goed ook anders worden vertaald! Als we bijvoorbeeld de Engelse King James vertaling lezen, dan staat daarin: "And they drank and were merry with him." In plaats van dronken staat daar "merry." Nou dat woord kent u vast wel. We naderen weer de tijd van Kerstmis en het kan maar zo zijn dat u een kaart ontvangt waarop staat "We wish you a merry Christmas." Wat is de betekenis daarvan? Kunnen we dat vertalen met: We wensen u een dronken Kerstfeest? - een aange­schoten Kerstfeest? Neen, "merry Christmas" wil zeggen: een prettig, een vrolijk, een verblijdend, een verheugend Kerstfeest!

En dat is in onze bijbeltekst ook een veel betere vertaling in de gegeven omstandigheden - Zo dronken zij en werden verblijd met hem! Ze werden niet dronken, neen ze werden blij en verheugd! Geen wonder - zo'n vriendelijke ontvangst en dan ook nog zo'n heerlijke maaltijd als je honger hebt. Dat geeft de burger weer moed! Dat is verheugend - dat is verblijdend!

Zelfs de Statenvertalers hebben ons ook op een dwaalspoor gebracht, want de Statenvertaling spreekt ook over "dronken" wor­den. Maar gelukkig geven zij in de kanttekening te kennen dat het Hebreeuwse woord ook de betekenis kan hebben van "verheugd zijn." Daarmee is deze tekst voldoende duidelijk geworden. Het is alleen erg jammer dat maar zo weinig bijbelvertalers deze, in dit verband veel betere betekenis hebben gekozen., want weet u, heel wat mensen kunnen nu zeggen: als een oprecht man als Jozef samen met zijn broers een stevige borrel heeft gedronken - en zelfs zo dat ze er flink teut van geworden zijn, dan mag ik dat toch af en toe ook wel eens een keertje?
Ziet u, hoe belangrijk een goede bijbelvertaling is?

Drankoffer

We gaan naar een volgende, belangrijke tekst: Numeri 28:7. "..pleng een plengoffer van bedwelmende drank in het heiligdom voor de HEERE." Had u dat ooit gedacht dat je de Heere een plengoffer - een drankoffer kon brengen van bedwelmende drank? Zou God een offer van bedwelmende drank in het heiligdom kun­nen aanvaarden? Als er een offerdier werd gebracht, dan mocht daar niets aan mankeren. Het mocht geen enkel gebrek hebben - het moest volkomen gaaf zijn en bovendien moest het een rein offerdier zijn. En wat betreft de Pascha- viering mocht er geen gezuurd brood gebruikt worden! Elke vorm van gisting, in brood of wijn, kon niet worden toegestaan voor geheiligd gebruik.

Het Hebreeuwse woord voor wijn in deze tekst is "shekar," "shakar," of "shechar." Dit woord werd vanouds gebruikt voor het aanduiden van een zoete drank. Griekse vormen van dit woord zijn "sikera" of "sakchar" en in het Latijn: saccharum.
Ons woord "sui­ker" is daarvan afgeleid. (Duits: Zucker; Frans: sucre; Engels: sugar). In al deze verschillende woorden kunnen we toch duidelijk een zekere gemeenschappelijke klank ontdekken. Shakar hoeft van­ouds niet altijd te wijzen op druivenwijn. Het kan ook best betrek­king hebben op een zoete drank die bijvoorbeeld uit dadels is bereid. In elk geval heeft "shakar" in de oudheid niet bepaald de betekenis van bedwelmende drank, zoals het in Num. 28:7 in onze bijbel wordt weergegeven.

Volgens Maimonïdes, één van de belangrijkste Joodse Rabbij­nen, moest de wijn die als plengoffer werd gebruikt, verse wijn zijn; wijn die dus niet was aangetast door het gistingsproces. Zoals alle offers die in het heiligdom gebracht werden, verwezen naar het grote Offer van de komende Messias, zo verwees ook het plengof­fer naar de komst van Jezus Christus wiens bloed geplengd zou worden tot vergeving van zonden. En alleen het reine, zuivere, ongegiste druivensap kan symbolisch het zondeloze bloed van Christus vertegenwoordigen.

De Geest der Profetie geeft ons het volgende in dit verband te kennen: "De Bijbel leert ons nergens het gebruik van gegiste wijn, niet als drank noch als symbool van het bloed van Christus" - Signs of the Times, 29 aug. 1878.
In Num. 28:7 kan "shakar" dan ook het beste worden weer­gegeven met: druivenbloed. In het apocriefe boek De Wijsheid van Sirach wordt vermeld dat de hogepriester druivenbloed plengt en uitstort aan de voet van het altaar. Ecclesiastikus 50:16,17

Druivenbloed
Een interessant gedeelte in verband met het gebruik van wijn is Deut. 32: 9-14 (Statenvertaling). Deze teksten spreken over de tedere zorg die God voor Zijn volk heeft geopenbaard. God heeft alles gedaan voor het welzijn van Zijn erfdeel. Hij heeft ze als Zijn oogappel bewaard. Hij heeft ze alles gegeven wat ze nodig hadden zodat ze geen gebrek hebben geleden. En wat heeft God aan Zijn volk te drinken gegeven? Gegiste wijn en bedwelmende drank? O neen, de Bijbel zegt: druivenbloed, reine wijn hebt gij gedronken! God heeft Zijn volk géén sterke drank te drinken gegeven.

En wat denkt u, als God Zijn volk vanouds reine wijn – zuiver druivensap te drinken geeft, zou Hij dan nu aan Zijn volk iets anders te drinken kunnen geven?

Is God veranderd en geeft Hij ons nu in plaats van reine wijn, gegiste wijn te drinken? Mensen kunnen zo inconsequent zijn, maar God is dat nooit. Hij is gisteren en heden dezelfde - bij Hem is geen schaduw van ommekeer.

De meeste vertalingen spreken duidelijk over druivenbloed en over reine, zuivere wijn in deze tekst. Maar helaas zijn er ook weer enkele andere vertalingen die de duidelijke betekenis kunnen ver­troebelen, zoals de Nieuwe Vertaling: "druivenbloed dronkt gij, schuimende wijn!" Kijk, en daar zou men alle kanten mee op kun­nen. Wat moet men onder schuimende wijn verstaan? Schuimt de wijn vanwege het feit dat het zo vers is uitgeperst of wil men daarin een aanwijzing zien dat het gegist is? Maar dan is er geen sprake meer van zuiver druivenbloed. Taalkundig gezien is er géén grond om aan te nemen dat hier sprake zou zijn van gegiste wijn. Het woordgebruik geeft te kennen dat het gaat om vers geperst druivensap.

De Statenvertaling en de Engelse King James vertaling bijvoor­beeld geven deze tekst goed en duidelijk weer: "druivenbloed, reine wijn hebt gij gedronken!"

Eerstelingen

Nog een andere, zeer belangrijke tekst in het boek Deuteronomium is Deut. 14:26. "..en gij zult dat geld besteden voor alles waarin gij lust hebt, voor runderen of kleinvee, voor wijn of bedwel­mende drank, of wat gij ook wenst, en gij zult daar voor het aange­zicht van de HERE, uw God, eten en u verheugen.." We moeten vers 26 lezen in verband met vers 23. In vers 23 is alleen maar sprake van most. Er wordt niets gezegd over sterke drank of be­dwelmende drank. Integendeel, er wordt daar alleen maar most ge­noemd - druivenmost: zuiver druivensap!

Als we dit Schriftgedeelte in zijn verband bekijken dan is het duidelijk dat het om de "eerstelingen" gaat. Behalve de eerstelingen van de kudde werden ook de tienden als de eerstelingen van het gewas ingezameld. En volgens Deut. 12:17 en 18 mochten de Israëlieten de tienden niet eten in hun eigen woonplaats maar op de plaats die God verkiezen zou:
"In uw woonplaatsen zult gij de tiende van uw koren niet mogen eten, noch die van uw most en uw olie, noch de eerstelingen van uw runderen en van uw kleinvee, noch iets van de gelofteoffers, die gij beloven zult, noch uw vrijwillige offers, noch uw wijgeschenken. Maar voor het aangezicht van de Here, uw God, zult gij ze eten, op de plaats die de HERE, uw God, verkiezen zal."

Dit Schriftgedeelte sluit volkomen aan op Deut. 14:23. In beide gedeelten is duidelijk sprake van most - zuiver druivensap - en er wordt niet gesproken over bedwelmende drank zoals in vers 26.

Nu worden deze tienden als eerstelingen van de vruchten des lands ook genoemd in Exodus 22:29. De Statenvertaling spreekt over "uw volheid en uw tranen." In deze uitdrukking wijst "volheid" op de oogst, terwijl "tranen" het uitgedrukte vocht van olijven en druiven te betekenen hebben. De Statenvertaling geeft dan ook in een kanttekening te kennen: "Aldus worden de wijn en de olie genoemd omdat zij als tranen vlieten wanneer zij uitgeperst worden."

En de Leidse vertaling geeft de tekst zo weer: "Met de eerstelingen van uw dorsvloer en perskuip zult gij niet achterlijk zijn." Het is duidelijk dat het gaat om zuiver vruchtensap, zo uit de perskuip.

In Exodus 23:16-19 worden de tienden ook genoemd als eerstelingen van de vruchten des lands. En in Deut. 18:4 is op­nieuw sprake van de eerstelingen van uw koren, van uw most en van uw olie. Ook hier is weer sprake van vers druivensap. Wanneer het gaat om de tienden - om de eerstelingen van de vruchten des lands dan is er telkens, met betrekking tot de wijndruif, sprake van most - van tranenwijn - het pure verse sap!

Laten we nu Deut. 14:23 nog eens bekijken: "Gij zult voor het aangezicht van de Here uw God., eten de tiende van uw koren, uw most en uw olie., opdat gij de Here uw God uw leven lang leert vre­zen." Wat denkt u, zou men de Here God kunnen leren vrezen door het gebruik van sterke drank?

Wat denkt u, zou het Gode welbehaaglijk kunnen zijn, wanneer Zijn volk voor Zijn aangezicht zich te goed zou doen aan bedwel­mende drank? Zou dat er aan toe bij kunnen dragen dat ze God hun leven lang beter zouden leren vrezen? Zou dat bevorderd kunnen worden door bedwelmende drank te drinken? Stel je voor waar sterke drank dan al niet goed voor kan zijn! Daar staat een mens toch wel even raar van te kijken. Wie had dat ooit durven dromen! Toch spreekt onze bijbel in dit verband over bedwelmende drank. Het staat er duidelijk. Maar laten we voorzichtig zijn. Mozes zong, door God geïnspireerd, in zijn lied, wat in Deut. 32 staat opgetekend: "druivenbloed, reine wijn hebt gij gedronken!"
Het volk Israël moest voor het aangezicht des Heren verschij­nen in de plaats die God verkiezen zou en daar moesten ze van het koren, de most en de olie eten. Maar wanneer de weg te lang zou zijn, zodat het vervoer van al die natuurproducten een bezwaar zou zijn, omdat de afstand te groot is, dan moesten de natuurpro­ducten te gelde worden gemaakt. Het geld moest men dan bij zich steken en naar de plaats gaan die God verkozen had en daar kon men het dan besteden voor alles waarin men lust had en pas in dat verband wordt er dan onder meer ook wijn en sterke drank ge­noemd! (vers 26). Een wonderlijke situatie. Degenen die veraf wonen mogen sterke drank gebruiken; zij hebben blijkbaar recht op een borreltje, terwijl zij, die dichtbij wonen, dat wel kunnen verge­ten; zij moeten zich maar tevreden stellen met most - met gewoon druivensap! (vers 23). Als je nou gek op een borreltje bent, dan zou je er haast voor gaan verhuizen!

De plaats waar je woont, bepaalt of je al of niet gebruik kunt maken van sterke drank. Is dat niet een vreemde gang van zaken? Zou God dat werkelijk wel zo hebben bedoeld? Zoiets is toch ten enen male ondenkbaar! Maar hoe moeten wij deze tekst dan ver­staan? Er is toch duidelijk sprake van wijn en bedwelmende drank?

Het Hebreeuwse woordje voor wijn in deze tekst is "yayin" en dat is een algemene benaming voor wijn - het maakt niet duidelijk of het gegiste wijn is of ongegist. Beide is taalkundig mogelijk. Maar gezien de samenhang waarin dit woordje hier in deze tekst wordt gebruikt, doet men er verstandig aan dit op te vatten als ongegiste wijn - dat is tenminste in harmonie met het verband waarin het wordt gebruikt.

Dan voor het volgende, wat in onze bijbel is vertaald met bedwelmende drank, staat in het Hebreeuws het woordje "shekar." Het is waar dat dit woordje een aanduiding is voor gegiste wijn, bedwelmende wijn of sterke drank. Maar we hebben al vermeld dat dit woordje van oorsprong echter een aanduiding is voor een zoete drank. Later in de geschiedenis heeft dit woordje meer algemeen de betekenis gekregen van bedwelmende drank.

Aangezien de eerste vijf bijbelboeken al heel vroeg in de ge­schiedenis tot stand zijn gekomen, ligt het voor de hand dat daarin de oorspronkelijke betekenis van "shekar" bij voorkeur méér van toepassing is dan die er later algemeen aan werd toegekend. Met betrekking tot de vroege geschiedenis van Israël kan men daarom "shekar" heel goed opvatten als een aanduiding voor een zoete drank, bereid uit druiven, dadels of uit andere zomervruchten. Men kende in de oudheid methodes om vruchtensap in te dikken tot siroop die vrij van gisting, voor langere tijd kan worden bewaard.
Wat in Deut. 14:26 in onze bijbel staat weergegeven met "wijn of bedwelmende drank" kan daarom beter worden begrepen als er zou staan: "wijn of zoete drank." Onder "wijn" kunnen we dan "druivensap" verstaan, terwijl wij onder "zoete drank" kunnen den­ken aan een drank van vruchtensiroop.

In Deut. 32:32,33 wordt gegiste wijn beschreven als vurig drakenvenijn en wreed adderenvergift, terwijl van de wijnstok gezegd wordt dat zij afkomstig is uit Sodom en Gomorra. "Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom en uit de velden van Gomor­ra, hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven, zij hebben bittere bezien: hun wijn is vurig drakenvenijn en een wreed adderenvergif." In deze teksten wordt op die wijze verband gelegd tussen sterke drank en een slechte, onzedelijke leefwijze, kenmerkend voor Sodom en Gomorra.

Het is ontegenzeggelijk waar dat het gebruik van gegiste wijn veelal leidt tot wangedrag. Geen wonder dat de Schrift in dit ver­band spreekt over drakenvenijn en wreed adderenvergift. Kunt u zich voorstellen dat God dat aan Zijn volk zou kunnen aanprijzen? Kan het ooit waar zijn dat het oude Israël de geheiligde tiende van de oogst vrij mocht besteden voor drakenvenijn en wreed adderenvergift? En dat nog wel voor Gods aangezicht, met de bedoeling dat ze God beter zouden leren vrezen? Neen, absoluut neen! De Bijbel verbindt nergens gegiste wijn met geestelijke groei in de vreze des Heren. Integendeel, de Bijbel verbindt het met Sodom en Gomorra!

De Bijbel maakt duidelijk dat gegiste wijn en bedwel­mende drank drakenvenijn is en wreed adderenvergift waardoor de mens veeleer de ondergang tegemoet gaat gelijk de inwoners van Sodom en Gomorra! De Bijbelvertalers hebben Gods Woord geen recht gedaan door "shekar" in Deut. 14:26 te vertalen met bedwelmende drank, in plaats van met zoete drank! We hebben nu ge­noeg over deze tekst gezegd.

Daniël
We maken een flinke sprong in de geschiedenis naar de tijd van Daniël. De Bijbel zegt ons dat Daniël een zeer gewenst man was. De engel Gabriël kwam in ijlende vlucht om Daniël inzicht te geven. En de engel zei tot Daniël: "Ik ben gekomen om het u mede te delen, want gij zijt zeer bemind." Dat is een geweldig getuigenis! Kan dat gezegd worden van al Gods dienstknechten? Zijn ze allen zeer bemind? Er zijn ontegenzeglijk mensen die voorgeven boodschappers van God te zijn waarbij wij vraagtekens kunnen plaatsen.

Misschien vanwege hun leefwijze of handelwijze of vanwege de boodschap die ze brengen. Maar Daniël was een man die door de hemel werd bemind! Kunnen wij vertrouwen hebben in Daniël? O, zeer beslist! Is het de moeite waard om de leefwijze van Daniël te bestuderen? Absoluut! Is het een goede zaak om het voorbeeld van Daniël ter harte te nemen? Ontegen­zeggelijk! Daniël is een man waarop Gods goedkeuring rust.

Laten we nu Dan. 1:3,5, 8, 9 en 16 lezen: "Toen beval de koning Aspenaz, het hoofd zijner hovelingen, enige Israëlieten te laten komen, uit het koninklijk geslacht en uit de edelen….. En de koning stelde voor hen een dagelijks rantsoen vast van de koninklij­ke tafel en van de wijn die hij placht te drinken. Zo liet hij hen gedurende drie jaren opvoeden, na verloop waarvan zij bij de koning dienst moesten doen…... Daniël nu nam zich voor, zich niet te verontreinigen met de koninklijke spijze of met de wijn die de koning placht te drinken; en hij verzocht de overste der hovelingen, dat hij zich niet zou behoeven te verontreinigen. Toen schonk God aan Daniël gunst en barmhartigheid bij de overste der hovelingen;.…. Voortaan nam de kamerdienaar hun spijze en de wijn die zij drinken moesten, weg en gaf hun groenten."
Daniël was een man met principes. Maar Daniël was maar een balling - een gevangene! De machtige koning van Babel had het volk Israël overwonnen. Daniël had niets in te brengen bij de ko­ning van Babel. Het was een geweldige eer dat een balling van de koninklijke tafel te eten kreeg. Dat was grandioos! Stel je voor, zoiets kun je toch niet weigeren? Dat zou zeer vermetel zijn! Het zou als het ware een klap in het gezicht van de koning zijn als je de spijs en drank die hij vastgesteld heeft niet wilt gebruiken. Je speelt met je leven als je het aandurft om de koning zo ongema­nierd voor het hoofd te stoten door de uitgelezen koninklijke spijs en drank te weigeren. Dat zou ongehoord zijn voor een gevan­gene! Het verbaast ons dan ook niet dat de overste der hovelingen daar grote moeite mee heeft en hij vreest er voor dat zijn hoofd met schuld wordt beladen bij de koning. Maar hij gaat tenslotte toch door de knieën en hij is bereid een proef van 10 dagen te willen nemen.

Nou, nou, die Daniël heeft het toch wel erg op de spits gedre­ven, vindt u niet? Zoiets kun je toch niet maken? En dat nog wel als balling aan het koninklijk hof! Ik ben er van overtuigd dat de meesten van óns zouden zeggen: 't Is niet anders - we moeten maar nemen zoals het is. Ik denk dat de meesten van ons gewoon de koninklijke spijze genomen zouden hebben en van de wijn van de koning zouden hebben gedronken. In die dingen moet je niet fanatiek zijn. Immers het koninkrijk der hemelen is geen spijs of drank.

Ach, als je het dan maar met mate gebruikt dan zal het toch ook niet zoveel kwaad kunnen doen? Kijk, zo denken wij er over! We durven er op een feestje nog niet gewoon eens ronduit voor uit te komen. En we drinken dan voor de gezelligheid ook maar een glaasje mee. Hoe moet het dan als wij, net als Daniël, aan het koninklijk hof zouden zijn? Weet u, wij zouden met onze plooibare instelling nergens meer blijven met onze principes! Weet u hoe wij redeneren? Ach, het is maar voor één keer. Er zijn wel erger dingen. Als christenen sta je toch al vaak zo apart in deze wereld. We moeten maar wat soepel zijn, en niet altijd zo strikt; dan wordt je ook wat beter geaccepteerd!

Dacht Daniël er ook zo over? De Schrift zegt ons zo eenvoudig en zo betekenisvol: "Daniël nu nam zich voor, zich niet te veront­reinigen met de koninklijke spijze of met de wijn die de koning placht te drinken!" Daniël was een man van karakter! Daniël werd in de hemel beschouwd als een zeer bemind man! Zijn wij dat ook in Gods oog met al onze toegeeflijke plooibaarheid in ons gemak­zuchtige leventje van alledag? Waar zijn en blijven ónze principes?
Als wij net als Daniël zeer bemind willen zijn in Gods oog, dan zullen wij bereid moeten zijn om onze zienswijze en onze handel­wijze in te willen ruilen voor die van Daniël. Dan zullen wij het standvastige voorbeeld van Daniël moeten navolgen!

Het eten van reine spijzen en het gebruik van zuivere drank was voor Daniël géén bijzaak. Neen, Daniël hechtte daar grote waarde aan, zelfs zó groot, dat hij er alles voor durfde te riskeren! Daniël zei niet bij zichzelf: Ach, een enkel glaasje kan geen kwaad. Zolang je er maar niet aan verslaafd raakt, dan kan het er nog wel bij door. Is dat de les die wij van Daniël mogen leren?

Is dat de les die ons in de Bijbel wordt voorgehouden? Er zijn heel wat mensen en tegenwoordig ook aardig wat christenen die ronduit verkondigen dat onthouding van alcohol géén bijbelse basis heeft. Maar als Gods Woord ons ergens zou leren dat het geen kwaad kan als we af en toe eens een borreltje zouden drinken, weet u, dan heeft Daniël zich gruwelijk vergist! Dan heeft hij onnodig alles op het spel gezet. Dan heeft hij zichzelf, zijn vrien­den, de overste der hovelingen, en ook de kamerdienaar zomaar tevergeefs in gevaar gebracht. Dat is beslist géén kleinigheid! Wat een trammelant - wat een koude drukte daar aan het koninklijke hof te Babel - en dat allemaal voor niets! Wat een afschuwelijke ver­gissing!

We moeten niet onderschatten wat het in die dagen betekende om tégen het besluit van de koning in te gaan handelen. Dat was een hoogst riskante zaak; een kwestie op leven of dood! Daniël heeft werkelijk alles op het spel gezet en dat alleen maar voor wat eten en drinken. Dat een mens toch zover kan gaan. Die Daniël toch, die had toch beter moeten weten?
Maar wist Daniël het dan niet zo precies? Weten wij het in onze eenentwintigste eeuw béter dan Daniël? Hebben wij nu in dit late uur van de wereldhistorie méér inzicht in deze dingen dan Daniël dat in zijn dagen had? Is het inzicht van Daniël verouderd en kunnen wij nu met een gerust hart zeggen: Ach, een klein beetje alcoholhoudende wijn dat kan toch geen kwaad en het wordt toch nergens in de Schrift uitdrukkelijk verboden? Het is voor Daniël wel heel erg spijtig dat hij dat inzicht niet heeft gehad! Arme Daniël, hij had zich heel wat moeite kunnen besparen! Maar als dat zo zou zijn, dan had Daniël wat van ons kunnen leren, en wij in dat opzicht niet van hem! Is de zaak inderdaad zo gesteld?
Schoot Daniël werkelijk te kort in kennis en inzicht?

Opmerkelijk is dat de goedkeuring van God blijkbaar op de vastberaden houding van Daniël rustte want God schonk aan Daniël gunst en barmhartigheid bij de overste der hovelingen. Daniël en zijn vrienden bleken met hun aparte leefwijze en eetge­woonten echt geen domme jongens te zijn waar wij nauwelijks iets van zouden kunnen leren. De Schrift zegt ons dat de koning opdracht had gegeven om Israëlitische knapen te laten komen, ervaren in allerlei wijsheid, in het bezit van kennis, met inzicht in wetenschap geschikt om dienst te doen in het paleis des konings. En dan lezen we verder dat God deze knapen bovendien ook nog eens bijzonder begiftigt met kennis en inzicht.

De Schrift zegt: "En aan deze vier knapen gaf God kennis en verstand van allerlei geschriften en wijsheid terwijl Daniël inzicht had in allerlei gezichten en dromen….. In elke zaak, waarbij het aankwam op wijs inzicht en waarover de koning hen ondervroeg, bevond hij hen tien maal voortreffelijker dan al de geleerden, al de bezweerders in zijn ganse rijk." Tien maal voortreffelijker dan al de geleerden! Tienmaal! En waar blijven wij dan met onze wijsheid? Wij zijn daar maar arme stumpers bij! Weet u, als wij willen bewe­ren dat wij het nu veel beter weten dan Daniël, dan kunnen wij rustig zeggen dat wij onszelf misleiden en dat wij dan eigenwijs zijn en eigengereid!

Rechabieten
We gaan nu naar Jeremia hoofdst 35:1-6. Van Godswege had Jeremia de opdracht gekregen om naar de Rechabieten te gaan. Om vast te stellen wie de Rechabieten zijn en waar zij oorspronke­lijk vandaan komen, lezen wij 1 Kron. 2:55: "..deze zijn de Kenieten die gekomen zijn van Hammath, de vader des huizes van Rechab."

De Kenieten zijn afstammelingen van Hammath, die de vader van het huis van de Rechabieten was. De Kenieten en de Rechabieten zijn dus nauw met elkaar verwant. En als wij nu Richteren 1:16 opslaan, dan blijkt dat de schoonvader van Mozes een Keniet was: "De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op…."
Jethro, de schoonvader van Mozes was een voorvader van de Rechabieten en we weten dat Jethro een zeer gelovig en gods­dienstig man was. Hij was priester te Midian en hij gaf Mozes goddelijke raad. De Rechabieten waren dus oorspronkelijk familie van de gelovige Jethro. Zij woonden in vrede temidden van Israël en waren bondgenoten van hen. Jeremia moest deze mensen in de tempel brengen en in opdracht van God moest aan hen wijn te drinken worden gegeven. De Rechabieten waren wel bereid om mee te gaan naar de tempel en in één van de kamers zette Jere­mia hen kannen vol wijn voor met bekers erbij en Jeremia gebood hen: Drinkt wijn! Maar de Rechabieten wilden geen wijn drinken. Waarom eigenlijk niet? Hun vader Jonadab, de zoon van Rechab had zijn nakomelingen geboden: Nimmer zult gij wijn drinken! De Rechabieten verklaarden dat zij hun vader Jonadab gehoorzaamd hadden en dat zij geen wijn zouden drinken.
Wie was Jonadab eigenlijk? Hoe kwam Jonadab erbij om zijn nakomelingen te verbieden om nimmer wijn te drinken? Jonadab was een zeer Godvrezend man; hij was de zaak des Heeren volko­men toegewijd. Hij klom bij koning Jehu op de wagen en hij speel­de een positieve rol bij de zuivering van Israël van de afgoderij. Deze trouwe, godvrezende Jonadab, die veel losbandigheid, onge­loof, afval en afgoderij in Israël had gezien, wenste zijn nakome­lingen daarvoor te behoeden en hij gebood zijn kinderen onder meer zich te onthouden van wijn!

Jonadab wist dat de gevolgen van drankgebruik niet onderschat mogen worden. Jonadab vrees­de God en om zijn kinderen te beschermen voor geestelijk verval, gebood hij hen dat ze zich moesten onthouden van wijn.

In onze dagen valt het niet mee om de kinderen wat te verbie­den. Ze weten het vaak veel beter en ze trekken zich doorgaans weinig aan van de goede raadgevingen van hun ouders. Maar zo was het niet gesteld met de Rechabieten. Zij waren hun vader Jonadab gehoorzaam en zij weigerden resoluut wijn te drinken. We kunnen heel wat leren van deze mensen. De Rechabieten werden tot een voorbeeld gesteld voor het trouweloze, ongehoorza­me volk van Israël. Om de belangrijkheid van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Gods eisen duidelijk te maken, kreeg Jeremia opdracht om de Rechabieten wijn voor te zetten in de tempel, de centrale plaats van het godsdienstig gebeuren in Israël. De Recha­bieten weigerden absoluut: Wij drinken geen wijn, verklaarden ze heel beslist. De Rechabieten waren mannen van karakter. Men­sen met principes! Het waren geen mensen die handelden zoals het hun het beste uitkwam; integendeel ze stonden voor hun principes en ze lieten zich niet ompraten.

Wat een zegen is het; wat een verademing als je mensen ontmoet die zich niet laten omkopen; mensen die staan als een rots; mensen die de waarheid van God hoog houden en er ook gehoorzaam en consequent naar leven. Een heel hoofdstuk in de Bijbel is gewijd aan de Rechabieten. Het is Jeremia 35. De standvastige houding van de Rechabieten is een unieke les van trouw en gehoorzaamheid voor al Gods kinderen in alle tijden.

We lezen in vers 12 en 13: "Toen geschiedde des Heeren woord tot Jeremia, zeggende: Zo zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls: Ga heen en zeg tot de mannen van Juda en tot de inwo­ners van Jeruzalem: Zult gijlieden geen tucht aannemen, dat gij hoort naar mijne woorden? spreekt de Heere."

De gehoorzaam­heid van de Rechabieten werd duidelijk tegenover de ongehoorzaamheid en opstandigheid gesteld van Gods volk: het oude Israël. De Rechabieten lieten zich niet verleiden tot ongehoor­zaamheid. Maar de mannen van Juda; ja het gehele huis Israëls was ontrouw en ongehoorzaam geworden aan Gods eisen. God had vroeg en laat door middel van zijn profeten tot Israël gespro­ken: Bekeert u toch, een ieder van zijn boze wandel. Maar het volk Israël heeft geen gehoor gegeven. En daarom bracht God rampspoed over Israël. Maar over het huis van de Rechabieten werd een blijvende zegen uitgesproken omdat zij aan het gebod van Jonadab gehoor hadden gegeven en daarmee trouw aan God waren gebleven. Vers 19 zegt ons: "Daarom zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël, aldus: Nimmer zal het Jonadab, de zoon van Rechab, ontbreken aan een man, die voor mijn aange­zicht staat al de dagen." Het is duidelijk dat Gods goedkeuring op deze mensen rustte. De trouw en gehoorzaamheid die deze mensen aan de dag legden, werd met Gods zegen bekroond.

Nooit zal het Jonadab ontbreken aan een man, die voor mijn aangezicht staat al de dagen. Wat een geweldige zegen is dat! De nakomelingen van Jonadab zullen trouw blijven aan God; ze zullen voor Gods aangezicht staan al de dagen. En deze bijzon­dere zegen is inderdaad al de dagen tot in onze tijd waarheid gebleken. Toen de bekende zendeling Joseph Wolff door de wereld trok en overal de spoedige komst van Christus verkondigde, op basis van de bijbelse profetieën, kwam hij op een gegeven moment ook in Jemen terecht. En daar, in Jemen, kwam hij in aanraking met de Rechabieten. In het boek De Grote Strijd vinden wij op blz. 337 een passage waar Joseph Wolff ons iets verteld over deze mensen:

"Ik heb in Jemen zes dagen bij de Rechabieten doorgebracht. Ze drinken geen wijn, planten geen wijngaarden, zaaien niet, wonen in tenten en houden nog altijd de herinnering aan de oude Jonadab, de zoon van Rechab, in ere; en ik heb bij hen ook Israëlieten van de stam Dan aangetroffen……. die zoals de afstammelingen van Rechab de spoedige komst van de Messias op de wolken des hemels verwachten."

Duidelijk blijkt dat de Rechabieten gelovige Christenen zijn die uitzien naar de weder­komst van Jezus. Deze mensen leiden een voorbeeldig en toege­wijd leven. Door de eeuwen heen zijn ze trouw gebleven. Het zal Jonadab niet ontbreken aan een man die voor Gods aangezicht staat al de dagen! Ze zijn er nog, die trouwe, gehoorzame en gelovige Rechabieten! In de dagen van Jeremia werden ze tot voorbeeld gesteld voor het volk Israël! Maar weet u, in onze dagen zijn deze mensen voor menigeen van ons eveneens tot een tref­fend voorbeeld van standvastigheid, trouw en gehoorzaamheid. Zijn wij bereid de les te willen leren die God ons voorhoudt? Of zijn wij net zo halsstarrig en ongehoorzaam als het oude Israël? De keuze is aan ons. Of voor altijd de zegen van God - of voor eeuwig rampspoed en verderf. Moge God ons helpen dat we toch het goede voorbeeld van de Rechabieten zullen navolgen.

Salomo

Een duidelijk Schriftgedeelte over het gebruik van wijn vinden wij in Spreuken 23:29-35: "Bij wie is wee, bij wie, och arme! bij wie gekijf, bij wie het geklag, bij wie wonden zonder oorzaak, bij wie de roodheid der ogen?” Bij degenen, die bij de wijn vertoeven, bij degenen, die komen om gemengde drank te zoeken. Zie de wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in de beker zijn verve geeft, als hij recht opgaat: in zijn einde zal hij als een slang bijten, en steken als een adder; uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken; en gij zult zijn gelijk een, die in het hart van de zee slaapt, en gelijk een, die in het opperste van de mast slaapt. Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoe­ken." (St.vert.)

Het beeld wat de Bijbel ons hier schildert over het gebruik van gegiste wijn is allerminst rooskleurig. Is het overdreven wat hier geschreven staat? Als wij eerlijk zijn moeten wij wel erkennen dat het precies de waarheid is. De wijze Salomo heeft hier geen woord teveel gezegd. Door alle eeuwen heen is deze beschrijving volko­men bevestigd en absoluut waar gebleken. Maar ondanks deze duidelijke en treffende bewoording, zijn er in elke eeuw altijd weer mensen geweest die deze woorden lichtvaardig hebben opgevat, terwijl zij juist beweren oprechte christenen te zijn. En op die wijze is er heel wat ellende de kerkdeuren binnengeslopen.

Hoe geheel anders zou het zijn indien men Gods Woord werkelijk serieus zou nemen. Velen denken: ja, dat is wel zo als je geen maat weet te houden. Maar als je met mate drinkt - zo af en toe eens een glaasje - dan kan het toch geen kwaad? Wordt ons dat duidelijk gemaakt in dit Schriftgedeelte? Is dat de bedoeling van deze teksten? Wat zegt ons vers 31? "Zie de wijn niet aan." Wat wil dat zeggen? Heeft u daar wel eens goed over nagedacht? Wil dat zeggen dat je af en toe met mate best wel een paar glaasjes mag drinken? De Schrift zegt ronduit en heel bepaald: "Zie de wijn niet aan." Is dat klare taal of is hier sprake van twijfelachtige bewoor­ding? Het is soms ontstellend te vernemen hoe sommige mensen Gods heilig Woord lezen. De Bijbel zegt heel duidelijke en heel nadrukkelijk: "Zie de wijn niet aan.."

Maar weet u hoe miljoenen belijdende christenen deze tekst lezen? Zie de wijn maar gerust aan., als het maar met mate is! Zó lezen zij deze tekst en zó verkondigen zij het ook en zo doen ze het ook in de praktijk; behoudens dan die keren dat ze toch net even te ver gaan en kierewiet raken. En zó vallen vele christenen uiteindelijk toch ten prooi aan datgene waarvoor de Bijbel ons hier zo ernstig waarschuwt. Het aanzien van de wijn wekt bij velen een begeerte op die zij op de duur niet meer de baas kunnen blijven! Salomo pakt het probleem bij de wortel aan en gebiedt ons door Goddelijke inspiratie dat wij de wijn zelfs niet eens mogen aanzien; laat staan dat we er ooit van zouden drinken!

Is er een duidelijke, bijbelse basis voor geheelonthouding? Absoluut! De geïnspireerde bewoording in deze bijbeltekst laat onbetwist geen enkele ruimte voor hen die beweren dat je af en toe best wel eens een borreltje mag drinken. Er staat nu eenmaal niet bij dat je af en toe je ogen wel even mag dichtknijpen om dan met mate wat van dat rode geestrijke vocht tot je te kunnen nemen. Neen, de uitdrukking wil duidelijk zeggen, dat je niets met gegiste wijn te maken moet willen hebben.

Als je iemand wilt laten weten dat je hem niet mag - dat hij niet welkom is - dat hij lucht voor je is en dat je niets met hem te maken wilt hebben, dan doe je net alsof hij er niet is; je schenkt geen aandacht aan hem en in plaats van hem aan te kijken, draai je hem de rug toe! Welnu, die afkerige, veelzeggende houding moeten wij aannemen jegens gegiste wijn! "Zie de wijn niet aan.." Draai de wijn de rug toe en doe net alsof het lucht voor je is. Dat is de boodschap van deze tekst. Als wij serieus Gods Woord zouden gehoorzamen., welk een rijke zegen zou dat met zich meebrengen!

Nieuwe Testament

Het Oude Testament geeft ons een duidelijk getuigenis tégen het gebruik van gegiste wijn! Maar hoe is het dan in het Nieuwe Testament? Daar zijn toch wel enkele teksten te vinden die het matig gebruik van sterke drank lijken te rechtvaardigen. Maar wanneer het gebruik van sterke drank in het Oude Testament wordt afgewezen, kan het dan in het Nieuwe Testament worden goedge­keurd? Als dat zo zou zijn, dan zou de Schrift in zichzelf verdeeld zijn. Dan zou het niet Gods onfeilbaar Woord kunnen zijn.

Natuurlijk kan een bepaald standpunt door de eeuwen heen groeien. Maar het kan nooit Gods bedoeling zijn dat het de verkeerde kant op gaat groeien. Als iets duidelijk als negatief is geopenbaard dan kan het niet geleidelijk aan op de duur ineens positief gaan worden. We doen er daarom goed aan om de teksten in het N.T. die het gebruik van wijn schijnen goed te keuren, zorgvuldig te bekijken.

Niet verslaafd

Het eerste gedeelte is 1 Tim. 3: 1-3. Vers 3 zegt "niet aan de wijn verslaafd (N.V.)." Keer op keer krijgt men te horen dat je best wel wat mag drinken, als het maar met mate is en als je er maar geen misbruik van maakt. De tekst zegt: "niet aan de wijn ver­slaafd." Kijk, daar gaat het nu juist om - het gaat om het versla­vende element, zegt men dan. Zo af en toe eens een lekker borrel­tje, dat kan heus geen kwaad. Dat wordt in de Bijbel best wel toegestaan!
Maar is dat wel de gedachte die de apostel Paulus in deze tekst aan Timotheüs duidelijk wil maken? Opmerkelijk is dat dit tekstgedeelte zeer verschillend kan worden vertaald. De Staten­vertaling zegt:

"Niet genegen tot de wijn, geen smijten.." Een smijter is een vechtersbaas. Het is een oud-hollands woord. Niet genegen tot de wijn. We zouden ook kunnen zeggen: Geen lust tot drinken hebben. De vertaling van prof. Brouwer zegt:
"Niet geneigd tot drinken of vechten." Dat is ook duidelijke taal. De welbekende Engelse King James vertaling luidt: "Not given to wine" terwijl de kanttekening het zo weergeeft: "Not ready to quarrel, and offer wrong, as one in wine." Dat wil zoveel zeggen als:

Niet gereed staan om te twisten en geweld aan te doen gelijk iemand onder invloed van wijn. Wanneer deze gedachte die de King James Bijbel hier weergeeft, juist blijkt te zijn, dan wordt het een stuk moeilijker om op grond van deze tekst vol te blijven houden dat je met mate wel drinken mag, zolang er maar géén sprake is van verslaving. Niet klaar staan tot twist en kwalijke bejegening, gelijk iemand die onder invloed van wijn staat.

Als het tekstgedeelte op deze wijze kan worden opgevat, dan gaat het niet bepaald om het al of niet drinken van wijn, maar veeleer om het onprettige gedrag dat doorgaans geopenbaard wordt als men onder invloed staat van sterke drank. Paulus wil dan duidelijk maken dat een opziener zulke slechte eigenschappen niet mag openbaren zoals die bij het gebruik van drank naar voren kunnen treden. Zoiets mag dan voorkomen bij mensen die bene­veld zijn, maar zeker niet bij een opziener.
Het Griekse woord dat in deze tekst gebruikt wordt in verband met wijn is "paroinos" Dit woord is een samenstelling van twee woorden - "para" en "oinos". Het eerste woordje betekent bij, naast, terzijde van, behorend tot, met betrekking tot, volgens, langs, enz.; afhankelijk van naamval en zinsverband.

Het tweede woordje "oinos" betekent eenvoudig "wijn", maar het kan soms bijvoorbeeld ook wel eens, in een be­paald verband: wijnstok, drank, dronken of roes te betekenen hebben. De betekenis van het samengestelde woord "paroinos" kan bijvoorbeeld heel goed worden omschreven als: met betrekking tot wijn; wat betreft het gebruik van wijn of tot het drinkgelag beho­rend. En wanneer iemand een "paroinos" wordt genoemd, dan wil dat zeggen dat zo iemand regelmatig drinkgelagen bezoekt. De apostel Paulus zou in vers 3 heel goed kunnen vertolken dat een opziener geen drinkpartijen mag bezoeken; hij mag zich niet temid­den van dronkaards ophouden.

Deze gedachte wordt ook duidelijk in 1 Cor. 5:11 weergegeven: "Maar nu heb ik u geschreven dat gij u niet zult vermengen, name­lijk indien iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover, dat gij met zodanig enen ook niet zult eten."
In het Nieuwtestamentisch woordenboek van Grimm-Thayer wordt met vermelding van 1 Tim. 3:3 en Titus 1:7 opgemerkt: "quarrelsome over wine; hence, brawling, abusive." ("twistend bij wijngebruik, derhalve: kijvend, vechtlustig.") Of, nog anders ver­taald: snoevend, scheldend, e.d.

Wanneer wij 1 Tim. 3 bekijken, dan zien we dat de apostel Paulus eerst een aantal eigenschappen opsomt waaraan een opziener moet voldoen. En vervolgens noemt hij een vorm van gedrag met betrekking tot drankgebruik; een vechtlustige opvliegende houding die bij een drinkgelag behoort, bij benevelde mensen, maar die niet toelaatbaar is bij een opziener.
We zouden 1 Tim. 3:3 daarom ook heel goed op deze wijze kunnen opvatten: Geen strijdlustige of kwalijk bejegenende hou­ding als van iemand onder invloed van wijn.

De "King James" ondersteunt dit duidelijk en de vertalers hebben het niet zomaar uit de duim gezogen. We zien opnieuw hoe belangrijk een vertaling kan zijn. Als wij de Nieuwe Vertaling bekijken, dan lezen wij: "niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend." Deze vertaling geeft grond aan de gedachte dat matig drankgebruik zou zijn veroorloofd, mits er maar geen sprake is van verslaving. Dat deze gedachte moeilijk is te handhaven blijkt niet alleen uit het feit dat je deze zinsnede heel goed ook anders kunt weergeven, zoals we hebben gezien, maar bovendien blijkt het ook nog uit hetgeen in vers 2 staat. We lezen: "Een opziener dan moet zijn onbesproken, de man van één vrouw, nuchter, bezadigd, beschaafd, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen.

Nuchter
Een opziener moet volgens deze tekst, onder meer, nuchter zijn. Wat wil dat zeggen? Wat moeten we daaronder verstaan? In de Griekse grondtekst staat het woord: "nèphalios" De rechtstreek­se betekenis van dit woord is: zonder wijn, geen wijn drinkend, nuchter. Het vertolkt geheelonthouding van wijn!

Moulton en Milligan illustreren dit woordgebruik aan de hand van offers die zonder wijn gebracht werden, of cakes die zonder enige toevoeging van wijn zijn bereid. Door dit woord te gebruiken maakt Paulus duidelijk dat een opziener zich van wijn moet onthouden. Hij moet nuchter zijn; d.w.z. geheel vrij van wijn! Dat is de directe, duidelijke betekenis van "nèphalios."

Wanneer Paulus nu in het tweede vers geheelonthouding aangeeft, kan hij dan in het volgende vers duidelijk maken dat matig drankgebruik wel is toegestaan, mits er maar geen sprake is van verslaving? Dat zou toch wel inconsequent, willekeurig en tegenstrijdig zijn! Daarom is er een goede basis om vast te stellen dat dit Schriftgedeelte géén grond biedt voor een matig gebruik van wijn maar veeleer wijst op geheelonthouding. Samenvattend kunnen we stellen dat deze teksten het volgende duidelijk maken met betrekking tot wijn: Een opziener moet nuchter zijn - hij mag géén drank gebruiken. Hij mag géén drinkgelagen bezoeken. Hij mag geen twistende, kijvende, vechtende en opvliegende houding openbaren, zoals we dat dikwijls aantreffen bij mensen die onder invloed staan van wijn.

Veel wijn

Als we nu 1 Tim. 3 verder gaan lezen, dan komen we nog een tekst tegen die onze aandacht vraagt, en wel vers 8: "De diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn, niet tweetongig, niet die zich tot veel wijn begeven, geen vuilgewinzoekers." "Niet verzot op veel wijn."

Zeer veel mensen gebruiken deze tekst om hun drinkgewoonten te rechtvaardigen. Zie je wel, zeggen ze dan, een klein beetje wijn wordt niet veroordeeld, als het maar geen kwestie van veel wijn gaat worden. Als je dol bent op een klein beetje wijn - dan is dat geen probleem, als er maar geen sprake is van overdaad!

Is dat de gedachte die de apostel in deze tekst voorstaat? Of is het iets anders waar het om gaat in deze tekst? Maar laten we eerst even stilstaan bij de gedachte dat de apostel hier inderdaad zou bedoelen dat het geen probleem is als men weinig wijn ge­bruikt, als er maar geen sprake is van véél wijn. Als dat zo zou zijn, wie bepaalt dan wat véél wijn is?
Het is duidelijk dat deze opvatting zo rekbaar is als elastiek! De één vindt 3 glaasjes wijn niet veel. De ander vindt 5 glaasjes niet veel en weer een ander vindt 7 glaasjes nog niet eens veel! Waar ligt de grens dan pre­cies? Is de grens voor een ieder verschillend? Of is het zo dat je zoveel mag drinken, dat je nog net niet hodeldebodel raakt? Ligt daar de grens tussen weinig en veel?

Een ieder voelt wel aan dat je op deze basis gemakkelijk dronkaards kunt kweken, als je niet goed oppast! Zou de apostel Paulus ons op die wijze in verleiding willen brengen? De apostel schrijft: "Niet verzot op veel wijn." En talloze mensen zijn er dan als de kippen bij om duidelijk te maken dat weinig wijn kan worden toegestaan! Maar is dat wel goed doordacht of gaat het er alleen maar om dat men zijn drinkgewoonten niet wil opgeven? Als wij bijvoorbeeld in Prediker 7:17 lezen "Wees niet te zeer goddeloos," mogen wij dan stellen dat een klein beetje goddeloosheid geen kwaad kan als het maar niet al te zeer is?

Mogen we dat zo stellen? Of als wij in Spreuken 23:31 lezen: "Zie de wijn niet aan, als hij zich rood vertoont," mogen wij dan zeggen: o gelukkig maar dat er ook nog witte wijn is; rode wijn mogen wij jammer genoeg niet aanzien, nou, geef mij dan maar een glaasje wit! Dat is toch een prachtige oplossing?

Maar geven we daarmee dan niet te kennen dat we op zoek zijn naar mazen in het net om daar handig doorheen te kunnen glippen? Is dat de bedoeling van de Bijbel - van Gods heilig Woord? Het is duidelijk dat wij op die wijze niet goed met Gods Woord omgaan! En daarom moeten wij voorzichtig zijn. We moe­ten géén overhaaste conclusies trekken of handige oplossingen bedenken om onszelf te rechtvaardigen.

Maar wat bedoelt de apostel nu eigenlijk, wanneer hij schrijft dat diakenen niet verzot mogen zijn op veel wijn, of, zoals de Sta­tenvertaling het zegt: Dat ze zich niet tot veel wijn moeten bege­ven? Wil Paulus zeggen in 1 Tim. 3 dat opzieners géén wijn mogen gebruiken, maar dat diakenen wél een beetje wijn mogen hebben?

Voor velen zou dan het ambt van diaken wellicht aan­trekkelijker kunnen zijn dan dat van een opziener. Maar vers 8 begint met "evenzo moeten de diakenen.…." Evenzo., de Oude Vertaling zegt: insgelijks. Wanneer nu een opziener "nèphalios" moet zijn; dat wil zeggen: zonder wijn, en een diaken zou wel wat wijn mogen hebben, dan is er duidelijk sprake van een verschil en dan is het woordje evenzo of insgelijks eenvoudig misplaatst, want wat de één niet mag, dat mag de ander blijkbaar wel!

Wanneer wij de Schrift géén geweld willen aandoen, dan doen we er goed aan, één lijn te trekken voor zowel een opziener, alsook voor een diaken en dan komt het woordje 'evenzo' goed tot zijn recht. Als van een opziener gevraagd wordt dat hij nuchter dient te zijn; dat wil zeggen geheel vrij van wijn, dan dient evenzo ook een diaken zich van wijn te onthouden! En dat is wat de apostel duide­lijk maakt in zijn brief aan Timotheüs.

In de dagen van Paulus was er veel bandeloosheid en onmatigheid en dat vooral ook wat betreft de eet- en drinkgewoonten. (Rom. 13:13. Gal. 5:21) De apostelen hadden te maken met bekeerlingen uit de heidenen en dezen waren gewend geweest veel wijn te drinken. Op veel plaatsen was het drinken van veel wijn een algemene zaak. En in sommige ge­meenten was het drankgebruik nog steeds een probleem. In de gemeente te Korinthe is zelfs bij het avondmaal sprake van dron­kenschap (1 Kor. 11:21).

Paulus geeft uitdrukkelijk te kennen dat dronkaards het Ko­ninkrijk Gods niet zullen beerven (Gal 5:21; 1 Kor 6:10). En in 1 Tim. 3:8 (S.V.) maakt de apostel duidelijk dat diakenen zich niet tot veel wijn mogen begeven, zoals velen dat in hun vroegere leven hebben gedaan. Dat is voorbij! De brasserijen behoren tot het verleden. Zij die geroepen zijn voor een taak in Gods gemeente dienen een voorbeeldig leven te leiden; zij mogen geen oude, zondige leef- en drinkgewoonten handhaven. De uitdrukking "veel wijn" is slechts een getrouwe aanduiding van de gebruikelijke onmatige brasserijen waaraan men gewend was deel te nemen, waar veel wijn vloeide.

Zij die zich tot het evangelie bekeren dienen zich daarvan voortaan te onthouden en voor hen die in Gods gemeente een taak vervullen geldt het als een duidelijke voorwaarde dat zij zich niet tot die gelegenheden van veel wijn mogen begeven. Dat is wat de apostel wil zeggen. Zij die in deze tekst lezen dat je gerust wel met mate wijn gebruiken mag, zolang het maar geen kwestie van "veel wijn" is, vergissen zich zeer.

In vers 11 lezen wij: "Evenzo moeten hun vrouwen zijn: waardig, geen kwaadspreeksters, nuch­ter, betrouwbaar in alles." Mogen de vrouwen van de diakenen, een andere levenswandel volgen? Neen, ook zij moeten toegewijd zijn!
Zij moeten in alles betrouwbaar zijn. En wat moeten ze ook zijn? Ze moeten evenzo nuchter zijn! Kijk, daar hebben we weer datzelfde woord: "nèphalios" - geen wijn drinkend - geheel vrij van wijn! De vrouw van een diaken moet evenzo - moet insgelijks - vrij zijn van wijn!

Een opziener, een diaken en ook de vrouwen - ze moeten zich allen onthouden van wijn! Dat is het duidelijk getuigenis van de apostel Paulus in 1 Timotheüs 3.

Een weinig wijn

Nu is er nóg een tekst die van belang is, wat betreft het gebruik van wijn, en die tekst staat eveneens in 1 Tirnotheüs. Het is hoofd­stuk 5:23. "Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden. Velen redene­ren op grond van deze tekst dat wanneer Timotheüs door Paulus wordt aangeraden om wat wijn te gaan gebruiken, dat zij dan toch ook wel eens een glaasje mogen drinken! Als dat dan werkelijk zo verkeerd zou zijn, dan had Paulus dat toch vast niet aan Timotheüs geadviseerd.

Maar als we zó redeneren, begrijpen we dan wel waar het om gaat in deze tekst of is er dan sprake dat we deze tekst op die wijze eerder misbruiken, dan dat we die op een juiste wijze toepas­sen?

Opmerkelijk is dat Timotheüs heel duidelijk een absolute geheelonthouder blijkt te zijn. Paulus zegt tegen Timotheüs: "Drinkt niet langer alleen water" Timotheüs was blijkbaar gewend om alleen maar water te drinken.
Het is duidelijk dat Timotheüs helemaal geen wijn dronk, Timot­heüs was "nèphalios." Hij was geheel vrij van wijn! Wanneer Ti­motheüs af en toe wel eens een glaasje wijn dronk, dan was het voor Paulus helemaal niet nodig om hem te zeggen dat hij een weinig wijn moest gaan gebruiken want dat deed Timotheüs dan immers al? Deze tekst is juist een duidelijke bevestiging dat Timo­theüs de instructies omtrent het gebruik van wijn nauwgezet uitleef­de.
Maar let nu op hoe er in deze tekst een ander aspect om de hoek komt kijken. Er is sprake van de maag en van ongesteldheden. Timotheüs was blijkbaar niet één van de sterksten. Kenne­lijk had hij een zwakke maag en voelde hij zich vaak onwel. En dat is duidelijk de reden waarom Paulus een weinig wijn aanbeveelt. Was het daarmee de bedoeling van Paulus om Timotheüs duidelijk te maken dat hij nu gerust wel eens een drinkpartijtje mocht gaan bezoeken?
Weet u, veel mensen misbruiken deze tekst op die manier. Ze zeggen dan: Timotheüs mocht toch ook wijn gebrui­ken? En ze gaan dan rustig overal naar toe en drinken steevast een glaasje mee. Maar Timotheüs werd aangeraden om een weinig wijn te gebruiken als medicijn voor zijn zwakke maag.

En wat denkt u, zou dat sterke drank geweest zijn? Zou een zwakke maag opknappen door het drinken van gegiste wijn? De ervaring leert dat de maag eerder erger wordt dan beter als men gegiste wijn gebruikt. Ook in de oudheid was dit terdege bekend. Plinius, bijvoorbeeld, geeft te kennen dat de beste wijn voor zieken, ongefermenteerde wijn is; wijn waarvan de kracht gebroken is en niet gaat gisten. Athenaeus heeft het over wijn, vermengd met wat water en dit wordt dan enigszins verwarmd gedronken; en met name de "protropos" wijn blijkt heilzaam te zijn voor de maag. Plinius geeft te kennen dat "protropos" het sap is wat spontaan uit de geoogste drujiventrossen vloeit.

Het is duidelijk dat het om het verse sap gaat dat wordt opge­vangen vóórdat het eigenlijke uitpersen begint. Doordat de geoog­ste druiven lichtelijk tegen elkaar drukken vloeit er spontaan sap uit voort en dit werd door de Myteleniërs "protropos" genoemd en het werd als een goed geneesmiddel voor de maag aanbevolen.

Wan­neer nu in de dagen van Paulus bekend was dat juist het verse, ongegiste sap van de druif een heilzame werking op de maag heeft, is het dan redelijk om vol te blijven houden dat er best wel wat alcohol in de wijn zal hebben gezeten, die Paulus aan Timothe­üs adviseerde?

Als Paulus voor de zwakke maag van Timotheüs een weinig gegiste wijn zou hebben aanbevolen, dan zou hij tegen beter weten in hebben geadviseerd, want als bereisd man moet hij zeker op de hoogte zijn geweest dat slechts het verse sap van de druif als goed medicijn gold voor de maag.

Er rest ons geen andere, aanneembare keus dan dat er ook in het Nieuwe Testament, evenals in het Oude, géén grond aanwezig is om vast te kunnen stellen dat zij die God getrouw willen dienen, gerust matige drinkers kunnen zijn.

Historische Fragmenten

Op een dag verscheen een engel aan de vrouw van Manoah en vertelde haar dat zij zwanger zou worden. En de engel zei: "Dus neem u in acht en drink geen wijn of bedwelmende drank en eet niets onreins." Richt. 13:4. Let op dat de engel zei: "Gij zult zwanger worden…." De vrouw was dat nog niet. Dat wat zij at en dronk, zelfs vóór haar zwangerschap, was belangrijk.

Wetenschappelijk onderzoek heeft de waarde bevestigd van hetgeen een moeder eet en drinkt en ook hoe zij zich gedraagt, niet alleen tijdens, maar ook vóór de zwangerschap. (Nutrition in Pregnancy and Lactation, St. Louis, 1985, p. 32-36)

De engel herinnerde de vrouw er aan dat zij geen wijn moest drinken. Het is interessant dat de oude Griekse steden: Sparta en Carthago, een wet hadden die pasgetrouwde partners ver­bood om alcohol te gebruiken. De oude Grieken wisten blijkbaar dat alcoholgebruik niet gunstig is voor zwangerschap. (Journal of Studies on Alcohol, 36, nr. 11,1975, p. 1395-1420)

In de achttiende eeuw werd er in Engeland veel gedronken. Dit verschijnsel werd de "jenever epidemie" genoemd en opmerke­lijk is dat het sterftecijfer van kinderen onder de vijf jaar flink toenam. Men heeft geen andere verklaring kunnen vinden dan dat dit te wijten was aan het drankgebruik. (C.A. Morris, A Collection of the Yearly Bills of Mortality for 1657 to 1756 Inclusive, London, A. Millear, 1751,1759)

In 1833 schreef John Eberle dat kinderen van onmatige moe­ders vaak zwak en ziekelijk zijn en risico lopen, vroegtijdig te sterven. Hij wees er op dat het verreweg het veiligst is zich ge­heel van elke vorm van geestrijk vocht te onthouden. (Treatise on the Diseases and Physical Education of Children, 1833)

In 1834 werd er in Engeland bij de overheid een rapport inge­diend met vermelding dat alcoholische vrouwen geneigd zijn ziekelijke kinderen ter wereld te brengen. (Report to British House of Commons, Committee on Drunkenness, 1834)
In 1966 toonde P. Lamoine duidelijk diverse gebreken aan bij kinderen van alcoholgebruikende moeders. (Children of Alcoholic parents, Anomalies in 127 cases, 1968)

Rond 1973 wees David Smith op karakteristieke afwijkingen bij kinderen van moeders die alcohol gebruiken en hij noemde dit het Fetal Alcohol Syndroom (FAS). Kinderen met dit syndroom kunnen te licht en te klein zijn bij de geboorte. Onder andere omstandigheden kan zich dit herstellen maar echter niet bij FAS kinderen. Ook de mentale achterstand kan later nauwe­lijks, zelfs niet onder de meest gunstige omstandigheden, worden bijgespijkerd, terwijl kinderen die niet vanwege alco­hol een achterstand hebben, vaak wel in staat zijn die in te ha­len. Aanvankelijk dacht men dat het alcoholsyndroom zich al­leen openbaart bij kinderen van regelmatig drinkende moeders, maar men heeft ontdekt dat ook een geringe hoeveelheid alco­hol schade kan veroorzaken en dat er geen veilige grens is aan te geven. Bovendien is aangetoond dat alcohol die is gebruikt, terwijl er nog geen kind was verwekt, nog een schadelijk effect op de zwangerschap kan hebben. (Journal of the American Medical Association 249, nr. 18, 1983, p. 2517-2521)

Ellen White schreef in "The Ministry of Healing" in 1905: "Elke druppel sterke drank, die zij drinkt om aan haar begeerte te voldoen, vormt een gevaar voor de lichamelijke, verstandelijke en zedelijke gezondheid van haar kind, en is een directe zonde tegen haar Schepper." (p. 373)
"De Bijbel keurt nergens het gebruik van gegiste wijn goed." (p. 333)